• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

TOT DE DEELNEMERS AAN DE DAGEN VAN DE PAUSELIJKE VERTEGENWOORDIGERS
Sala Clementina

Dierbare Medebroeders,

Deze dagen in het Jaar van het Geloof zijn een gelegenheid die de Heer aanbiedt om samen te bidden, samen te overwegen en een broederlijk moment te beleven. Ik dank Kardinaal Bertone voor de woorden die hij in naam van allen tot mij gericht heeft, maar zou ieder van u willen danken voor uw dienst die mij helpt in de zorg voor de hele Kerk, in dit ambt van eenheid dat centraal staat voor de opvolger van Petrus. U vertegenwoordigt mij in de Kerken die over de hele wereld verspreid zijn en bij de regeringen, maar dat ik u vandaag in zo’n grote getale zie, geeft mij ook het gevoel van de katholiciteit van de Kerk, van haar universele reikwijdte. Heel hartelijk dank! Uw werk is – het woord dat in me opkomt is “belangrijk”, maar dat is een formeel woord –; uw woord is meer dan belangrijk, het is een werk van het maken van de Kerk, het bouwen van de Kerk. Te midden van de particuliere Kerken en de universele Kerk, tussen de bisschoppen en de bisschop van Rome. U bent geen tussenpersonen, maar u bent veeleer bemiddelaars, die met uw bemiddeling gemeenschap scheppen. Enkele theologen die de ecclesiologie bestuderen, spreken over de lokale Kerk en zeggen dat de pauselijke vertegenwoordigers en de voorzitters van de bisschoppenconferenties een lokale Kerk vormen die niet van goddelijke instelling is – die van organisatorische aard is – maar die de Kerk helpt om vooruit te gaan. En het belangrijkste werk is dat van de bemiddeling, en om te bemiddelen is het kennen noodzakelijk. Niet alleen het kennen van de kaarten – het is heel belangrijk de kaarten te lezen en er zijn er vele – maar het kennen van de personen. Daarom beschouw ik de persoonlijke relatie tussen de bisschop van Rome en u als iets essentieels. Weliswaar is er het staatssecretariaat om ons te helpen, maar dit laatste punt, de persoonlijke relatie, is belangrijk. En die moeten we scheppen, van beide kanten.

Ik heb nagedacht over deze bijeenkomst en bied u eenvoudige gedachten aan over enkele, ik zou zeggen existentiële, aspecten van uw pauselijke vertegenwoordigers zijn. Het zijn zaken die ik in mijn hart heb overwogen, vooral eraan denkend me naast ieder van u te plaatsen. In deze ontmoeting zou ik u niet slechts formele woorden of gelegenheidswoorden willen zeggen; het zou slecht zijn voor ons allen, voor u en voor mij. Wat ik u nu zeg komt van binnenuit, dat verzeker ik u, en staat mij na aan het hart.

Ten eerste zou ik willen benadrukken dat uw leven een nomadenleven is. Ik heb zo vaak gedacht: arme mensen! Elke drie, vier jaar voor de medewerkers, een beetje meer voor de Nuntii, verandert u van plaats, gaat u van het ene continent naar het andere, van het ene land naar het andere, van de ene Kerksituatie naar de andere, vaak heel verschillend; u hebt altijd de koffer in de hand. Ik vraag me af: wat zegt dit leven aan ons allen? Welke spirituele betekenis heeft het? Ik zou zeggen dat het de zin voor op weg zijn geeft, dat centraal staat in het geloofsleven, te beginnen bij Abraham, een man van geloof onderweg: God vroeg hem zijn land, zijn zekerheden te verlaten, om te gaan en zich aan een belofte toe te vertrouwen die hij niet zag, maar die hij eenvoudig in zijn hart bewaarde als de hoop die God hem bood. Vgl. Gen. 12, 1-9 En het brengt twee elementen met zich mee, lijkt me. Op de eerste plaats de versterving, want met de koffer in de hand te gaan is werkelijk een versterving, het offer zich van spullen, van vrienden, van banden los te maken en telkens opnieuw te beginnen. En dit is niet gemakkelijk; het is leven in tijdelijke omstandigheden, uit zichzelf gaande, zonder een plaats te hebben om in te aarden, zonder stabiele gemeenschap, maar toch met liefde voor de Kerk en het land welke u geroepen bent te dienen. Een tweede aspect dat dit leven van nomaden, altijd onderweg, met zich meebrengt, is dat wat voor ons beschreven wordt in het elfde hoofdstuk van de Brief aan de Hebreeën. De geloofsvoorbeelden van de voorvaderen op een rij zettend, zegt de schrijver dat deze de beloofde zaken uit de verte zagen en begroetten – dit beeld is mooi –, belijdend op deze aarde pelgrims te zijn. Vgl. Heb. 11, 13 Zo’n leven, een leven als het uwe, is een grote verdienste wanneer het geleefd wordt met de intensiteit van de liefde, met de werkzame herinnering aan de eerste roeping.

Ik zou een moment stil willen staan bij het aspect van “zien vanuit de verte”, het zien van de beloften vanuit de verte, ze groeten vanuit de verte. Wat zagen de Vaders van het Oude Testament vanuit de verte? De door God beloofde goede zaken. Ieder van ons kan zich afvragen: wat is mijn belofte? Waar kijk ik naar? Wat zoek ik in het leven? Dat waartoe de basisherinnering ons aanzet om te zoeken is de Heer, Hij is het beloofde goed. Dit mag ons nooit iets vanzelfsprekends lijken. Op 25 april 1951, herinnerde Mons. Montini, de toenmalige staatssecretaris Noot van de redactie: de latere Paus Paulus VI, er in een beroemde toespraak aan, dat de figuur van de pauselijke vertegenwoordiger “die is van iemand die zich er werkelijke van bewust is Christus met zich mee te dragen”, als het kostbare goed om over te dragen, te verkondigen, te vertegenwoordigen. De goederen, de vooruitzichten van deze wereld stellen uiteindelijk teleur, zetten ertoe aan nooit tevreden te zijn; de Heer is het goed dat niet teleurstelt, het enige dat niet teleurstelt. En dit vereist een onthechting aan zichzelf die men slechts kan bereiken in een voortdurende omgang met de Heer en de eenmaking van het leven rondom Christus. En dit heet vertrouwdheid met Jezus. De vertrouwdheid met Jezus Christus moet het dagelijks voedsel zijn van de pauselijk vertegenwoordiger, omdat het het voedsel is dat voortkomt uit de herinnering aan de eerste ontmoeting met Hem en omdat het ook de dagelijkse uitdrukking vormt van trouw aan zijn roeping. Vertrouwdheid met Jezus Christus in het gebed, in de Eucharistieviering, die nooit te verwaarlozen is in de dienst van de liefde.

Er is altijd het gevaar, ook voor de mensen van de Kerk, om toe te geven aan wat ik – een uitdrukking van De Lubac overnemend – de “spirituele wereldsheid” noem: toegeven aan de geest van de wereld, die leidt tot het handelen voor zelfrealisatie en niet voor de glorie van God Vgl. Henri de Lubac, Méditation sur L’Eglise. Milaan 1979, p. 269 - (1952), aan dat soort “bourgeoisie van de geest en van het leven” dat ertoe aanzet om achterover te leunen, om een comfortabel en rustig leven te zoeken. Aan de Paus Franciscus - Toespraak
Tot de Alumni van de Pauselijke Ecclesiastische Academie
Sala Clementina (6 juni 2013)
heb ik eraan herinnerd hoe voor de zalige Johannes XXIII de dienst als pauselijk vertegenwoordiger één van de gebieden is geweest – en geen secundaire – waarin zijn heiligheid gestalte kreeg, en ik citeerde enkele passages uit het H. Paus Johannes XXIII - Dagboek
Dagboek van de ziel ()
die specifiek naar deze lange etappe van zijn dienstwerk verwijzen. Hij zei dat hij steeds meer begrepen heeft dat hij voor de doeltreffendheid van zijn handelen de wijnstok van zijn leven voortdurend moest snoeien, weg moest snijden wat slechts nutteloos blad is en recht op het essentiële af moest gaan, dat Christus en het Evangelie is, omdat men anders het risico loopt een heilige missie belachelijk te maken. H. Paus Johannes XXIII, Dagboek, Dagboek van de ziel. (Giornale dell’Anima, Edizioni di San Paolo: Cinisello Balsamo 2000, pp. 513-514) Dit ‘belachelijk’ is een sterke uitdrukking, maar het is waar: toegeven aan de wereldse geest maakt vooral ons herders belachelijk; we zullen misschien wat applaus kunnen krijgen, maar dezelfde mensen die met ons in lijken te stemmen, zullen ons vervolgens achter de rug bekritiseren. Dit is een algemene regel.

Maar wij zijn herders! En dit moeten we nooit vergeten! U, dierbare pauselijke vertegenwoordigers, bent een aanwezigheid van Christus, bent een priesterlijke aanwezigheid, van herders. Zeker, u geeft geen onderricht aan een bepaald gedeelte van het Godsvolk dat u is toevertrouwd, u leidt geen plaatselijke Kerk, maar u bent herders die de Kerk dienen, met de rol te bemoedigen, dienaars van gemeenschap te zijn, en ook met de niet altijd makkelijke taak om terecht te wijzen. Doet alles altijd met een diepe liefde! Ook in de relaties met de burgerlijke autoriteiten en met uw collega’s bent u herders: zoekt altijd het goede, het goede voor allen, het goede voor de Kerk en voor iedere persoon. Maar dit herderlijke werk doet men, zoals ik al gezegd heb, met de vertrouwdheid met Jezus Christus in het gebed, in de Eucharistieviering, in werken van liefdadigheid: daar is de Heer aanwezig. Maar van uw kant uit moet men ook met professionaliteit handelen, en dat zal zijn als uw – het komt in mij op een woord te zeggen – uw boetekleed, uw penitentie: de dingen altijd met professionaliteit te doen omdat de Kerk dat van u wil. En wanneer een pauselijke vertegenwoordiger de dingen niet met professionaliteit doet, verliest hij ook autoriteit.

Ik zou willen afsluiten met ook een woord te zeggen over één van de belangrijke punten van uw dienstwerk als pauselijk vertegenwoordigers, tenminste voor de overgrote meerderheid: de medewerking bij de bisschoppelijke benoemingen. U kent de beroemde uitdrukking die een fundamenteel criterium aangeeft in de keuze van wie moet regeren:

si sanctus est oret pro nobis, si doctus est doceat nos, si prudens est regat nos –
als hij heilig is, laat hij voor ons bidden, als hij geleerd is, laat hij ons onderwijzen, als hij voorzichtig is, laat hij ons regeren.

Let er in de delicate taak van onderzoek verrichten voor de bisschoppelijke benoemingen op dat de kandidaten herders dicht bij het volk zijn: dit is het eerste criterium. Herders dicht bij het volk. Is het een groot theoloog, een groot verstand: laat hij naar de universiteit gaan, waar hij zoveel goed zal doen! Herders! Die hebben we nodig! Laat het vaders en broeders zijn, laat ze zachtmoedig zijn, geduldig en barmhartig; laat ze liefde hebben voor de armoede, inwendig als vrijheid voor de Heer en ook uitwendig als eenvoud en soberheid van leven, laat ze geen “vorsten”mentaliteit hebben. Let erop dat ze niet ambitieus zijn, dat ze het bisschopsambt niet zoeken; men zegt dat de Kardinaal Prefect van de Congregatie van de Bisschoppen in een eerste audiëntie die de zalige Johannes Paulus II met hem had, de vraag had gesteld over het keuzecriterium voor kandidaten voor het Episcopaat en dat de Paus met zijn bijzondere stem had gezegd: “Het eerste criterium: ‘volentes nolumus’ ” (die willen, willen we niet). Zij die het bisschopsambt zoeken… nee, dat is niet goed. En laat ze de echtgenoot van één Kerk zijn, zonder altijd op zoek te zijn naar een andere. Laat ze in staat zijn om “opzichter te zijn” over de kudde die aan hen toevertrouwd zal zijn, dus om zorg te hebben voor alles wat haar verenigd houdt; om de kudde “te bewaken”, om aandacht te hebben voor de gevaren die haar bedreigen; maar laat ze vooral in staat zijn om “wakker te zijn” voor de kudde, de wacht te houden, de hoop te koesteren, opdat er zon en licht in de harten zij, om met liefde en geduld de plannen te ondersteunen die de Heer in zijn volk ten uitvoer brengt. Laten we denken aan de figuur van de heilige Jozef, die over Maria en Jezus waakt, aan zijn zorg voor het gezin dat God aan hem heeft toevertrouwd, en aan de aandachtige blik waarmee hij het leidt om de gevaren te mijden. Daarom moeten de herders vóór de kudde kunnen zijn om de weg te wijzen, te midden van de kudde om haar verenigd te houden, en achter de kudde om te voorkomen dat iemand achterblijft en omdat de kudde zelf, om zo te zeggen, een goede neus heeft om de weg te vinden. De herder moet zich zo bewegen!

Dierbare pauselijke vertegenwoordigers, dit zijn slechts enkele gedachten, die mij uit het hart komen, ik heb er veel over nagedacht alvorens dit te schrijven: dit heb ik geschreven! Ik heb veel nagedacht en ik heb gebeden. Deze gedachten komen me uit het hart, en ik pretendeer niet er iets nieuws mee te zeggen – nee, niets van de dingen die ik heb gezegd is nieuw – maar ik nodig u uit deze te overwegen voor de belangrijke en waardevolle dienst die u de hele Kerk verleent. Uw leven is dikwijls moeilijk, soms in conflictgebieden – ik weet het goed: ik heb tweemaal met één van u gesproken dezer dagen. Wat een pijn, wat een lijden! Een voortdurende pelgrimage zonder de mogelijkheid te aarden in een plaats, in een cultuur, in een specifieke kerkelijke situatie. Maar het is een leven dat op weg is naar de beloften en deze groet vanuit de verte. Een leven onderweg, maar altijd met Jezus Christus die uw hand vasthoudt. Dit is zeker: Hij houdt uw hand vast. Nogmaals, dank u hiervoor! We weten dat onze stabiliteit niet ligt in de dingen, in onze eigen projecten of ambities, maar in het ware herders zijn die hun blik op Christus gericht houden. Nogmaals, dank u! Ik vraag u om alstublieft voor mij te bidden, omdat ik het nodig heb. Moge de Heer u zegenen en de Heilige Maagd u bewaren. Dank u.

Document

Naam: TOT DE DEELNEMERS AAN DE DAGEN VAN DE PAUSELIJKE VERTEGENWOORDIGERS
Sala Clementina
Soort: Paus Franciscus - Toespraak
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 21 juni 2013
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Vert.: Redactie; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 29 augustus 2016

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam