• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Zonder hier opnieuw de hele theologie van de schepping ter sprake te brengen, vragen wij ons af wat de grote Bijbelse verhalen ons zeggen over de relatie van het menselijk wezen met de wereld. In het eerste verhaal van het scheppingswerk in het boek Genesis bevat Gods plan de schepping van de mensheid. Na de schepping van man en vrouw wordt er gezegd dat “God alles bezag wat Hij gemaakt had, en zag dat het heel goed was” (Gen. 1, 31). De Bijbel leert dat ieder menselijk wezen geschapen wordt voor de liefde, geschapen naar het beeld van en de gelijkenis met God. Vgl. Gen. 1, 26 Deze woorden laten ons de immense waardigheid van iedere menselijke persoon zien, die “niet alleen iets is, maar ook iemand. Hij is in staat zichzelf te kennen, zichzelf te bezitten en zichzelf in vrijheid te geven en in contact te treden met andere personen”. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 357 De heilige Johannes Paulus II heeft eraan herinnerd hoe de heel bijzondere liefde die de Schepper voor ieder menselijk wezen heeft, “hem een oneindige waardigheid verleent”. H. Paus Johannes Paulus II, Angelus/Regina Caeli, Tijdens de bijeenkomst met gehandicapten in de kathedraal van Osnabrück (16 nov 1980), 3 Zij die zich inzetten voor de verdediging van de waardigheid van de personen, kunnen in het christelijk geloof de diepste redenen vinden voor die inzet. Wat voor een wonderbaarlijke zekerheid is het te weten dat het leven van iedere persoon niet verloren gaat in een hopeloze chaos, in een wereld die door puur toeval wordt geregeerd of door cycli die zich zinloos herhalen! De Schepper kan tegen ieder van ons zeggen: “Voordat Ik u in de moederschoot vormde, koos Ik u uit” (Jer. 1, 5). Wij zijn ontvangen in Gods hart en daarom “is ieder van ons de vrucht van een gedachte van God. Ieder van ons wordt gewild, ieder wordt bemind, ieder is noodzakelijk”. Paus Benedictus XVI, Homilie, Bij de aanvang van de Petrinische dienst als Bisschop van Rome, Zoals Jezus wil ik een herder zijn, zoals Petrus een visser van mensen (24 apr 2005), 5

De scheppingsverhalen in het boek Genesis bevatten in hun symbolische en verhalende taal een diep onderricht over het menselijk bestaan en zijn historische werkelijkheid. Deze verhalen suggereren dat het menselijk bestaan gebaseerd is op drie fundamentele, nauw met elkaar verbonden relaties: de relatie met God, die met de naaste en die met de aarde. Volgens de Bijbel zijn deze drie vitale relaties verbroken, niet alleen buiten ons, maar ook in ons. Deze breuk is de zonde. De harmonie tussen Schepper, mensheid en heel de schepping is verwoest, omdat wij de pretentie hebben gehad de plaats van God in te nemen. Dit feit heeft ook de aard veranderd van de opdracht deze aarde te onderwerpen Vgl. Gen. 1, 28 en haar te bewerken en te bewaken. Vgl. Gen. 2, 15 Als gevolg daarvan is de oorspronkelijk harmonische relatie tussen menselijk wezen en natuur veranderd in een conflict. Vgl. Gen. 3, 17-19 Daarom is het veelbetekenend dat de harmonie die de heilige Franciscus van Assisi beleefde met alle schepselen, is geïnterpreteerd als een genezing van deze breuk. De heilige Bonaventura zei dat door de universele verzoening met alle schepselen Franciscus op de een of andere wijze werd teruggebracht tot de staat van oorspronkelijke onschuld. Vgl. H. Bonaventura, Biografie over de H. Franciscus van Assisi, Legenda maior. VIII,1: Fonti Francescane 1134 Verre van dat model wordt vandaag de zonde in al haar verwoestende kracht zichtbaar in de oorlogen, in de verschillende vormen van geweld en mishandeling, in het in de steek laten van de meest kwetsbaren, in de aanvallen op de natuur.

Wij zijn geen God. De aarde was er al, voordat wij er waren en is ons gegeven. Dat staat het toe een antwoord te geven op een beschuldiging die wordt ingebracht tegen het joods-christelijke denken: er is gezegd dat men, uitgaande van het verhaal van Genesis, dat ertoe uitnodigt de aarde te onderwerpen Vgl. Gen. 1, 28 , een wilde exploitatie van de natuur zou bevorderen door een beeld van het menselijk wezen als heerser en verwoester te presenteren. Dit is niet een juiste interpretatie van de Bijbel, zoals de Kerk die verstaat. Ook al is het waar dat de Christenen soms de Schriften op een onjuiste wijze hebben geïnterpreteerd, dan moeten wij vandaag met kracht afwijzen dat uit het feit dat wij geschapen zijn naar het beeld van God en uit de opdracht om de aarde te onderwerpen niet een absolute heerschappij over de andere schepselen mag worden afgeleid. Het is belangrijk de Bijbelteksten met een juiste hermeneutiek in hun context te lezen en eraan te herinneren dat zij ons uitnodigen de tuin van de wereld “te bebouwen en te bewaken”. Vgl. Gen. 2, 15 Terwijl “bebouwen” betekent een terrein ploegen en bewerken, wil “bewaken” zeggen beschermen, verzorgen, behoeden, bewaren, toezicht houden. Dat houdt een relatie in van verantwoordelijke wederkerigheid tussen menselijk wezen en natuur. Iedere gemeenschap kan van de goedheid van de aarde nemen wat hij nodig heeft voor eigen overleven, maar zij heeft ook de plicht haar te beschermen en de continuïteit van haar vruchtbaarheid voor de toekomstige generaties te waarborgen. Ten slotte, “aan God behoort de aarde” (Ps. 24, 1), aan Hem behoort “de aarde met al wat erop is” (Deut. 10, 14). Daarom wijst God iedere pretentie van absoluut bezit af: “Verkoop van land mag terugkoop niet uitsluiten, want het land behoort aan Mij; gij zijt er vreemdelingen en gasten” (Lev. 25, 23).

Deze verantwoordelijkheid ten opzichte van een aarde die van God is, houdt in dat het menselijk wezen, begiftigd met verstand, de natuurwetten en het delicate evenwicht tussen de wezens van deze wereld eerbiedigt, “want zijn bevel heeft hen allen geschapen. Hij bepaalde hun plaats voor eeuwig, gaf hun een wet die voor altijd geldt” (Ps. 148, 5b-6). Hieruit volgt het feit dat de Bijbelse wetgeving erbij blijft stilstaan het menselijk wezen verschillende normen voor te houden, niet alleen met betrekking tot de andere menselijke wezens, maar ook met betrekking tot de andere levende wezens: “Ook als een ezel of een os van uw broeder ten val komt, moogt ge niet toezien zonder een hand uit te steken (...). Wanneer gij onderweg in een boom of op de grond een vogelnestje vindt met jongen of met eitjes en het wijfje zit erop, dan moogt ge het wijfje niet meenemen en de jongen achterlaten” (Deut. 22, 4.6). In deze lijn wordt de rust op de zevende dag niet alleen maar voorgehouden voor het menselijk wezen, maar ook opdat “ook uw rund en uw ezel kunnen rusten” (Ex. 23, 12). Zo realiseren wij ons dat de Bijbel geen aanleiding geeft tot een despotisch antropocentrisme dat zich niet bekommert om de andere schepsels.

Terwijl wij op een verantwoordelijke wijze gebruik kunnen maken van de dingen, zijn wij geroepen te erkennen dat de andere levende wezens een eigen waarde ten overstaan van God hebben en “alleen al door hun bestaan de Heer zegenen en prijzen”, omdat de Heer zijn vreugde vindt in zijn werken. Vgl. Ps. 31 Juist op grond van zijn unieke waardigheid en omdat hij met verstand begiftigd is, is het menselijk wezen geroepen de schepping met haar innerlijke wetten te eerbiedigen, daar “de Heer door wijsheid de aarde heeft gegrondvest” (Spr. 3, 19). Vandaag zegt de Kerk niet op een simplistische wijze dat de andere schepsels geheel aan het welzijn van het menselijk wezen zijn onderworpen, als hadden zij geen waarde op zich en wij er niet naar believen erover konden beschikken. Zo hebben de bisschoppen van Duitsland uitgelegd dat met betrekking tot de andere schepselen “men zou kunnen spreken van de prioriteit van het zijn ten opzichte van het ‘nuttig zijn’”. Duitsland, Zukunft der Schöpfung - Zukunft der Menschheit. Erklärung der Deutschen Bischofskonferenz zu Fragen der Umwelt und der Energieversorgung (1 jan 1980) De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
stelt op een zeer directe en indringende wijze ter discussie wat een verkeerd antropocentrisme zou zijn: “Ieder schepsel heeft zijn eigen goedheid en volmaaktheid (...). De verschillende schepselen, volgens hun eigen wezen gewild, weerspiegelen op hun eigen wijze de oneindige wijsheid en goedheid van God. Daarom moet de mens de eigen goedheid van elk schepsel respecteren om een ongeordend gebruik van de dingen te vermijden”. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 339

In het verhaal van Kaïn en Abel zien wij dat jaloezie Kaïn ertoe heeft aangezet de uiterste ongerechtigheid te bedrijven tegen zijn broer. Dit heeft op zijn beurt een breuk in de relatie tussen Kaïn en God en tussen Kaïn en het land, waaruit hij werd verbannen, veroorzaakt. Deze passage wordt samengevat in het dramatische gesprek tussen God en Kaïn. God vraagt: “Waar is uw broer Abel?” Kaïn zegt dat hij dat niet weet, en God dringt aan: “Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broer roept uit de grond tot mij! Daarom zult gij vervloekt zijn, verbannen van (deze) grond” (Gen. 4, 9-11). Het verwaarlozen van de verplichting een juiste relatie te koesteren en te onderhouden met de naaste, jegens wie ik een plicht van zorg en bescherming heb, verwoest mijn innerlijke relatie met mijzelf, met de anderen, met God en met de aarde. Wanneer al deze relaties worden verwaarloosd, wanneer gerechtigheid niet meer op de aarde woont, dan is, zegt de Bijbel ons, alle leven in gevaar. Dit is hetgeen ons het verhaal van Noach leert, wanneer God dreigt de mensheid weg te vagen om haar aanhoudend onvermogen te leven overeenkomstig de eisen van gerechtigheid en vrede: “De dagen van de mensen zijn geteld, want zij zijn er de schuld van dat de aarde vol gewelddaden is” (Gen. 6, 13). In deze zo oude verhalen, rijk aan een diepe symboliek, was reeds een overtuiging vervat die vandaag wordt gevoeld: dat alles een onderling verband heeft en dat een authentieke zorg voor ons leven zelf en onze relaties met de natuur niet te scheiden is van broederschap, gerechtigheid en trouw ten opzichte van de ander.

Ook al “was de boosheid van de mensen toegenomen” (Gen. 6, 5) en “kreeg” God “spijt dat Hij de mens op aarde had gemaakt” (Gen. 6, 6), toch heeft God door Noach, die nog zuiver en rechtschapen gebleven was, besloten een weg voor redding te openen. Zo heeft Hij de mensheid de mogelijkheid van een nieuw begin gegeven. Er is een goede mens nodig, wil er hoop zijn! De Bijbelse traditie stelt duidelijk vast dat dit eerherstel de herontdekking van en het respect voor het ritme dat door de hand van de Schepper in de natuur is gelegd, met zich meebrengt. Dat ziet men bijvoorbeeld in de wet van de sabbat. De zevende dag ruste God uit van al zijn werken. God gaf Israël de opdracht dat iedere zevende dag moest worden gevierd als een dag van rust, een sabbat. Vgl. Gen. 2, 2-3 Vgl. Ex. 16, 23 Vgl. Ex. 20, 10 Anderzijds werd ook ieder zevende jaar een sabbatjaar voor Israël en zijn land vastgesteld Vgl. Lev. 25, 1-4 , waarin men het land volkomen rust gunde, niet zaaide en alleen het noodzakelijke oogstte om te overleven en gastvrijheid te bieden. Vgl. Lev. 25, 4-6 Ten slotte vierde men na verloop van zeven sabbatjaren, dat wil zeggen negen en veertig jaar, het jobeljaar, het jaar van de universele vergeving en het jaar dat “iedereen wordt hersteld in zijn vroegere bezit en terugkeert naar zijn familie” (Lev. 25, 10). De ontwikkeling van deze wetgeving heeft getracht het evenwicht en de gelijkheid in de relaties van het menselijk wezen met de ander en het land waar hij leefde en werkte, te waarborgen. Maar tegelijkertijd was er een erkenning van het feit dat een gave van het land met zijn vruchten het hele volk toebehoort. Zij die het gebied bebouwden en bewaakten, moesten de vruchten ervan delen, in het bijzonder met de armen, de weduwen, de wezen en de vreemdelingen. “Als gij uw oogst van het land haalt, moogt gij uw akker niet tot de rand afmaaien en wat is blijven liggen niet bijeenrapen. Gij moogt in uw wijngaard geen nalezing houden en de afgevallen drijven niet bijeenrapen. Dat alles is bestemd voor de arme en de vreemdeling” (Lev. 19, 9-10).

De Psalmen nodigen het menselijk wezen herhaaldelijk uit om God de Schepper te prijzen, Hij die “de aarde uitstrekte over het water, want eeuwig is zijn genade” (Ps. 136, 6). Maar ook de andere schepsels nodigen uit tot lofprijzing: “Zon en maan, verheerlijkt Hem, prijst Hem, stralende sterren, Looft Hem, hoogste hemeltransen, water dat boven het uitspansel staat. Laat hen nu prijzen de naam van de Heer, want zijn bevel heeft hen allen geschapen” (Ps. 148, 3-5). Wij bestaan niet alleen door de macht van God, maar vóór Hem en met Hem. Daarom aanbidden wij Hem.

De geschriften van de profeten nodigen ertoe uit om op moeilijke ogenblikken de kracht te hervinden door naar de machtige God te kijken die het heelal heeft geschapen. De oneindige macht van God brengt ons ertoe voor zijn vaderlijke tederheid te vluchten, want in Hem verenigen zich genegenheid en kracht. In werkelijkheid houdt iedere gezonde spiritualiteit in, tegelijkertijd de goddelijke liefde ontvangen en met vertrouwen de Heer aanbidden om zijn oneindige macht. In de Bijbel is de God die bevrijdt en redt, dezelfde als de God die het heelal heeft geschapen, en deze twee goddelijke handelwijzen zijn nauw en onlosmakelijk met elkaar verbonden. “Ach, Heer mijn Heer! Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt in uw grote macht, met opgestoken arm. Niets is onmogelijk voor U (...) Gij hebt uw volk, Israël, uit Egypte gevoerd met tekenen en wonderen” (Jer. 32, 17.21). “De Heer is een God van eeuwigheid, Hij heeft de verste hoeken der aarde geschapen. Hij wordt niet moe noch uitgeput, zijn inzicht is niet te doorgronden. Hij geeft aan de vermoeide weer sterkte, aan de onvermogende een overvloed van kracht” (Jes. 40, 28b-29).

De ervaring van de slavernij in Babylon bracht een geestelijke crisis te weeg die tot een verdieping van het geloof in God heeft geleid door zijn scheppende almacht te verklaren, om het volk aan te sporen te midden van zijn ongelukkige situatie de hoop te hervinden. Eeuwen later, op een ander moment van beproeving en vervolging, toen het Romeinse Rijk een absolute heerschappij trachtte op te leggen, vonden de gelovigen wederom troost en hoop door hun vertrouwen in de almachtige God te vergroten, en zij zongen: “Groot en wonderbaar zijn uw daden, Heer, God Albeheerser. Rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen” (Openb. 15, 3). Als God het heelal uit het niets heeft kunnen scheppen, kan Hij ook in deze wereld ingrijpen en ieder vorm van kwaad overwinnen. Ongerechtigheid is dus niet onoverwinnelijk.

Wij kunnen geen spiritualiteit ondersteunen die God de Almachtige en de Schepper vergeet. Op deze wijze zouden wij uiteindelijk andere machten van de wereld aanbidden of ons in de plaats stellen van de Heer, zodat wij zelfs de pretentie hebben de door Hem geschapen werkelijkheid onder de voet te lopen zonder grenzen te kennen. De beste manier om het menselijk wezen zijn plaats te wijzen en een einde te maken aan zijn pretentie een absolute heerser over de aarde te zijn is weer de figuur voor te houden van een Vader als Schepper en enige heerser over de wereld, omdat het menselijk wezen anders er naar zal neigen eigen wetten en eigen belangen aan de werkelijkheid op te leggen.

Document

Naam: LAUDATO SI'
'Wees geprezen' - over de zorg voor het gemeenschappelijke huis
Soort: Paus Franciscus - Encycliek
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 24 mei 2015
Copyrights: © 2015 Libreria Editrice Vaticana / Stg InterKerk
Werkvertaling uit het Italiaans: drs. H.M.G. Kretzers i.s.m. dr. L.J.M. Hendriks, pr. en de redactie; trefwoordenlijst: redactie
Bewerkt: 6 juni 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam