• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"IK GELOOF IN GOD, DE SCHEPPER VAN HEMEL EN AARDE, DE SCHEPPER VAN DE MENS"
16e catechese in de reeks n.a.v. het Jaar van het Geloof - Aula Paulus VI

Dierbare broeders en zusters,

Het Credo dat begint met God “de almachtige Vader” (waarover wij Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Ik geloof in God, de almachtige Vader
15e catechese in de reeks n.a.v. het Jaar van het Geloof - Aula Paulus VI
(30 januari 2013)
mediteerden), voegt er vervolgens aan toe dat Hij “Schepper van hemel en aarde” is, en herneemt zo het openingsvers van de Bijbel. In het eerste vers van de Heilige Schrift leest men namelijk: “In het begin schiep God de hemel en de aarde” (Gen. 1, 11): God is de oorsprong van alle dingen en Zijn almacht als liefhebbende Vader ontvouwt zich in de schoonheid van de schepping.

In de schepping manifesteert God zich als een vader, die de oorsprong is van het leven en die Zijn almacht toont door te scheppen. De beelden die de Heilige Schrift daarvoor gebruikt zijn heel suggestief. Vgl. Job 38-39 Als een goede en machtige Vader zorgt Hij voor wat Hij geschapen heeft met een liefde en trouw die niet kleiner worden; dat is wat de psalmen herhalen. Vgl. Ps. 57,11 Vgl. Ps. 108, 5 Vgl. Ps. 36, 6 Zo wordt de schepping de plaats waar de almacht en goedheid van de Heer gekend en erkend worden en wordt zij voor de gelovigen een uitnodiging tot geloof om God als Schepper te belijden. “Geloof doet ons zien”, zegt de schrijver van de Brief aan de Hebreeën, “dat het heelal tot stand is gekomen door Gods woord, zodat het zichtbare ontstaan is uit het onzichtbare” (Hebr. 11, 3). Geloof impliceert dus dat men het onzichtbare erkent door het spoor ervan in de zichtbare wereld te herkennen. De gelovige kan het grote boek van de natuur lezen en zijn taal begrijpen Vgl. Ps. 19, 2-5 ; maar het woord van Gods openbaring dat het geloof wekt, is noodzakelijk opdat de mens tot het volle besef zou komen van de realiteit van God als Schepper en Vader. In het boek van de Heilige Schrift kan het menselijk verstand met het licht van het geloof, de sleutel vinden om de wereld te begrijpen. Vooral het eerste hoofdstuk van Genesis neemt een bijzondere plaats in met de plechtige voorstelling van Gods werkzaamheid in de schepping die zich in zeven dagen ontvouwt: in zes dagen leidt God de schepping ten einde en de zevende dag, de zaterdag, stopt Hij met elke activiteit en rust Hij. Het is de dag van vrijheid voor iedereen, de dag van gemeenschap met God. Zo toont het boek van Genesis ons met dit beeld dat Gods eerste gedacht was, een liefde te vinden die Zijn liefde beantwoordt. Zijn tweede gedacht was een stoffelijke wereld te scheppen om deze liefde een plaats te geven, Zijn schepselen namelijk die Hem vrijwillig antwoord geven. Door een dergelijke structuur krijgt de tekst een bepaald ritme dank zij bepaalde veelzeggende herhalingen. Bijvoorbeeld de zin “God zag dat het goed was” Vgl. Gen. 1, 4.10.12.18.21.25 , wordt zes keer herhaald om na de schepping van de mens, met een zevende keer te eindigen: “God bezag alles wat Hij gemaakt had, en Hij zag dat het heel goed was” (Gen. 1, 31). Al wat God schept is schoon en goed, doordrongen van wijsheid en liefde; Gods scheppende werking brengt orde, harmonie, schoonheid. In het verhaal van Genesis ziet men vervolgens dat de Heer schept door Zijn woord: “God sprak” (Gen. 1, 3.6.9.11.14.20.24.26.28.29) komt tien keer voor in de tekst. Het woord, de “Logos” van God is de oorsprong van de werkelijkheid van de wereld. En als “God sprak”, was het; zo benadrukt de tekst de efficiënte macht van Gods woord. Zoals de Psalm bezingt: “Door zijn woord zijn de hemelen gemaakt, door zijn ademtocht heel hun heir ... immers Hij sprak en het was, Hij gebood en het stond” (Ps. 33, 6.9).

Maar vandaag kunnen wij ons de vraag stellen: heeft het in een tijd van wetenschap en techniek nog zin om over schepping te spreken? Hoe moeten wij de verhalen uit Genesis begrijpen? De Bijbel wil geen handboek zijn van natuurwetenschappen; zij wil integendeel de authentieke en diepe waarheid der dingen laten begrijpen. De fundamentele waarheid die de verhalen van Genesis ons te kennen geven is dat de wereld geen geheel is van tegengestelde krachten, maar dat zij oorsprong en stabiliteit heeft in de “Logos”, Gods eeuwige rede die het universum blijft dragen. Er is een plan met de wereld die uit deze rede, uit de scheppende Geest voortvloeit. Geloven dat dit aan de basis ligt van alles, belicht alle aspecten van het bestaan en geeft moed om het avontuur van het leven met vertrouwen en hoop aan te pakken. De Schrift zegt ons dus dat de oorsprong van het zijn, van de wereld, dat onze oorsprong noch irrationaliteit noch noodzaak is, maar rede, liefde en vrijheid. Vandaar het alternatief: ofwel prioriteit aan irrationaliteit, aan noodzaak, ofwel prioriteit aan rede, vrijheid, liefde. Wij, wij geloven in de laatste stelling.
Maar ik zou ook een woord willen zeggen over wat het hoogtepunt is van heel de schepping: man en vrouw, de mens, de enige die “bekwaam is zijn Schepper te kennen en te beminnen”. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 12 De Psalmist bevraagt zich terwijl hij naar de hemel kijkt: “Als uw hemel ik zie – uwer vingeren werk, maan en sterren die Gij daar stelde, wat is dàn de mens dat Gij acht op hem slaat, het mensenkind dat Gij hem aanziet?” (Ps. 8, 4-5). De mens, door God met liefde geschapen, is maar klein ten overstaan van de immensiteit van het heelal; wanneer wij gefascineerd naar de enorme afstanden in het firmament kijken, bemerken wij soms ook onze begrensde werkelijkheid. In de mens leeft de paradox: onze kleinheid en eindigheid wonen samen met de grootsheid van wat Gods eeuwige liefde voor hem gewild heeft.

De scheppingsverhalen in het Boek Genesis leiden ons ook binnen in dat mysterieuze heelal, waar zij ons helpen Gods plan met de mens te kennen. Zij zeggen vooral dat God de mens gemaakt heeft met het stof van de aarde. Vgl. Gen. 2, 7 Dat betekent dat wij God niet zijn, dat wij ons niet op ons eentje gemaakt hebben, wij zijn van aarde; maar dat betekent ook dat wij uit goede aarde komen, door het werk van de Schepper die goed is. Men dient daar een andere fundamentele werkelijkheid aan toe te voegen: alle mensen zijn stof, ondanks de verscheidenheid die cultuur en geschiedenis gemaakt hebben, ondanks alle sociale verschillen; wij zijn eenzelfde mensheid die gemaakt werd door dezelfde aarde van God. Dan is er nog een tweede element: de mens haalt zijn oorsprong uit de levensadem die God ingeblazen heeft in het lichaam dat Hij met aarde gemaakt heeft. Vgl. Gen. 2, 7 . De mens is naar het beeld en de gelijkenis van God gemaakt. Vgl. Gen. 1, 26-27 Wij dragen dus allen Gods levensadem in ons en ieder mensenleven, zegt de Bijbel, staat onder Gods bijzondere bescherming. Dat is de diepste reden voor de onschendbaarheid van de menselijke waardigheid, tegen iedere poging om de persoon volgens criteria van nut en macht te evalueren. Het feit naar Gods beeld en gelijkenis te zijn, wijst er tenslotte op dat de mens niet op zichzelf besloten is maar dat zijn wezenlijke referentie in God ligt.

In de eerste hoofdstukken van het Boek Genesis vinden wij twee veelzeggende beelden: de tuin, met de boom van kennis van goed en kwaad, en de slang. Vgl. Gen. 2, 15-17 Vgl. Gen. 3, 1-5 De tuin zegt ons dat de werkelijkheid waarin God de mens geplaatst heeft, geen ongerept bos is, maar een oord dat beschermt, voedt en ondersteunt; en de mens moet de wereld erkennen - niet als eigendom die kan geplunderd en uitgebuit worden, maar als gave van de Schepper, een teken van Zijn heilzame wil, een gave om respectvol en harmonieus in stand te houden en te behoeden, te doen groeien en ontwikkelen, volgens haar wetten en logica, volgens Gods plan. Vgl. Gen. 2, 8-15 De slang is een figuur uit oosterse vruchtbaarheidsculten die Israël fascineerden, een constante bekoring om het mysterieuze verbond met God los te laten. In dit licht, presenteert de Heilige Schrift de bekoring die Adam en Eva ondergaan als de kern van iedere bekoring en zonde. Trouwens, wat zegt de slang? Zij ontkent God niet maar insinueert een geniepige vraag: “Heeft God werkelijk gezegd dat u van geen enkele boom in de tuin mag eten?” (Gen. 3, 1). Op die manier veroorzaakt de slang argwaan door te doen geloven dat het verbond met God een keten zou zijn die bindt, die van vrijheid en de mooiste en waardevolste dingen van het leven berooft. De bekoring is: op zijn eentje een wereld bouwen om in te leven; de grenzen eigen aan het schepsel, niet aanvaarden evenmin als de grenzen van goed en kwaad, van de moraal; het feit afhankelijk te zijn van Gods scheppende liefde wordt gezien als een last waarvan men zich dient te bevrijden. Dat is altijd de kern van een bekoring. Maar wanneer men de band met God vervalst door een leugen, door Zijn plaats in te nemen, dan veranderen ook alle andere banden. De andere wordt dan een rivaal, een bedreiging: na toegegeven te hebben aan de verleiding, beschuldigt Adam Eva onmiddellijk Vgl. Gen. 3, 12 ; beiden verbergen zich voor Gods oog, met wie zij zich nochtans als vriendschappelijk onderhielden Vgl. Gen. 3, 8-10 ; de wereld is niet langer een tuin waar men harmonieus kan leven, maar een plaats om te ontginnen, met valstrikken Vgl. Gen. 3, 14-19 ; afgunst en haat voor de andere komen in het hart van de mens: een voorbeeld is Kaïn die zijn broer Abel doodt. Vgl. Gen. 4, 3-9 Door in te gaan tegen zijn Schepper, gaat de mens eigenlijk in tegen zichzelf, ontkent hij zijn oorsprong en dus zijn waarheid; en het kwaad met zijn pijnlijk raderwerk van verdriet en dood, komt de wereld binnen. Wat God geschapen had, was goed, zelfs heel goed, doch na deze vrije keuze voor de leugen in plaats van voor de waarheid, is het kwaad in de wereld gekomen.
Uit deze scheppingsverhalen zou ik een laatste onderricht naar voor willen brengen: zonde verwekt zonde en alle zonden van de geschiedenis zijn met elkaar verbonden. Dat aspect brengt ons bij wat men de “erfzonde” noemt. Wat is de betekenis van deze moeilijk te begrijpen realiteit? Ik zou slechts enkele elementen willen aanreiken. Vooreerst moeten wij onder ogen nemen dat geen enkele mens in zichzelf besloten is, niemand kan alleen door en voor zichzelf leven; wij krijgen het leven van een ander, niet alleen op het ogenblik van onze geboorte maar alle dagen. De mens is een relatiewezen: ik ben maar mezelf in en door het gij, in een liefdesrelatie met het Gij van God en het gij van de anderen. De zonde bestaat er nu in deze relatie met God ingrijpend te wijzigen of te vernietigen, dat is haar essentie: de relatie met God, de fundamentele relatie vernietigen, de plaats van God innemen. De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
zegt dat de mens met de eerste zonde “voor zichzelf gekozen heeft tegen God, tegen hetgeen van hem als schepsel gevraagd werd, en sindsdien, tegen hetgeen goed voor hemzelf was” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 398. Eens dat de fundamentele relatie ingrijpend gewijzigd is, worden de andere polen van de relatie eveneens bedreigd of vernietigd; de zonde richt de relatie en zo alles ten gronde, omdat wij relatiewezens zijn. Als nu de relationele structuur van de mensheid sinds den beginne ingrijpend gewijzigd is, komt elke mens in een wereld die getekend is door ingrijpend veranderde relaties, in een wereld die door de zonde ingrijpend veranderd is, en hij is er persoonlijk door getekend; de eerste zonde treft en kwetst de menselijke natuur. Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 404-406 Op zijn eentje kan de mens niet uit die situatie geraken, hij kan zich op zijn eentje niet vrijkopen; alleen de Schepper kan relaties herstellen. Alleen wanneer Degene van wie wij ons verwijderd hebben, tot ons komt en ons liefdevol de hand reikt, kunnen opnieuw juiste relaties aangeknoopt worden. Dat is wat in Jezus Christus gebeurt, die juist de tegenovergestelde weg van Adam gaat, zoals de hymne in het tweede hoofdstuk uit de Brief van de heilige Paulus aan de Filippenzen beschrijft (Fil. 2, 5-11): terwijl Adam zijn natuur van schepsel niet erkent en Gods plaats wil innemen, heeft Jezus, Gods Zoon, een volmaakte kinderlijke relatie met de Vader, Hij verlaagt zich, wordt dienaar, gaat de weg van de liefde door zich te vernederen tot de dood op het kruis, om de relaties met God te herstellen. Het kruis van Christus wordt zo de nieuwe levensboom.
Dierbare broeders en zusters, van geloof leven, betekent Gods grootheid erkennen en onze kleinheid, onze toestand van schepsel aanvaarden, en ze door God met Zijn liefde laten vullen opdat zo onze ware grootheid zou groeien. Het kwaad is met zijn last van verdriet en leed, een mysterie dat verlicht wordt door het licht van het geloof, dat ons de zekerheid geeft dat we van het kwaad kunnen bevrijd worden, de zekerheid dat het goed is mens te zijn.

Document

Naam: "IK GELOOF IN GOD, DE SCHEPPER VAN HEMEL EN AARDE, DE SCHEPPER VAN DE MENS"
16e catechese in de reeks n.a.v. het Jaar van het Geloof - Aula Paulus VI
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 6 februari 2013
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Vert. vanuit Franse versie (Zenit.org): Sorores Christi;
alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam