• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Eens verscheen Jahwe aan Abraham bij de eik van Mamre, toen Abraham op het heetst van de dag bij de ingang van zijn tent zat.
Hij sloeg zijn ogen op en zag plotseling drie mannen voor zich staan. Meteen liep hij van de ingang van zijn tent naar hen toe; hij boog diep
en zei: `Wees zo welwillend, heer, uw dienaar niet voorbij te gaan.
Ik zal water laten halen; was uw voeten en rust hier onder de boom.
Nu u bij uw dienaar bent zal ik brood voor u halen om u te sterken voor uw verdere reis.' Zij zeiden: `Heel graag.'
Abraham ging haastig de tent in naar Sara en zei: `Neem gauw drie schepel fijn meel, kneed het en bak er koeken van.'
Daarna liep Abraham naar de kudde, zocht een lekker mals kalf uit en gaf het aan zijn knecht om het snel klaar te maken.
Toen bracht hij hun wrongel en melk, en het kalf dat hij had laten toebereiden, en zette hun dat alles voor; terwijl zij aten bleef hij bij hen staan, onder de boom.
Toen vroegen ze hem: `Waar is Sara, uw vrouw?' Hij antwoordde: `Daar, in de tent.'
Toen zei Hij: `Over een jaar kom Ik weer bij u terug; dan zal Sara, uw vrouw, een zoon hebben.' Sara stond te luisteren bij de ingang van de tent, achter hem.
Nu waren Abraham en Sara oud en bejaard, en Sara ging het niet meer naar de wijze van de vrouwen.
Daarom moest Sara bij zichzelf lachen, want zij dacht: `Zal ik dan nog liefde genieten, nu ik verwelkt ben en ook mijn heer al oud is?'
Maar Jahwe zei tot Abraham: `Waarom lacht Sara en vraagt zij zich af: Zou ik op mijn leeftijd werkelijk nog een kind krijgen?
Is er voor Jahwe dan iets te moeilijk? Over een jaar, precies op deze tijd, kom Ik bij u terug, en dan zal Sara een zoon hebben.'
Toen zei Sara: `Ik heb niet gelachen,' want zij was bang geworden. Maar Hij zei: `Jawel, gij hebt gelachen!'
Toen de mannen verder trokken, zagen zij in de diepte Sodom liggen. Abraham ging met hen mee om hen uitgeleide te doen.
Jahwe dacht: `Zou Ik voor Abraham geheim houden wat Ik van plan ben?
Want Abraham wordt zeker een groot en machtig volk, en door hem zullen alle volken van de aarde zegen ontvangen.
Ik heb hem immers uitverkoren; zijn zonen en zijn nageslacht moet hij leren, zich door een rechtschapen en deugdzaam leven aan de weg van Jahwe te houden, dan kan Jahwe zijn plan met Abraham verwerkelijken.'
Daarom zei Jahwe: `Luid stijgt de roep om wraak uit Sodom en Gomorra op! Uitermate zwaar is hun zonde!
Ik ga naar beneden om te zien, of hun daden werkelijk overeenstemmen met de roep die tot Mij is doorgedrongen; Ik wil het weten.'
Toen gingen de mannen op weg in de richting van Sodom. Jahwe bleef echter nog bij Abraham staan.
Abraham trad op Hem toe en zei: `Wilt Gij werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen?
Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult gij die dan verdelgen? Zult Gij de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen?
Zoiets kunt Gij toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt Ge toch niet doen! Zal Hij, die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?'
En Jahwe zei: `Als Ik in Sodom vijftig rechtvaardigen in de stad vind, zal ik omwille van hen de hele stad vergiffenis schenken.'
Abraham begon weer en zei: `Mag ik zo vrij zijn tot mijn Heer te spreken, ofschoon ik maar stof en as ben?
Misschien ontbreken er aan de vijftig rechtvaardigen vijf; zult Gij dan toch om die vijf de hele stad verwoesten?' En Hij zei: `Ik zal haar niet verwoesten, als Ik er vijfenveertig vind.'
Opnieuw sprak hij tot Hem: `Misschien zijn er maar veertig te vinden.' En Hij zei: `Ik zal het niet doen, omwille van die veertig.'
Nu zei hij: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog eens aandring: misschien zijn er maar dertig te vinden.' En Hij zei: `Ik zal het niet doen, als Ik er dertig vind.'
Hij zei opnieuw: `Ik ben wel vrijpostig als ik bij mijn Heer blijf aandringen; maar misschien worden er maar twintig gevonden.' En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die twintig.'
Hij zei: `Laat mijn Heer niet kwaad worden, als ik nog een keer spreek; misschien zijn er maar tien te vinden.' En Hij zei: `Ik zal de stad niet verwoesten, omwille van die tien.'
Zodra Jahwe zijn gesprek met Abraham beëindigd had, ging Hij heen, en Abraham keerde naar zijn woonplaats terug.

Document

Naam: HEILIGE SCHRIFT
Willibrordvertaling 1975
Soort: Heilige Schrift
Datum:
Copyrights: © 1975, KBS Boxtel / Uitg Emmaus Brugge
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam