• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Een ander weer, die een zeereis wil ondernemen en de woeste golven gaat bevaren, roept een stuk hout aan dat nog brozer is dan het schip dat hem draagt.
Want dat schip is in gedachte opgekomen door de begeerte naar winst en het is gebouwd door bekwaam vakmanschap.
Maar uw voorzienigheid, Vader, stuurt het schip, want Gij hebt zelfs in de zee een weg gebaand en in de golven een veilig pad,
daarmee tonend, dat Gij uit alles kunt redden, zodat men zelfs zonder zeemanschap aan boord zou kunnen gaan.
Gij wilt dat de werken van uw wijsheid niet werkeloos blijven; daarom vertrouwen de mensen zelfs aan een klein stuk hout hun leven toe: zij varen op een vlot over de golvende zee en blijven behouden.
Ook in de oude tijd al, toen de trotse reuzen omkwamen, zocht de hoop van de wereld haar toevlucht op een vlot en liet, door uw hand bestuurd, aan de wereld de kiem na van een nageslacht.
Gezegend immers is het hout, waardoor gerechtigheid geschiedt,
maar dat met handen gemaakte ding, het is vervloekt, het beeld en zijn maker, omdat hij het vervaardigd heeft en omdat het vergankelijk ding God is genoemd.
Want bij God zijn zij evenzeer gehaat, de goddeloze en zijn goddeloosheid:
met de maker immers zal ook het maaksel gestraft worden.
Daarom zal er afgerekend worden ook met de beelden van de heidenen, omdat zij in Gods schepping een gruwel zijn geworden, een ergernis voor de zielen van de mensen en een valstrik voor de voeten van de dwazen.
Het begin toch van de ontucht is de gedachte aan afgodsbeelden en de uitvinding daarvan is het bederf van het leven.
Zij hebben immers niet van het begin af bestaan en zij zullen niet tot in eeuwigheid blijven.
Door de ijdele waan van de mensen zijn ze in de wereld gekomen en daarom is hun een spoedig einde toegedacht.
Een vader namelijk, te vroeg door rouw gekweld, heeft een beeld gemaakt van het zo haastig weggerukte kind; en wat eens een dode mens was is hij nu als een god gaan eren en hij heeft voor zijn onderhorigen ceremonies en riten ingesteld.
Vervolgens heeft dat goddeloos gebruik zich gaandeweg vastgezet en is men het als een wet gaan onderhouden. Op bevel van vorsten werd toen aan de gesneden beelden goddelijke eer bewezen.
En omdat de mensen de vorsten niet in hun bijzijn konden eren, omdat ze ver weg woonden, hebben zij die verre gestalte weergegeven en een waarneembaar beeld gemaakt van de vereerde koning, om door hun ijver de afwezige te vleien, alsof hij aanwezig was.
Ook zij die de koning niet kenden werden er door de toewijding van de kunstenaar toe gebracht die eredienst meer luister bij te zetten.
Want hij had, toch wel om de heerser te behagen, door zijn kunst de gelijkenis tot groter schoonheid opgevoerd.
En de menigte, aangetrokken door de bekoorlijkheid van het werk, is hem, die kor tevoren een vereerd mens was, als een voorwerp van aanbidding gaan beschouwen.
En zo viel het leven in een hinderlaag: de mensen raakten in de ban van het ongeluk of van de koninklijke macht en zij gaven aan stukken steen of hout de naam die met niemand gedeeld mag worden.
En vervolgens was het nog niet genoeg dat zij dwaalden omtrent de kennis van God: ook al leven zij in een hevige strijd, door hun onwetendheid veroorzaakt, zij noemen al die ellende nog vrede.
Want zij vieren riten met kindermoorden of heimelijke ceremonies of dolle gelagen met vreemde gebruiken
en voor het leven hebben ze evenmin respect meer als voor de reinheid van het huwelijk, maar de een vermoordt de ander verraderlijk of grieft hem door echtbreuk.
Het is een grote warboel van bloed en moord, van diefstal en bedrog, van verleiding, trouweloosheid, oproer en meineed,
van paniek onder de goede mensen, van ondank voor weldaden, van besmeuring der zielen, verwisseling van geslacht, ontwrichting van huwelijken, echtbreuk en wulpsheid.
De verering immers van de goden zonder naam is het begin, de oorzaak en de voleinding van alle kwaad:
ze geven zich over aan waanzinnige uitgelatenheid of ze profeteren onwaarheden of ze leven in ongerechtigheid of ze zweren vlotweg valse eden,
want vertrouwend op de levenloosheid van de afgodsbeelden verwachten ze geen nadelige gevolgen van hun zondige eden.
Om twee redenen zal de gerechte straf hen treffen: omdat ze, door de afgoden aan te hangen, verkeerd hebben gedacht over God, en omdat ze, in hun minachting voor wat heilig is, arglistig valse eden hebben gezworen.
Want niet de macht van degenen bij wie men zweert, maar de straf, die de zondaars verdienen, treft altijd de overtreding van de boosdoener.

Document

Naam: HEILIGE SCHRIFT
Willibrordvertaling 1975
Soort: Heilige Schrift
Datum:
Copyrights: © 1975, KBS Boxtel / Uitg Emmaus Brugge
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam