• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE MOED TOT DE WAARHEID IN DIT UUR VAN CRISIS

Wij moeten terugkomen op iets dat we hebben Z. Paus Paulus VI - Toespraak
Tot het heilig College
Consistorie der Kardinalen bij gelegenheid van het 50 jarig priesterschap van Paus Paulus VI (18 mei 1970)
(dit is tijdens de bijeenkomst van de kardinalen) van eergisteren, want het lijkt ons belangrijk en actueel genoeg om te worden herhaald ook tijdens een algemene audiëntie als deze: het is namelijk bestemd voor iedereen. En het was dit: 'Het uur dat op de wijzerplaat van de geschiedenis heeft geslagen, vereist bij alle leden van de Kerk een grote moed en heel in het bijzonder moed tot de waarheid, zoals de Heer het zijn leerlingen persoonlijk heeft aanbevolen met de woorden: uw ja moet ja zijn en uw neen, neen' (Mt. 5, 37).

Zo belangrijk is deze plicht om moedig voor de waarheid uit te komen, dat de Heer zelf er het doel in heeft gelegd van zijn komst op deze wereld. Tegenover Pilatus, tijdens het proces dat voorafging aan zijn veroordeling tot de kruisdood, bracht Jezus deze zwaarwegende woorden te berde: 'Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen: om getuigenis af te leggen van de waarheid' (Joh. 18, 37). Jezus is het licht van de wereld (Joh. 8, 12), Hij is de openbaring van de waarheid; en voor het vervullen van deze zending, waaruit ons heil is voortgekomen, zal Jezus zijn eigen leven geven als martelaar van de waarheid, die Hijzelf is.

Hoeksteen.

Vandaar twee vragen. De eerste vraag kwam Pilatus zelf op de lippen. Misschien niet onwetend en misschien sceptisch omtrent de filosofische disputen in de Grieks-Romeinse cultuur aangaande de waarheid, als magistraat bevoegd om te oordelen over misdrijven en misdaden, niet over speculatieve theorieën, staat hij verwonderd van deze Rabbi, die bij hem is voorgeleid om ter dood te worden veroordeeld wegens majesteitsschennis en nu verklaart een belijder van de waarheid te zijn. Meteen onderbreekt hij Hem, misschien met enige ironie: 'Quid est veritas?'; wat is de waarheid dan? (Uit deze Latijnse zin heeft een vernuftig iemand als antwoord een schitterend anagram geconstrueerd: est vir qui adest; het is de man die hier staat). En Pilatus wacht niet op een antwoord en tracht de ondervraging te beëindigen door geen gevolg te geven aan de rechtszaak.

Maar voor ons, voor iedereen blijft zijn vraag hangen: wat is de waarheid? Een grote vraag, die het geweten bestrijkt, de feiten, de geschiedenis, de wetenschap, de cultuur, de filosofie, de theologie, het geloof. Ons gaat het om dit laatste: de waarheid van het geloof. Want op de waarheid van ons geloof berust heel het gebouw van de Kerk, van het Christendom en dus van ons heil en dientengevolge van de bestemming van het mensdom en van de beschaving, waaraan zij verbonden is. Daarom blijkt de waarheid van ons geloof thans meer dan ooit de grondslag waarop wij ons leven moeten optrekken. Het is de hoeksteen. Vgl. 1 Pt. 2, 6-7 Vgl. Ef. 2, 20 Vgl. Mt. 21, 42

En wat constateren wij op dit punt? Wij constateren het verschijnsel van een zekere verlegenheid en bevreesdheid, sterker: het verschijnsel van onzekerheid, dubbelzinnigheid, geest van compromis. Iemand heeft het goed geïdentificeerd: 'Vroeger werd alles bedorven door het menselijk opzicht. Dat was de grootste zorg van de herders. Een Christen durfde niet te leven volgens zijn geloof ... Maar begint men tegenwoordig niet bang te worden voor het geloven zelf? Een nog ernstiger kwaal, omdat het de grondslagen zelf aantast. . .' Kard. Garrone, Que faut-il croire?, Desclée, 1967. Wij hebben het onze plicht geacht om aan het einde van het jaar van het geloof, op het feest van de heilige Petrus van 1968, een uitdrukkelijke Z. Paus Paulus VI - Motu Proprio
Credo van het Volk van God
Sollemnis Professio Fidei - Ter afsluiting van het jaar van het geloof
(30 juni 1968)
af te leggen, een credo te bidden dat langs de lijn van de gezaghebbende leer van de Kerk en van de onvervalste overlevering zijn oorsprong vindt in het apostolisch getuigenis, dat op zijn beurt is gebaseerd op Jezus Christus, die persoonlijk 'de getrouwe getuige' wordt genoemd (Openb. 1, 5).

Eigen blindheid heeft men durven aanzien voor de dood van God

Maar heden ten dage verkeert de waarheid in een toestand van crisis. De objectieve waarheid, die ons in het kenbezit van de werkelijkheid stelt, vervangt men door een subjectieve waarheid: persoonlijke ervaring, bewustzijn, vrije mening, indien men al geen kritiek levert op ons vermogen om deugdelijk te kennen, te denken. De wijsgerige waarheid moet het veld ruimen voor het agnosticisme, het scepticisme, het 'snobisme' van de systematische negatieve twijfel. Men doet het mogelijke, men zoekt om te slopen, om niet te vinden. Men geeft de voorkeur aan de leegte. Het Evangelie maakt ons erop attent: 'De mensen beminden de duisternis meer dan het licht' (Joh. 3, 19). En dank zij de crisis waarin de filosofische waarheid verkeert (waar, waar is ze gebleven, onze gezonde redelijkheid onze Philosophia perennis?), is de godsdienstige waarheid ineengestort bij velen die niet meer in staat waren de grote, zonneklare uitspraken te verdragen van de wetenschap over God van de natuurlijke theologie en des te minder van de openbaringstheologie. Hun ogen zijn beneveld en vervolgens verblind geraakt. Een eigen blindheid heeft men durven aanzien voor de dood van God.

Zo doorstaat de christelijke waarheid tegenwoordig angstaanjagende schokken en crisissen. Niet langer duldt men het onderricht van het leergezag dat Christus heeft ingesteld tot beveiliging en logische ontwikkeling van zijn leer die de leer is van God (Joh. 7, 12)(Lc. 10, 16)(Mc. 16, 16) en zo is menigeen op zoek naar een gemakkelijk geloof door het integrale, ware geloof te ontdoen van allerlei waarheden die niet aanvaardbaar schijnen voor de moderne mentaliteit en door naar eigen willekeur her en der een waarheid uit te kiezen die men aanvaardbaar acht (selected faith). Anderen zijn op zoek naar een nieuw geloof, bijzonder aangaande de kerk, door te trachten het aan te passen aan de ideeën van de moderne sociologie en de profane geschiedenis (daarmee hervallen zij in een fout van het verleden: ze modelleren de canonieke structuur van de kerk op de gangbare geschiedkundige instellingen); weer anderen zouden alle vertrouwen willen hebben in een louter naturalistisch, filantropisch geloof, een nuttig geloof, ook al is het dan gebaseerd op authentieke waarden van het geloof zelf: de waarden van de naastenliefde; deze verheffen ze tot een cultus van de mens, met verwaarlozing van haar eerste waarde: de liefde en de cultus van God; uit een zeker wantrouwen tegenover de dogmatische eisen van het geloof en onder het voorwendsel van een pluralisme dat toestaat de onuitputtelijke schatten van de goddelijke waarden te onderzoeken en tot uitdrukking te brengen in verscheidenheid van talen en mentaliteiten zouden anderen tenslotte de echtheid willen erkennen van dubbelzinnige, onduidelijke geloofsuitingen, genoegen willen nemen met het zoeken naar het geloof om zich aan een geloofsbelijdenis te onttrekken, aan de opinie van de gelovigen vragen, wat ze willen geloven. Daarmee kennen ze hun een betwistbaar charisma toe van bevoegdheid en ervarenheid, waardoor de waarheid van het geloof de speelbal wordt van de vreemdste en meest wispelturige willekeur.

Dit alles gebeurt, wanneer men zich niet wil buigen voor het leergezag van de Kerk, waarmee de Heer de geloofswaarheden heeft willen beschermen. Vgl. Hebr. 13, 7 Vgl. Hebr. 9, 17

De waarborg van het leergezag

Maar dank zij de goddelijke barmhartigheid zijn wij in het bezit van dit 'scutum Fidei', dit schild des geloofs (Ef. 6, 16), namelijk een goed verdedigd, vast geloof dat in staat is de schok te doorstaan van de onbesuisde meningen van de moderne wereld. Vgl. Ef. 4, 14 Zo ontstaat er een tweede vraag, die van de moed. We moeten, zeiden wij, de moed tot de waarheid hebben. Dit is niet het moment voor enige ontleding van de zedelijke en psychologische deugd die we moed noemen. Allen weten we, dat het een innerlijke kracht is die wijst op menselijke volwassenheid, levenskracht van de geest en onverschrokkenheid van de wil, vermogen om lief te hebben en offers te brengen. We willen slechts opmerken, dat de christelijke opvoeding zich voor de zoveelste keer een oefenschool toont van geestelijke energie, van menselijke geestesadel en van zelfbeheersing, van bewustzijn van iemands plichten.

En deze getuigenismoed, willen wij eraan toevoegen, wordt vooral vereist van wie leraar en waker van de waarheid is, maar betreft ook alle Christenen die gedoopt en gevormd zijn. En het is geen aangename sportbeoefening, maar het getuigenis van de vereiste trouw jegens Christus en zijn Kerk. En thans betekent het een voornaam dienstbetoon aan de moderne wereld die misschien, meer dan wij vermoeden, van ieder van ons dit weldadige, opwekkende getuigenis verwacht. Moge u daarbij, naast Gods genade, onze apostolische zegen tot hulp strekken.

Document

Naam: DE MOED TOT DE WAARHEID IN DIT UUR VAN CRISIS
Soort: Z. Paus Paulus VI - Audiƫntie
Auteur: Z. Paus Paulus VI
Datum: 20 mei 1970
Copyrights: © 1970, Archief van Kerken 25e jrg. nr. 26, p. 599-602
Bewerkt: 28 december 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam