• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE VERLEIDINGEN VAN JEZUS EN DE BEKERING TOT HET KONINKRIJK DER HEMELEN

Dierbare broeders en zusters,

Vandaag, op Aswoensdag, beginnen wij de liturgische Vastentijd, veertig dagen die ons voorbereiden op de viering van Pasen: het is een tijd van bijzonder engagement op onze geestelijke weg. Het getal veertig komt in de Heilige Schrift meerdere keren voor. Zoals wij weten, herinnert het ons vooral aan de veertig jaren dat het volk Israël onderweg was in de woestijn: een lange vormingstijd om Gods volk te worden, maar ook een lange periode waarin de bekoring om ontrouw te zijn aan het verbond met de Heer, altijd aanwezig was. Veertig is ook het aantal dagen dat de profeet Elia nodig had om de berg van God, de Horeb, te bestijgen; evenals de periode die Jezus doorbracht in de woestijn voordat Hij Zijn openbaar leven begon en waar Hij door de duivel bekoord werd. In de catechese van vandaag, zou ik juist willen stilstaan bij dit moment in het aardse leven van Gods Zoon, waarover we in het Evangelie van volgende zondag zullen lezen.

Vooreerst, de woestijn waar Jezus zich terugtrekt, is een oord van stilte, van armoede, waar de mens beroofd is van materiële hulp en tegenover de fundamentele vragen van zijn leven komt te staan, een oord waar hij ertoe gedreven wordt naar de essentie te gaan en juist daarom, ontmoet hij er gemakkelijker God. Maar de woestijn is ook het oord van de dood, want waar geen water is, is evenmin leven, en ze is het oord van de eenzaamheid, waar de bekoring zich intenser laat voelen. Jezus gaat naar de woestijn en ondergaat daar de bekoring de weg te verlaten die de Vader had gewezen om andere, meer gemakkelijke en wereldse wegen te gaan. Vgl. Lc. 4, 1-13 Zo belaadt Hij zich met onze bekoringen, onze ellende, om de boze te overwinnen en voor ons de weg naar God te openen, de weg van bekering.
Nadenken over de bekoringen waaraan Jezus in de woestijn onderworpen wordt, is voor ieder van ons een uitnodiging om een antwoord te geven op de fundamentele vraag: wat is in ons leven echt belangrijk? In de eerste bekoring stelt de duivel aan Jezus voor, een steen in brood te veranderen om Zijn honger te stillen. Jezus antwoordt dat de mens ook van brood leeft, maar niet alleen van brood: zonder een antwoord op zijn honger naar waarheid, op zijn honger naar God, kan de mens zich niet redden. Vgl. Lc. 4, 3-4 . In de tweede bekoring stelt de duivel Jezus de weg van de macht voor: hij brengt Hem hogerop en biedt Hem macht aan over de wereld; maar dat is niet Gods weg: het is voor Jezus heel duidelijk dat wereldse macht de wereld niet redt, doch wel de macht van het kruis, de nederigheid, de liefde. Vgl. Lc. 4, 5-8 In de derde bekoring stelt de duivel Jezus voor zich van het dak van de Tempel van Jeruzalem naar beneden te werpen en zich door God te laten redden door middel van de engelen, met andere woorden iets opzienbarends te doen om God op de proef te stellen; maar het antwoord is dat God geen voorwerp is dat men zijn voorwaarden oplegt: Hij is de Heer van al wat is. Vgl. Lc. 4, 9-12 Wat is de kern van de drie bekoringen die Jezus ondergaat? Het voorstel om God te gebruiken, Hem te gebruiken voor zijn eigenbelang, eigen eer en eigen succes. Dus zich eigenlijk in Gods plaats te stellen, door Hem Zijn bestaan af te nemen, door te doen alsof Hij overbodig is. Iedereen zou zich dus moeten afvragen: welke plaats heeft God in mijn leven? Is het de Heer of ben ik het?
De bekoring overwinnen om God aan zichzelf en zijn eigenbelang te onderwerpen of Hem naar een hoekje te verwijzen, en zich tot de juiste hiërarchie van prioriteiten te bekeren, aan God de eerste plaats te geven, is een weg die iedere christen altijd opnieuw moet gaan. Zich bekeren, een uitnodiging die wij in de Vasten dikwijls zullen horen, betekent Jezus zo volgen dat Zijn Evangelie de concrete gids van ons leven wordt; dat betekent ons door God laten omvormen, ophouden te denken dat wij de enigen zijn die ons bestaan opbouwen; het betekent erkennen dat wij schepsels zijn, afhankelijk van God, van Zijn liefde, en dat wij ons leven alleen winnen als we het in Hem verliezen. Dat vraagt dat wij onze keuzes maken in het licht van Gods woord. Vandaag kan men niet meer christen zijn als gevolg van het feit dat men in een samenleving leeft met christelijke wortels: zelfs wie in een christelijk gezin geboren wordt en een godsdienstige opvoeding ontvangt, moet elke dag zijn keuze om christen te zijn vernieuwen, dat wil zeggen de eerste plaats geven aan God ten overstaan van de bekoringen die een geseculariseerde samenleving hem voortdurend biedt, ten overstaan van het kritische oordeel van vele tijdgenoten.
Inderdaad, de bekoringen waaraan de huidige samenleving de christen onderwerpt, zijn talrijk en raken het persoonlijke en sociale leven. Het is niet gemakkelijk trouw te zijn aan het christelijk huwelijk, barmhartigheid te beoefenen in het dagelijks leven, ruimte te laten voor gebed en innerlijke stilte; het is niet gemakkelijk openlijk in te gaan tegen keuzes die velen evident vinden, zoals abortus bij ongewenste zwangerschap, euthanasie bij ernstige ziekte, of selectie van embryo’s om bepaalde erfelijke ziekten te vermijden. De bekoring om zijn geloof opzij te schuiven, is altijd aanwezig en bekering wordt een antwoord aan God, dat meerdere keren in het leven moet bevestigd worden.
Wij hebben voorbeelden en een stimulans in de grote bekeringen zoals die van de heilige Paulus op de weg naar Damascus, of die van de heilige Augustinus, zelfs in onze tijd die de zin voor het sacrale verduistert; Gods genade is aan het werk en bewerkt wonderen in het leven van zoveel mensen. De Heer wordt het niet moe bij de mens aan te kloppen in sociale en culturele contexten die door de secularisatie opgeslokt lijken, zoals bij de Russische orthodox Pavel Florensky. Na een totaal agnostische opvoeding, zodanig dat hij ware vijandigheid voelde tegen het godsdienstonderricht op school, kwam de geleerde Florensky ertoe uit te roepen: “Nee, zonder God kan men niet leven!” en hij veranderde zijn leven totaal, zodat hij zelfs monnik werd.
Ik denk ook aan de figuur van Etty Hillesum, een jonge Hollandse van joodse afkomst die in Auschwitz stierf. Eerst ver van God, ontdekt zij Hem later door diep in zichzelf te kijken en zij schrijft: “In mij is een heel diepe put. En in die put, is God. Soms bereik ik Hem, maar dikwijls bedekken steen en zand Hem: dan is God begraven. Ik moet Hem opnieuw ontgraven” (Dagboek, 97). In haar verstrooid en onrustig leven vindt zij God juist midden in de tragedie van de twintigste eeuw, de Shoah. Dit jong, fragiel en onvoldaan meisje, door het geloof getransfigureerd, transformeert zich in een vrouw vol liefde en innerlijke vrede, in staat om te zeggen: “Voortdurend ga ik vertrouwelijk om met God”.
Een andere vrouw uit onze tijd, Dorothy Day, getuigde van haar capaciteit om in te gaan tegen de vleiende ideologieën van haar tijd, om te kiezen voor het zoeken van de waarheid en open te staan voor de ontdekking van het geloof. In haar autobiografie bekent zij openlijk, gevallen te zijn voor de bekoring om alles op te lossen met politiek, als volgelinge van het marxisme: “Ik wou met de manifestanten op weg gaan, in de gevangenis gaan, schrijven, invloed uitoefenen op de anderen en van de wereld dromen. Hoeveel ambitie en zoeken van mezelf staken daarin!”. Haar weg naar het geloof in zo een geseculariseerde omgeving, was uiterst moeilijk, maar de genade werkt ondanks alles, zoals zij zelf benadrukt: “Het is zeker dat ik meer de behoefte voelde naar de kerk te gaan, neer te knielen, te bidden met het hoofd gebogen. Blindelings, zou men kunnen zeggen, want ik besefte niet dat ik bad. Maar ik ging erheen, ik werd in die gebedssfeer opgenomen ...”. God voerde haar naar een bewuste aansluiting bij de Kerk, naar een leven gewijd aan misdeelde mensen.
In onze tijd zijn er veel bekeringen die begrepen worden als de terugkeer van iemand die na een misschien oppervlakkige christelijke opvoeding, zich van het geloof verwijderd heeft en daarna Christus en Zijn Evangelie herontdekt. In het Boek van de Apocalyps leest men: “Ik sta voor de deur en Ik klop. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik bij hem binnenkomen en maaltijd met hem houden en hij met Mij” (Openb. 3, 20). Onze innerlijke mens moet zich erop voorbereiden door God bezocht te worden, en het is juist daarom dat hij zich nooit door illusies, schijn en materiële dingen moet laten inpalmen.

Hernieuwen wij in deze Vastentijd, in het Jaar van het Geloof, ons engagement op deze weg van bekering, om onze neiging te overwinnen ons in onszelf op te sluiten en om integendeel ruimte te maken voor God, door de dagelijkse realiteit met Zijn ogen te bekijken. Het alternatief tussen de beslotenheid van ons egoïsme en openheid voor de liefde voor God en de anderen komt, zo zouden we kunnen zeggen, overeen met het alternatief van Jezus’ bekoringen: namelijk het alternatief tussen menselijke macht en de liefde van het kruis, tussen een verlossing uitsluitend gezien als materieel welzijn en een verlossing die het werk is van God, aan wie wij in ons leven voorrang geven. Zich bekeren betekent zich niet opsluiten in het zoeken van eigen succes, eigen aanzien, van zijn eigen situatie, maar ervoor zorgen dat waarheid, geloof in God en liefde het belangrijkste worden in de kleine dingen van elke dag.

Document

Naam: DE VERLEIDINGEN VAN JEZUS EN DE BEKERING TOT HET KONINKRIJK DER HEMELEN
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 13 februari 2013
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Vert. vanuit het Frans: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 30 augustus 2013

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam