• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Het was in de dagen van Amrafel de koning van Sinear, van Arjok de koning van Ellasar, van Kedorlaomer de koning van Elam, en van Tidal de koning van Goim.
Deze koningen waren in oorlog met Bera de koning van Sodom, Birsa de koning van Gomorra, Sinab de koning van Adma, Semeber de koning van Seboim, en met de koning van Bela, dat ook Soar heet.
Deze koningen trokken gezamenlijk op naar het dal van Siddim, nu Zoutzee geheten.
Na twaalf jaar aan Kedorlaomer onderworpen te zijn geweest, waren zij in het dertiende jaar in opstand gekomen.
In het veertiende jaar rukte Kedorlaomer op, samen met de koningen die zijn bondgenoten waren. Zij versloegen de Refaieten bij Asterot-karnaim, de Zuzieten bij Ham, de Emieten in de vlakte van Kirjataim,
en de Churrieten. Ze achtervolgden hen door het Seir-gebergte tot bij de eik van Paran, aan de rand van de woestijn.
Daarna maakten zij een zwenking naar En-mispad, ook Kades geheten, en richtten een slachting aan in heel het gebied van de Amalekieten en onder de Amorieten in Chaseson-tamar.
Toen trokken de koningen van Sodom, van Gomorra, van Seboim, en van Bela, ook Soar geheten, ten strijde, en in het dal van Siddim raakten zij slaags met hen,
met Kedorlaomer de koning van Elam, Tidal de koning van Goim, Amrafel de koning van Sinear en Arjok de koning van Ellasar: vier koningen tegen vijf.
In het dal van Siddim waren veel asfaltputten. De koningen van Sodom en Gomorra sloegen op de vlucht; daarbij vielen sommigen in die putten, terwijl de overigen de bergen in vluchtten.
De vijand maakte zich meester van al het bezit van Sodom en Gomorra en van al hun voedselvoorraden. Daarna trok hij af.
Bij zijn aftocht voerde hij ook Lot mee, de zoon van Abrams broer, met zijn bezittingen; Lot woonde namelijk in Sodom.
Een vluchteling bracht het nieuws aan Abram, de Hebreeƫr, hij woonde op dat ogenblik bij de eik van Mamre de Amoriet, een broer van Eskol en Aner, beiden bondgenoten van Abram.
Toen Abram vernam dat zijn broer gevangen was genomen, riep hij de geoefende mannen die in zijn huis waren geboren te wapen - het waren er driehonderdachttien -, en ging de vijanden achterna tot bij Dan.
Met zijn dienaren viel hij hen in de nacht van verschillende kanten aan, versloeg hen en achtervolgde hen tot aan Choba, ten noorden van Damascus.
Hij heroverde alle goederen; ook zijn broer Lot en diens bezittingen, alsmede de vrouwen en het krijgsvolk bracht hij terug.
Na zijn terugkeer uit de slag tegen Kedorlaomer en zijn koninklijke bondgenoten trok de koning van Sodom Abram tegemoet tot in het dal van Sawe, ook het dal van de koning geheten.
En Melchisedek, de koning van Salem, bood hem brood en wijn aan. Daar hij priester was van God de Allerhoogste,
zegende hij hem met deze woorden: `Gezegend zij Abram door God de Allerhoogste, die de hemel en de aarde gemaakt heeft,
en gezegend zij God de Allerhoogste, die uw vijand aan u heeft overgeleverd!' En Abram gaf hem van alles een tiende deel.
De koning van Sodom zei tot Abram: `Geef mij alleen de mensen terug, de buit kunt u zelf houden.'
Maar Abram zei tot de koning van Sodom: `Met opgeheven hand zweer ik bij Jahwe, God de Allerhoogste, die de hemel en de aarde gemaakt heeft:
ik wil niets van u hebben, geen draad en geen schoenriem, niets van wat u toebehoort. U moet niet kunnen zeggen dat u Abram rijk hebt gemaakt.
Niets daarvan. Ik vraag alleen maar wat de mannen verteerd hebben, en het deel van Aner, Eskol en Mamre, die met mij zijn uitgetrokken; laat hen nemen wat hun toekomt.'

Document

Naam: HEILIGE SCHRIFT
Willibrordvertaling 1975
Soort: Heilige Schrift
Datum:
Copyrights: © 1975, KBS Boxtel / Uitg Emmaus Brugge
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam