• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"CREDO"- "IK GELOOF IN GOD"
14e catechese in de reeks n.a.v. het Jaar van het Geloof - Aula Paulus VI

Dierbare broeders en zusters,

In dit Jaar van het Geloof zou ik vandaag met u willen beginnen nadenken over het Credo, dat wil zeggen over de plechtige geloofsbelijdenis die ons leven van gelovige begeleidt. Het Credo begint met deze woorden: “Ik geloof in God”. Het is een fundamentele uitspraak, in wezen blijkbaar eenvoudig, maar ze geeft toegang tot de oneindige wereld van een relatie met de Heer en Zijn mysterie. In God geloven, impliceert Hem aanhankelijk zijn, Zijn woord aanvaarden en blij gehoorzamen aan Zijn openbaring. Zoals de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
leert, “het geloof is een persoonlijke daad: het vrije antwoord van de mens op het initiatief van God, die zich openbaart”. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 166. Kunnen zeggen dat men in God gelooft, is dus zowel een gave – God openbaart zich, Hij komt ons tegemoet – als een engagement; het is zowel een Goddelijke genade als verantwoordelijkheid van de mens, in een dialoog met God die uit liefde “de mensen aanspreekt als zijn vrienden” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 2, die tot ons spreekt opdat wij in en met geloof in gemeenschap met Hem kunnen treden.

Waar kunnen wij God en Zijn woord horen? De Heilige Schrift is fundamenteel; Gods woord maakt zich hoorbaar voor ons en voedt ons leven als “vriend” van God. Heel de Bijbel verhaalt dat God zich aan de mensheid heeft geopenbaard; heel de Bijbel spreekt over geloof en leert ons het geloof door een geschiedenis te vertellen waarin God Zijn verlossingsplan laat vorderen en ons, mensen, nabij komt door de vele lichtende figuren van personen die in Hem geloven en zich aan Hem toevertrouwen tot de openbaring in de Heer Jezus haar volheid bereikt heeft.

Hierover is het 11e hoofdstuk van de Brief aan de Hebreeën, dat wij zopas beluisterden, zeer mooi: het spreekt ons over het geloof en belicht grote Bijbelse figuren die het beleefden en aldus een voorbeeld werden voor alle gelovigen. Ziehier wat het eerste vers van die tekst zegt: “Het geloof is een vaste grond van wat wij hopen, het overtuigt ons van de werkelijkheid van onzichtbare dingen” (Hebr. 11, 1). De ogen van het geloof zijn dus in staat het onzichtbare te zien en het hart van de gelovige mag hopen tegen alle hoop in, juist zoals Abraham over wie Paulus in de Brief aan de Romeinen zegt, “tegen alle hoop in heeft hij gehoopt” (Rom. 4, 18).

En het is precies bij Abraham dat ik met u aandachtig zou willen stilstaan, omdat hij de grote referentiefiguur is om over het geloof in God te spreken: Abraham, de grote aartsvader, voorbeeld, vader van alle gelovigen. Vgl. Rom. 4, 11-12 De Brief aan de Hebreeën stelt hem aldus voor: “Door het geloof heeft Abraham gehoor gegeven aan de roepstem van God, en ging hij op weg naar een land dat bestemd was voor hem en zijn erfgenamen; hij vertrok zonder te weten waarheen. Door het geloof heeft hij als vreemdeling in het land vertoefd dat hem beloofd was; hij woonde er in tenten, evenals Isaak en Jakob, die dezelfde belofte erfden; want hij zag uit naar de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwer is” (Hebr. 11, 8-10).

De schrijver van de Brief aan de Hebreeën verwijst hier naar de roeping van Abraham, verhaald in het Boek Genesis, het eerste boek van de Bijbel. Wat vraagt God aan deze grote aartsvader? Hij vraagt hem te vertrekken door zijn grond te verlaten om naar een land te gaan dat Hij hem zal wijzen: “Trek weg uit uw land, uw stam en uw familie, naar het land dat Ik u aan zal wijzen” (Gen. 12, 1). En wij, hoe zouden wij op zo een uitnodiging geantwoord hebben? Het gaat namelijk om een vertrek in het duister, zonder te weten waarheen God hem zal leiden; het is een weg die radicale gehoorzaamheid en vertrouwen vraagt, waartoe alleen het geloof toegang geeft. Maar het duister van het onbekende – waar Abraham heen moet – wordt verlicht door het licht van een belofte; God voegt bij Zijn bevel een geruststellend woord dat voor Abraham een toekomst opent van volheid van leven: “Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen en uw naam groot maken, zodat gij een zegen zult zijn. … Door u zal zegen komen over alle geslachten op aarde” (Gen. 12, 2-3).

Een zegen is in de Heilige Schrift vooral verbonden met de gave van leven dat van God komt en manifesteert zich vooral in vruchtbaarheid, in een leven dat zich vermenigvuldigt, dat gaat van geslacht tot geslacht. Een zegen is ook verbonden met de ervaring grond te bezitten, een vaste plaats waar men kan leven en groeien in vrijheid en veiligheid, God vrezend en een samenleving vormend van mensen die trouw zijn aan het Verbond, “een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk”. Vgl. Ex. 19, 6
Daarom wordt Abraham in Gods plan voorbestemd om “vader van een menigte volken” te worden (Gen. 17, 5) Vgl. Rom. 4, 17-18 en een nieuw land te betreden om er te wonen. Nochtans is Sarah, zijn vrouw, onvruchtbaar en kan zij geen kinderen krijgen; en het land waarheen God hem leidt, is ver van zijn land van afkomst en wordt reeds door andere volken bewoond en het zal hem nooit echt toebehoren. De Bijbelse verteller benadrukt het, maar met grote kiesheid: wanneer Abraham in het land kwam dat God had beloofd, “waren de Kanaänieten nog in het land” (Gen. 12, 6). Het land dat God aan Abraham geeft, behoort hem niet toe, hij is een vreemdeling en zal het altijd blijven, met alles wat dat inhoudt: geen vooruitzicht van eigendom, steeds bewust van eigen armoede, alles aanvaarden als een gave. Deze geestelijke toestand is ook die van wie het aanvaardt Christus te volgen, wie beslist te vertrekken en wie zijn roeping aanvaardt in het teken van haar onzichtbare maar krachtige zegen. En Abraham, “vader van de gelovigen”, aanvaardt deze oproep met geloof. De heilige Paulus schrijft in de Brief aan de Romeinen: “Tegen alle hoop in heeft hij gehoopt, en geloofd dat hij vader zou worden van vele volken, gelijk hem gezegd was: zo talrijk zal uw nageslacht zijn. Zijn geloof verflauwde niet, toen hij, de honderdjarige, dacht aan zijn eigen afgeleefd lichaam en aan de dorre schoot van Sara. Hij twijfelde geen ogenblik aan Gods belofte. Integendeel, hij heeft God geëerd door de kracht van zijn geloof, door zijn vaste overtuiging dat Hij bij machte is te volvoeren wat Hij heeft toegezegd” (Rom. 4, 18-21).
Het geloof brengt Abraham ertoe een paradoxale weg te gaan. Hij zal gezegend worden maar zonder de zichtbare tekens van de zegen: hij ontvangt de belofte een groot volk te worden, maar met een leven dat getekend is door de onvruchtbaarheid van zijn vrouw, Sarah; hij wordt naar een nieuw vaderland geleid maar zal er altijd als vreemdeling moeten leven; het enige land dat hij zal mogen bezitten, zal een stuk grond zijn om Sarah te begraven. Vgl. Gen. 23, 1-20 Abraham wordt gezegend omdat hij Gods zegen gelovig weet te onderscheiden door verder te kijken dan de schijn, vertrouwend op Gods aanwezigheid zelfs als Zijn wegen mysterieus lijken.
Wat betekent dat voor ons? Wanneer wij zeggen “ik geloof in God”, zeggen wij zoals Abraham: ik heb vertrouwen in U, ik geef mij aan U over, Heer”, maar niet zoals bij iemand tot wie men zich alleen in moeilijkheden wendt of aan wie men een ogenblik wijdt in de dag of de week. Zeggen “ik geloof in God” betekent mijn leven op Hem baseren, mijn leven elke dag door Zijn woord laten oriënteren, in de concrete keuzes, zonder angst iets van mezelf te verliezen. Wanneer in de doopritus, drie keer de vraag gesteld wordt: “gelooft u?” in God, in Jezus Christus, in de Heilige Geest, in de katholieke Kerk en de andere geloofswaarheden, is het drievoudig antwoord in het enkelvoud: “ik geloof”, omdat het mijn persoonlijk leven is dat met de gave van het geloof een wending moet nemen, het is mijn leven dat moet veranderen, zich bekeren. Telkens wij aan een doopsel deelnemen, zouden wij ons moeten afvragen hoe wij de grote gave van het geloof in het dagelijks leven beleven.
Abraham, de gelovige, leert ons het geloof; en als vreemdeling op aarde toont hij ons het ware vaderland. Het geloof maakt van ons pelgrims op aarde, behorend tot de wereld en de geschiedenis, maar op weg naar het hemels vaderland. In God geloven maakt van ons dus dragers van waarden die dikwijls niet samenvallen met de heersende modes en opinies; dat vraagt van ons dat wij criteria en gedragingen aannemen die niet tot de algemene manier van denken behoren. Een christen moet geen angst hebben om “tegen de stroom in te gaan” om zijn geloof te beleven en weerstand te bieden aan de bekoring om “zich aan te passen”. In vele samenlevingen is God “de grote Afwezige” geworden en hebben talloze afgoden Zijn plaats ingenomen, waaronder het “autonome ik” de eerste is. Zelfs de gekende en positieve vooruitgang van wetenschap en techniek hebben de mens een illusie van almacht en selfsupporting gegeven, en een toenemend egocentrisme heeft niet weinig onevenwichtigheden in interpersoonlijke relaties en sociale gedragingen veroorzaakt.
Nochtans is de dorst naar God Vgl. Ps. 63, 2 niet gedoofd en blijft de evangelieboodschap klinken doorheen de woorden en werken van vele mannen en vrouwen van geloof. Abraham, vader van de gelovigen, blijft de vader van vele kinderen die het aanvaarden in zijn voetsporen te treden, zich op weg te begeven, gehoorzaam aan Gods wil, vertrouwend op de welwillende aanwezigheid van de Heer en Zijn zegen verwelkomend om zelf een zegen te worden voor iedereen. Het is de gezegende wereld van het geloof waartoe wij allen geroepen zijn, om zonder angst de Heer Jezus Christus na te volgen. Soms is het een moeilijke weg, die ook langs beproeving en dood gaat, maar die openstaat voor het leven, in een radicale omvorming van de werkelijkheid die alleen de ogen van het geloof kunnen zien en ten volle smaken.
Zeggen “ik geloof in God”, spoort ons dan aan om te vertrekken, om voortdurend uit onszelf te treden, juist zoals Abraham, om in de dagelijkse werkelijkheid waarin wij leven, de zekerheid te brengen die het geloof ons geeft: de zekerheid van Gods aanwezigheid in de geschiedenis, ook vandaag; een aanwezigheid die leven geeft en heil en ons opent voor een toekomst met Hem door een volheid van leven dat nooit een zonsondergang zal kennen.

Document

Naam: "CREDO"- "IK GELOOF IN GOD"
14e catechese in de reeks n.a.v. het Jaar van het Geloof - Aula Paulus VI
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 23 januari 2013
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana / Stg. InterKerk
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam