• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Farizeese en christelijke reinheid
Op zekere dag kwamen Farizeeën en schriftgeleerden uit Jeruzalem naar Jezus met de vraag:
“Waarom overtreden uw leerlingen wat ons van oudsher is overgeleverd? Want ze wassen hun handen niet voor het eten.”
Hij gaf hun ten antwoord: “En gij dan, waarom overtreedt gij ter wille van die eigen overlevering van u het gebod van God?
God heeft immers gezegd: Eer uw vader en uw moeder en Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet sterven.
En toch leert gij: Wie tot zijn vader of moeder zegt: Offergave is mijn bezit waarmee ik u zou kunnen helpen,
heeft jegens zijn vader of moeder geen verplichting meer. Daarmee hebt gij het woord van God krachteloos gemaakt ter wille van uw eigen overlevering.
Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, toen hij zeide:
Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.
Zij eren Mij, maar zonder zin, en mensenwet is wat zij leren.”
Daarop riep Hij de mensen bij zich en sprak tot hen: “Luistert en wilt verstaan:
Niet wat de mond binnengaat, bezoedelt de mens; de mens wordt bezoedeld door wat de mond uitgaat.”
Toen kwamen de leerlingen naar Hem toe en zeiden: “Weet Gij dat de Farizeeën bij het horen van Uw woorden er aanstoot aan namen?”
Maar Hij antwoordde: “Iedere aanplanting die niet door mijn hemelse Vader geplant is, zal worden uitgerukt.
Laat ze maar begaan: zij zijn blinden die blinden leiden. Maar als de ene blinde de andere leidt, vallen beiden in de kuil.”
Nu nam Petrus het woord en zei tot Hem: “Verklaar ons die gelijkenis.”
Waarop Jezus antwoordde: “Begrijpt zelfs gij nu nog niets?
Beseft gij dan niet, dat alles wat de mond ingaat, in de buik komt en op een zekere plaats wordt verwijderd?
Maar wat de mond uitgaat, komt voort uit het hart en dat bezoedelt de mens.
Want uit het hart komen voort boze gedachten, moord, echtbreuk, ontucht, diefstal, valse getuigenis en godslastering.
Die dingen zijn het die de mens bezoedelen; maar met ongewassen handen eten bezoedelt de mens niet.”
Het geloof van de Kananeese
Vandaar trok Jezus zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon.
Op een gegeven ogenblik trad een Kananeese vrouw afkomstig uit dat gebied naar voren, luid roepend: “Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter is van een duivel bezeten en wordt verschrikkelijk gekweld.”
Maar Hij gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek: “Stuur die vrouw toch weg, want ze blijft ons achterna roepen.”
Hij antwoordde: “Ik ben alleen maar tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden.”
Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei: “Heer, help mij!”
Hij gaf haar ten antwoord: “Het is niet goed het brood dat voor de kinderen bestemd is aan de honden te geven.”
“Wel waar, Heer”, sprak zij, “want de honden eten immers toch ook de kruimels die van de tafel van hun meesters vallen.”
Daarop zei Jezus haar: “Vrouw, ge hebt een groot geloof! Uw verlangen wordt ingewilligd.” En van dat ogenblik was haar dochter genezen.
Tweede wonderbare spijziging
Uit die streek teruggekeerd trok Jezus eens langs het meer van Galilea. Hij ging de berg op en zette zich daar neer.
Talrijke mensen stroomden naar Hem toe, die lammen, gebrekkigen, blinden, stommen en vele anderen met zich mee voerden om ze aan zijn voeten neer te leggen.
Hij genas hen, tot verbazing van het volk dat zag hoe stommen spraken en gebrekkigen gezond werden, lammen liepen en blinden konden zien. En zij verheerlijkten de God van Israël.
Jezus riep zijn leerlingen bij zich en sprak: “Ik heb medelijden met al deze mensen, omdat ze al drie dagen lang bij Mij blijven, zodat ze nu zonder voedsel zijn; maar Ik wil hen niet laten gaan zonder dat zij eerst gegeten hebben, omdat Ik vrees dat zij anders onderweg zullen bezwijken.”
De leerlingen merkten echter op: “Waar halen wij op een zo eenzame plaats genoeg brood vandaan om al dat volk te verzadigen?”
Jezus vroeg hun: “Hoeveel broden hebt ge dan?” “Zeven”, antwoordden zij, “en wat visjes.”
Nadat Hij het volk gelast had op de grond te gaan zitten
nam Hij de zeven broden en de vissen welke Hij na het spreken van het dankgebed brak en ze aan de leerlingen gaf, die ze weer aan het volk gaven.
Allen aten tot ze verzadigd waren en aan overgebleven brokken haalde men nog zeven volle manden op.
Het waren vierduizend mannen die hadden gegeten, vrouwen en kinderen niet meegerekend.
En nadat Hij het volk naar huis had gezonden, ging Hij scheep om over te steken naar de streek van Mágadan.

Document

Naam: HEILIGE SCHRIFT
Willibrordvertaling 1975
Soort: Heilige Schrift
Datum:
Copyrights: © 1975, KBS Boxtel / Uitg Emmaus Brugge
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam