• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Een zeer groot aantal vaders heeft over de moeilijkheden gesproken die op dit ogenblik het geloof van het volk Van God verontrusten of kunnen verontrusten. Zoals uit hun zeggen blijkt, zijn deze moeilijkheden voor een groot deel ontstaan uit de huidige crisis van de beschaving zelf en van de menselijke cultuur. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft zich vooral in de 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
uitdrukkelijk met deze crisis beziggehouden; de vaders hebben zich dikwijls op dit document beroepen, zelfs in persoonlijke citaten. Sommigen hebben bijvoorbeeld opgemerkt, dat er in het profane leven een evolutie plaatsvindt in de structuren en de denkwijze zelf en dat het traditionele beeld van de mens en van de wereld in twijfel wordt getrokken. Dit verschijnsel is minstens voor een deel te wijten aan de bewonderenswaardige vooruitgang van de wetenschap en van de beschaving: het brengt de mensen er dikwijls toe om geheel op te gaan in hun activiteiten. Dit verschijnsel is ook voor een deel te verklaren uit het steeds levendiger bewustzijn van het evolutie-karakter van het heelal, van het menselijk leven en van de geschiedenis. Dit alles loopt uit op een antropologie die tot in de filosofische systemen haar uitdrukking vindt en waardoor de mens zich met zijn aardse verantwoordelijkheden zo verheven voelt, dat zij de 'verticale dimensie' uit het oog verliest die hem richt op God en op het bovennatuurlijk geluk. Aldus komt de mens gemakkelijk tot een praktisch of theoretisch atheïsme. Hieruit volgt, dat veel mensen met een dergelijke mentaliteit althans praktisch de Kerk of de godsdienst zelf verwerpen, die eerder de menselijke vooruitgang belemmert dan begunstigt.
Door de woorden van Joannes XXIII aan te halen, hebben de vaders dan ook gezegd, dat het de Kerk in deze omstandigheden niet geoorloofd is te zwijgen; dat zij integendeel de geopenbaarde waarheid moet verkondigen die zijzelf altijd heeft overgeleverd door zich ook van nieuwe formuleringen te bedienen die aan de nieuwe kijk op de dingen zijn aangepast, met behoud van dezelfde betekenis en dezelfde inhoud. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Toespraak, Openingstoespraak Tweede Vaticaans Concilie, Gaudet Mater Ecclesia (11 okt 1962) Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 17-22 Deze taak is absoluut noodzakelijk ondanks de moeilijkheden en de grote gevaren die zij meebrengt. De herders van de Kerk hebben sedert het begin van het concilie onder de leiding van de pausen deze taak inderdaad doeltreffend op zich genomen.
Om het werk van het concilie te doen slagen, hebben talrijke theologen reeds ernstige en succesvolle pogingen ondernomen: zij hebben zich verdiept in de belangrijke onderwerpen van het concilie en hun rijkdom aan het licht gebracht, vooral op het gebied van de Bijbelse theologie, van de dogmatiek en de moraal en op dat van de oecumenische beweging en de liturgie. Alle vaders zijn het erover eens, dat dit werk een sterke aanbeveling verdient. Ook de meeste zielzorgers onder de priesters hebben in groot aantal belangrijke pogingen ondernomen om hun gelovigen een juiste kennis van het concilie bij te brengen en volgens de richtlijnen van het concilie de hernieuwing van de liturgie en van geheel het kerkelijk leven te bevorderen. Zoals de vaders ook hebben opgemerkt, dient men zich zeker ook te verheugen over de ijver die zoveel leken aan de dag leggen om zich steeds meer de kennis van de christelijke boodschap te verwerven zoals zij vervat ligt in de Heilige Schrift en zich openbaart in de liturgie van de Kerk en in haar activiteit in de wereld.
Men sta ons toe op te merken, dat het niet te verwonderen is, dat een bepaalde moeilijkheid en zelfs onzekerheid is ontstaan uit deze volkomen gerechtvaardigde en vruchtbare vernieuwing die door het Tweede Vaticaans Concilie in de Kerk is aangebracht: zij heeft een menigte gebruiken en denkwijzen die tot dan toe onveranderlijk schenen, gewijzigd en de christenen gedrongen tot nieuwe overdenking en tot een nieuwe stijl in hun christelijk en liturgisch leven.
Maar talrijke vaders meenden, dat het zeer betreurenswaardig is, dat men op bepaalde plaatsen zover is gekomen, dat het niet meer gaat om een gezond en vruchtbaar zoeken noch om gewettigde pogingen waardoor men zou trachten de traditionele leer aan te passen aan de nieuwe behoeften en de nieuwe normen van de hedendaagse menselijke cultuur, maar dat het thans gaat om onredelijke vernieuwingen, om verkeerde meningen en zelfs om geloofsdwalingen, want men begrijpt en verklaart de geloofswaarheden verkeerd en men handhaaft niet meer de noodzakelijke eenheid in het geloof, als men het beter begrip van de leer wil bevorderen. De vaders hebben het bijzonder betreurd, dat bepaalde katholieken in feite een of andere geloofswaarheid in twijfel trekken, speciaal over onze kennis van God, over de persoon van Christus en over zijn verrijzenis, over de eucharistie, het mysterie van de erfzonde, de objectieve en duurzame waarde van de moraalwet en de altijddurende maagdelijkheid van Maria.
Vandaar bemerkt men een toestand van onrust en twijfel in de Kerk onder de gelovigen en de herders, die gepaard gaat met een ernstig nadeel voor het geestelijk leven van het volk van God. Zeker, deze toestand is niet op iedere plaats op dezelfde wijze noch in dezelfde graad in alle sociale lagen van het godsvolk waarneembaar. Het is gemakkelijk te begrijpen, dat zij meer op de voorgrond treedt bij personen van een hogere ontwikkeling wegens de speciale moeilijkheden die zij ondervinden, wanneer zij het geloof in overeenstemming met de rede willen brengen; maar bij de arbeidersmilieus bestaan omtrent het geloof en de Kerk moeilijkheden en problemen die op dezelfde wijze door hen in alle delen van de wereld worden gevoeld. In de missielanden en in enkele andere gebieden, waar het meest dringende en ernstige probleem dat van de geloofsverkondiging is en van een voldoend catechetisch onderwijs van het volk, schijnen de moeilijkheden beperkt te blijven tot kleine groepen priesters en leken. Maar de vaders hebben doen opmerken, dat men moet vrezen, dat de dwaalbegrippen zich in korte tijd weldra ook in deze gebieden van de wereld zullen verspreiden en in kracht zullen toenemen tot groter nadeel van het apostolaat van de Kerk en van de gelovigen zelf.
De vaders hebben verschillende oorzaken van deze ongelukkige toestand aangegeven die een bijzondere aandacht verdienen om zich te kunnen voorbereiden op het vinden van geschikte middelen ertegen. Onder de voornaamste oorzaken dienen gerekend te worden: een zekere vermindering van het gevoel van het bovennatuurlijk geloof in de mensen die zich van hun natuurlijke krachten bewust zijn; bij een groot aantal ook de verwaarlozing van het persoonlijk gebed tot God; soms, naar de mening van sommigen, een spaarzaam gebruik van het pastorale ambt in de verkondiging van de waarheid en in het wegnemen van de dwalingen; het vergeten of minachten van de leer en van het gezag van de Kerk, hetzij van de bisschoppen hetzij van de paus zelf; een willekeurige en verkeerde interpretatie van de geest van het concilie; en tenslotte een verkeerd begrepen onderscheid tussen wat tot de katholieke leer behoort en wat wordt overgelaten aan de vrije en gewettigde discussie onder de theologen.
Een speciaal probleem ontstaat er in onze tijd uit het feit, dat de pers en de andere communicatiemiddelen onmiddellijk over de gehele wereld iedere gebeurtenis op godsdienstig gebied verspreiden, waar zij ook plaatsvindt; dit nieuws wordt gemakkelijk een gelegenheid tot ergernis als gevolg van de misvormde vereenvoudigingen die de publiciteitsorganen het soms doen ondergaan of wegens de verscheidenheid van het godsdienstig leven in de verschillende landen of tenslotte omdat men niet genoeg ontzag heeft voor de betekenis van de traditionele leer. Soms zijn het priesters, religieuzen, theologen, opvoeders en anderen die op een onvoorzichtige manier en zonder voldoende zorg voor de opvoedende waarde van het geloof hun medewerking verlenen aan dit soort propaganda. Na dit ons inziens getrouw overzicht is er in dit kort rapport geen gelegenheid stil te staan bij bijzondere afwijkingen, hetgeen de vaders ook niet hebben gedaan. Maar uitgaande van hun interventies zullen wij in een bepaalde logische volgorde de princiepen uiteenzetten over de pastorale houding in deze omstandigheden.

Document

Naam: RAPPORT VAN DE SYNODECOMMISSIE TER ONDERZOEK VAN GEVAARLIJKE OPVATTINGEN EN VAN HET ATHEïSME
Soort: Bisschoppensynodes
Datum: 28 oktober 1967
Copyrights: © 1967, Katholiek Archief jrg 22, nr 50
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam