• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Volslagen onwijs immers zijn alle mensen, die met onwetendheid over God behept zijn, en die niet in staat zijn geweest uit de zichtbare goederen Hem te kennen die is en evenmin door het beschouwen van de werken de kunstenaar hebben leren kennen,
maar die of het vuur of de wind of de snel bewegende lucht of de sterrenhemel of het onstuimige water of de lichten aan de hemel zijn gaan houden voor de beheerders van de wereld, voor goden.
Indien zij, door hun schoonheid bekoord, die dingen voor goden gingen aanzien, dan hadden zij moeten begrijpen, hoeveel voortreffelijker de Heer van dat alles is, want Hij die het geschapen heeft is de oorsprong van de schoonheid.
Indien zij het echter deden, omdat zij verbijsterd waren over die macht en werking, dan hadden zij uit de verschijnselen moeten begrijpen, hoeveel machtiger de Maker ervan is,
want uit de grootheid en de schoonheid van de schepselen wordt men door vergelijking hun Schepper gewaar.
Niettemin treft deze mensen maar weinig blaam, want zij komen misschien op een dwaalspoor, terwijl zij God toch zoeken en willen vinden.
Want terwijl zij zich met zijn werken bezighouden en zoeken verlaten zij zich op hun ogen: wat zij zien is immers mooi.
Anderzijds zijn ook zij niet te verontschuldigen.
Want indien zij in staat waren zoveel te weten, dat zij zich van de wereld een gedachte konden vormen, waarom hebben zij dan niet veeleer de Heer van dat alles gevonden?
Er zijn echter ook rampzaligen, mensen die hun hoop op dode dingen stellen: zij die werken van mensenhanden goden hebben genoemd, goud en zilver, met kunst bewerkt, en afbeeldingen van dieren of een waardeloze steen, handwerk uit de oude tijd.
Zo zaagt bijvoorbeeld een houtbewerker een geschikte boom om, ontdoet hem vakkundig van zijn hele schors en maakt er, na een passende bewerking, een nuttig stuk huisraad van, dat het leven vergemakkelijkt.
Wat er afvalt bij die bezigheid gebruikt hij om zijn maaltijd te bereiden en hij verzadigt zich.
En wat daarvan nog als afval overblijft en nergens meer voor dient, een krom stuk hout, een en al knoest, pakt hij dan vast, kerft erin, om in zijn vrije tijd iets te doen te hebben, geeft er vlot en handig vorm aan en maakt er iets van dat lijkt op een mens
of overeenkomst heeft met een armzalig dier; hij besmeert het met menie, verft de huid purperrood en besmeert iedere vlek die erop zit.
Hij maakt er een passend onderdak voor, zet het tegen de wand en bevestigt het met een stuk ijzer.
Hij neemt dus zijn voorzorgen dat het niet valt, omdat hij weet dat het niet bij machte is zichzelf te helpen;
Maar als hij wil bidden voor zijn bezittingen, voor zijn huwelijk en zijn kinderen, schaamt hij zich niet dat levenloze ding toe te spreken: hij roept het krachteloze aan om gezondheid,
hij vraagt het dode om leven, hij smeekt het onbenulligste om bijstand en datgene wat geen voet kan verzetten om een goede reis,
en met het oog op winst, arbeid, en geluk in wat zijn handen aanvatten, vraagt hij hulp aan iets dat volkomen krachteloze handen heeft.

Document

Naam: HEILIGE SCHRIFT
Willibrordvertaling 1975
Soort: Heilige Schrift
Datum:
Copyrights: © 1975, KBS Boxtel / Uitg Emmaus Brugge
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam