• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

‘PROPE EST IAM DOMINUS VENITE, ADOREMUS!’ - ‘DE HEER IS NABIJ, KOMT, LATEN WIJ HEM AANBIDDEN!’
Kersttoespraak tot de Romeinse Curie - Sala Clementina

Heren Kardinalen
Eerbiedwaardige broeders in het Bisschopsambt en Priesterschap
Dierbare broeders en zusters

Met grote vreugde ontmoet ik u vandaag, beste leden van het Heilig kardinalencollege alsook vertegenwoordigers van de Romeinse curie en van het Gouvernement, op dit traditionele moment voor het Kerstfeest. Hartelijk begroet ik iedereen individueel, te beginnen met kardinaal Angelo Sodano, die ik dank voor zijn mooie woorden en de hartelijke gelukwensen die hij ook in uw aller naam aan mij overbracht. De kardinaal-decaan heeft ons herinnerd aan een zin, die in deze dagen vaak terugkeert in de Latijnse liturgie: ‘Prope est iam Dominus venite, adoremus!’ ‘De Heer is nabij, komt, laten wij Hem aanbidden!’. Ook wij maken ons gereed, om het Kind in de grot van Bethlehem te aanbidden dat God zelf is - de God, die ons zó nabij is gekomen dat hij mens werd net als wij. Graag wil ik u terug gelukwensen en u allemaal van harte danken, ook de pauselijke vertegenwoordigers in de hele wereld, voor uw genereuze en bekwame medewerking, waarmee ieder van u bijdraagt aan mijn dienstwerk.

Reis naar Mexico en Cuba

We staan aan het einde van een jaar dat zowel in de Kerk als in de wereld weer in het teken stond van veel bekommernis, van grote problemen en uitdagingen, maar ook van tekenen van hoop. Ik noem maar een paar bepalende gebeurtenissen in het leven van de Kerk en mijn Petrus ambt. Eerst waren er de reizen naar Mexico en Cuba - onvergetelijke ontmoetingen met de diep in de harten van de mensen geworteld kracht van het geloof en de vreugde aan het leven die uit het geloof voortkomt. Ik herinner mij, hoe na aankomst in Mexico op de lange weg die afgelegd moest worden, eindeloze drommen mensen mij begroetten en zwaaiden. Ik denk aan hoe tijdens de reis naar Guanajuato, de schilderachtige hoofdstad van het land, jongeren eerbiedig knielden aan de kant van de weg, om de zegen van de opvolger van Petrus te ontvangen; ik denk aan hoe de Paus Benedictus XVI - Homilie
Tijdens de H. Mis in het Expo Bicentenario Park, León
(25 maart 2012)
in de buurt van de standbeeld van Christus Koning, tot een tegenwoordig stelling van Christus’ Koninkrijk werd - van zijn vrede, zijn gerechtigheid, zijn waarheid. Dit alles vond plaats tegen de achtergrond van de problemen van een land dat lijdt aan verschillende vormen van geweld en aan de noden van economische afhankelijkheid. Dat zijn problemen die zeker niet zo maar worden opgelost door vroomheid, maar al helemaal niet zonder die innerlijke zuivering van het hart die afkomstig is uit de kracht van het geloof en uit de ontmoeting met Jezus Christus. En er was de belevenis Cuba - ook hier grote erediensten, waar in het zingen, bidden en zwijgen een aanwezigheid voelbaar werd, die men in het land lang een plek heeft willen ontzeggen. De zoektocht naar een juiste benadering van de verhouding tussen loyaliteit en vrijheid in dit land kan zeker niet slagen zonder aansluiting bij de maatstaven, die de mensheid in de ontmoeting met de God van Jezus Christus bekend zijn geworden.

Kernpunten uit het jaar

Als verdere hoogtepunten van het voorbije jaar zou ik willen noemen: het grote feest van de gezinnen in Milaan, alsook het bezoek aan Libanon, met de overdracht van de Paus Benedictus XVI - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Ecclesia in Medio Oriente
De Kerk in het Midden-Oosten - Naar aanleiding van de Bisschoppensynode over het Midden-Oosten
(14 september 2012)
, die in het leven van de kerken en de samenleving van het Midden-Oosten wegwijzer wil zijn op de moeilijke wegen naar eenheid en vrede. De laatste grote gebeurtenis van het voorbije jaar dan was de Synode over de Nieuwe Evangelisatie, die tegelijkertijd ook een gemeenschappelijk begin was voor het Jaar van het Geloof, waarin we ook de vijftigste verjaardag van de opening van het Tweede Vaticaans Concilie herdenken, om dat in de veranderde situatie opnieuw te verstaan en ons opnieuw eigen te maken.

Met al deze gebeurtenissen zijn basale thema’s van ons huidige historische moment aan bod gekomen: Gezin (Milaan) - dienst aan de vrede in de wereld en de dialoog tussen de religies (Libanon), alsook de verkondiging van de Boodschap van Jezus Christus in onze tijd aan hen die Hem nog niet ontmoet hebben en aan de velen die Hem slechts uiterlijk kennen en Hem daarom nog niet erkennen. Van deze grote onderwerpen zou ik graag het thema Gezin en het wezen van de dialoog wat nader willen belichten, om dan nog een korte bemerking over het thema van de Nieuwe Evangelisering daaraan toe te voegen.
Het gezin
De grote vreugde, waarmee in Milaan gezinnen uit de hele wereld elkaar hebben ontmoet, toont aan dat het gezin, ondanks veel aanwijzingen die het tegendeel doen vermoeden, ook vandaag nog sterk en levendig is. Maar onbestrijdbaar is toch ook de crisis, die het gezin - in het bijzonder in de Westerse wereld - tot in haar fundamenten bedreigt. Het was indrukwekkend dat de Synode herhaaldelijk de betekenis van het gezin aangaf als de aangewezen plaats waar de basisvormen van het menselijk bestaan worden doorgegeven. Die worden geleerd doordat ze met elkaar geleefd en ook geleden worden. Zo werd duidelijk, dat het bij de vraag naar het gezin niet alleen om een bepaalde sociale vorm gaat, maar om de vraag naar de mens zelf - om de vraag, wat de mens is en hoe men dat doet, op juiste wijze mens zijn. De uitdagingen, waar het om gaat zijn complex. Ten eerste is er de vraag naar het bindend vermogen of gebrek aan bindend vermogen van de mens. Kan hij zich levenslang binden? Is dat overeenkomstig zijn wezen? Weerspreekt dat niet zijn vrijheid en de breedte van zijn zelfverwerkelijking? Wordt de mens niet eerder zichzelf, als hij bij zichzelf blijft en met anderen slechts betrekkingen aangaat, die hij ieder gewenst moment weer kan afbreken? Is zich levenslang binden niet het tegendeel van vrijheid? Is de binding ook waard om er voor te lijden? De afwijzing van de menselijke binding, die is gebaseerd op een verkeerd begrip van vrijheid en zelfverwerkelijking, zoals ze zich in de vlucht voor het geduld met betrekking tot het lijden meer en meer uitbreidt, betekent, dat de mens in zichzelf blijft en zijn ego uiteindelijk voor zichzelf behoudt en niet echt overschrijdt. Maar alleen in het geven van zich zelf komt de mens tot zichzelf, en alleen als hij zich voor de ander, voor de anderen, de kinderen, het gezin opent, alleen als hij zichzelf door het lijden laat veranderen, ontdekt hij de volle breedte van het mens zijn. Met de afwijzing van deze binding verdwijnen ook de basiselementen van het menselijk bestaan: vader, moeder, kind, en vallen wezenlijke manieren van ervaren van het mens zijn weg.
De werkelijke gevaren voor het gezin

De opperrabbijn van Frankrijk, Gilles Bernheim, heeft in een Gilles Bernheim
Mariage homosexuel, homoparentalité et adoption: Ce que lon oblie souvent de dire
Homohuwelijk, homo-ouderschap en adoptie: wat we vaak vergeten te zeggen
(1 oktober 2012)
laten zien, dat de aanval op de ware vorm van het gezin van vader, moeder, kind, waarmee we ons vandaag geconfronteerd zien, nog een dimensie dieper reikt. Zagen we al eerder een verkeerd begrip van het wezen van de menselijke vrijheid als een reden voor de crisis van het gezin, zo toont zich nu, dat de visie op het zijn zelf, van datgene, wat mens zijn in werkelijkheid betekent, op het spel staat. De opperrabbijn citeert de beroemde woorden van Simone de Beauvoir: “Men wordt niet als vrouw geboren, maar men wordt het.” (“On ne naît pas femme, on le devient”). In deze woorden is de basis gegeven, van wat men vandaag de dag onder het trefwoord “gender” als een nieuwe filosofie van de seksualiteit presenteert. Het geslacht is in deze filosofie niet langer een natuurlijk gegeven dat de mens moet aanvaarden en persoonlijk met zin vervullen, maar het is een sociale rol, waarover men nu zelf beslist, terwijl tot op heden de samenleving daarover besliste. De diepe onwaarheid van deze theorie en van de in haar gegeven antropologische revolutie is duidelijk. De mens bestrijdt, dat hij een door zijn lichamelijkheid bepaalde natuur heeft, die voor het wezen mens kenmerkend is. Hij ontkent zijn natuur en besluit dat deze hem niet gegeven is, maar dat hij die zelf bepaalt. Volgens het Bijbelse verslag van de schepping, behoort tot het wezen van het schepsel mens, dat hij door God is geschapen als man en vrouw. Deze dualiteit is essentieel voor het mens-zijn, zoals God hem dat heeft gegeven. Juist deze dualiteit als gegeven wordt betwist. Niet langer geldt nog wat in het scheppingsverhaal staat: “Man en vrouw schiep Hij hen” (Gen. 1, 27). Nee, nu geldt, niet God schiep hen als man en vrouw, de samenleving heeft dat tot nu toe gedaan en nu beslissen we dat zelf. Man en vrouw als werkelijkheden van de schepping, als menselijke natuur bestaat niet meer. De mens bestrijdt zijn natuur. Hij is nog slechts geest en wil. De manipulatie van de natuur, die we vandaag de dag voor ons milieu aanklagen, wordt hier tot een basisbeginsel van de mens in de omgang met zich zelf. Er bestaat alleen nog de abstracte mens, die zich zo iets als zijn natuur zelf kiest. Man en vrouw in hun uit de Schepping voortkomende aanspraak als elkaar aanvullende gestalten worden bestreden. Als echter de uit de Schepping stammende dualiteit van man en vrouw niet meer bestaat, dan bestaat ook het gezin als door de schepping gegeven werkelijkheid niet meer. Maar dan heeft ook het kind zijn plaats tot nu toe en zijn daaraan ontleende waardigheid verloren. Bernheim laat zien dat het kind nu noodzakelijk van een eigen rechtssubject tot een object wordt, waar men recht op heeft en dat men zich kan aanschaffen omdat men daar recht op heeft. Waar de vrijheid van het maken wordt tot de vrijheid van het zich-zelf-maken, wordt noodzakelijkerwijs de Schepper zelf geloochend en daarmee uiteindelijk ook de mens als goddelijke schepping, als evenbeeld van God en zo in het eigenlijke van Zijn zijn gedegradeerd. In de strijd om het gezin gaat het om de mens zelf. En het wordt zichtbaar, dat daar, waar God geloochend wordt, ook de waardigheid van de mens verdwijnt. Wie God verdedigt, verdedigt de mensen.

De kwestie van dialoog en verkondiging

Daarmee kom ik op het tweede grote thema, dat zich uitstrekt over het voorbije jaar van Assisi tot aan de Synode over de Nieuwe Evangelisatie - de kwestie van dialoog en verkondiging. Laten we eerst spreken over de dialoog. Ik zie voor de Kerk in onze tijd vooral drie dialoogterreinen waar ze in de worsteling om de mens en zijn mens-zijn aanwezig moet zijn: de dialoog met de staten; dialoog met de samenleving en daaraan verbonden de dialoog met de culturen en met de wetenschap, en ten slotte de dialoog met de religies. In al deze dialogen, spreekt de Kerk vanuit het Licht dat het geloof haar schenkt. Ze belichaamt echter tegelijk het geheugen van de mensheid, dat vanaf de aanvang, door alle tijden heen, het geheugen is van de ervaringen en het lijden van de mensheid, waarin ze het mens-zijn leerde, haar grenzen en haar grootheid, haar mogelijkheden en haar beperkingen. De cultuur van de humaniteit, waarvoor ze instaat, is gegroeid uit de ontmoeting tussen Gods openbaring en het menselijk bestaan. De Kerk vertegenwoordigt het geheugen van het mens-zijn tegenover een beschaving van het vergeten, die alleen nog maar zich zelf en de eigen maatstaven kent. Maar zoals een mens zonder geheugen zijn identiteit verliest, zo verliest ook een mensheid zonder geheugen haar identiteit. Wat de Kerk onthult werd in de ontmoeting van de openbaring en de menselijke ervaring, overstijgt weliswaar het bereik van het eigen verstand, maar is geen afzonderlijke wereld, waarmee de niet gelovigen niets van doen zouden hebben. In het mee-denken en mee-verstaan van de mens verbreedt het de horizon van de rede en gaat daarmee ook diegenen aan, die het geloof van de Kerk niet kunnen delen. In de dialoog met de staat en met de samenleving heeft de Kerk voor individuele vraagstukken zeker geen kant-en-klare oplossingen achter de hand. Ze zal met de andere maatschappelijke krachten zoeken naar die antwoorden die het meeste recht doen aan de juiste maat van mens-zijn. Wat ze heeft onderkent als constitutieve en niet-onderhandelbare kernwaarden van het mens-zijn, daarvoor moet ze met grote helderheid opkomen. Daar moet ze er alles aan doen, om overtuiging te doen postvatten, die dan tot politiek handelen kan worden.

De dialoog van religies

In de huidige situatie van de mensheid is de dialoog van religies een noodzakelijke voorwaarde voor vrede in de wereld en daarom een plicht voor Christenen en voor de andere religieuze gemeenschappen. Deze dialoog tussen de religies heeft verschillende dimensies. Ze wordt allereerst gewoon een dialoog van het leven, een dialoog van het samen zijn. Daarbij zal men niet spreken over de grote thema’s van het geloven - of God een drie-ene God is of hoe de inspiratie van de Heilige Schrift is te verstaan, enz. Het gaat daarbij om de concrete problemen van het samen zijn en over de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor de samenleving, voor de Staat, voor de mensheid. Daarbij moeten we leren, de ander te aanvaarden in zijn anders-zijn en anders-denken. Daarvoor is het nodig, om de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid voor gerechtigheid en vrede tot maatstaf van het gesprek te maken. Een dialoog, waarin het gaat om vrede en gerechtigheid, wordt vanzelf, boven het louter pragmatische uit, tot een sparren om die waarden die alles voorafgaan. Zo wordt de aanvankelijk puur praktische dialoog, ook tot een zoeken naar het juiste mens-zijn. Ook als de fundamentele beginselen als zodanig niet ter discussie staan, wordt de inspanning om een specifieke kwestie tot een proces, waarin door te luisteren naar de ander beide zijden gezuiverd en verrijkt kunnen worden. Zo kan deze inspanning ook een gemeenschappelijke stap beteken naar de Waarheid, zonder dat de fundamentele uitgangspunten worden gewijzigd. Als beide partijen uit gaan van een hermeneutiek van gerechtigheid, dan zullen de wezenlijke verschillen niet verdwijnen, maar er groeit toch een diepere nabijheid tot elkaar.

Het wezen van de interreligieuze dialoog

Voor het wezen van de interreligieuze dialoog worden tegenwoordig in het algemeen twee regels van essentieel belang geacht:

1) De dialoog is niet gericht op bekering, maar op begrip. Daarin onderscheidt ze zich van de evangelisatie, van de missie.

2) Dienovereenkomstig blijven bij deze dialoog beide partijen bewust in hun eigen identiteit, die ze in de dialoog noch voor zichzelf noch voor de anderen betwijfelen.

Deze regels zijn juist, maar ik vind ze in deze vorm te oppervlakkig geformuleerd. Ja, de dialoog is niet gericht op bekering, maar op een beter wederzijds begrip - dat klopt. Maar de zoektocht naar erkenning en begrip zal toch altijd ook toenadering tot de waarheid zijn. Beide dialoog partners zijn zo, in het beetje bij beetje naderen van de waarheid, op weg naar voren en naar grotere gemeenschappelijkheid, die uit de eenheid van de waarheid voortkomt. Wat het vasthouden aan de eigen identiteit aangaat: het zou onvoldoende zijn als de Christen met zijn aangenomen identiteit zeg maar de weg naar de waarheid zou willen afbreken. Dan wordt zijn Christen-zijn iets willekeurigs, slechts positiefs. Hij rekent er dan klaarblijkelijk helemaal niet op, dat je in de religie met waarheid van doen krijgt. Daartegenover zou ik zeggen, de Christen heeft het grote basale vertrouwen, ja, de grote basale zekerheid, dat hij gerust kan uitgaan op de open zee van de waarheid, zonder te hoeven vrezen voor zijn identiteit als Christen. Zeker, wij hebben niet de waarheid, maar zij heeft ons: Christus, die de Waarheid is, heeft ons bij de hand genomen, en we weten op het pad van onze streven naar erkenning dat zijn hand ons vast houdt. Het innerlijke vast gehouden zijn van de mens door de hand van Christus maakt ons vrij en zeker tegelijk. Vrij - als we door Hem vast gehouden worden, kunnen we open en zonder vrees in iedere dialoog instappen. Zeker zijn we, omdat Hij ons niet los laat, als we ons niet zelf van Hem los maken. Met Hem samen staan we in het licht van de waarheid.

De verkondiging

Aan het eind moet op zijn minst nog een kort woord over de verkondiging, de evangelisatie staan, waarover immers het Postsynodale Document in aansluiting op de Bisschoppensynodes
Propositiones van de 13e Gewone Bisschoppensynode over de nieuwe evangelisatie
(27 oktober 2012)
uitvoerig zal spreken. Ik vind, dat de wezenlijke elementen van het verloop van de evangelisatie erg duidelijk te voorschijn komen in het verhaal van Johannes de Doper over de roeping van twee van zijn leerlingen, die tot discipelen van Jezus Christus worden (Joh. 1, 35-39). Daar is ten eerste deze eenvoudige act van verkondiging. Johannes de Doper wijst naar Jezus en zegt: “Zie, het Lam Gods”! De evangelist vertelt een weinig later van een soortgelijke gebeurtenis. Dit keer is het Andreas, die tegen zijn broer Simon zegt: “Wij hebben de Messias gevonden” (Joh. 1, 41). Het eerste en fundamentele element is de eenvoudige verkondiging, het kerygma , dat zijn kracht ontleent aan de innerlijke overtuiging van de verkondiger. In het verhaal van de twee leerlingen volgt dan het luisteren en het achter Jezus aangaan, dat dan nog geen volgen maar eerder een zoeken is vanuit een heilige nieuwsgierigheid. Beiden zijn immers mensen, die zoekende zijn, mensen, voorbij aan het alledaagse leven in de verwachting van God - in de verwachting, dat Hij er is en dat Hij zich zal tonen. Geraakt door de verkondiging, wordt hun zoeken concreet. Ze willen Hem beter leren kennen die door Johannes de Doper werd aangeduid als ‘Lam Gods’. De derde acte komt daardoor tot stand, dat Jezus zich omdraait, zich naar hen toekeert en hun vraagt: “Wat zoeken jullie?” Het antwoord van de twee is opnieuw een vraag die de openheid van het wachten toont, de bereidheid tot nieuwe stappen. Zij vragen: “Rabbi, waar verblijft u?” Het antwoord van Jezus: “Kom en zie” is een uitnodiging om mee te gaan en in het meegaan ziende te worden.

Het woord van de verkondiging wordt daar werkzaam, waar in de mens de bereidheid voor de nabijheid van God aanwezig is; waar de mens innerlijk op zoek en zo onderweg is naar de Heer. Dan worden ze in het hart geraakt doordat Jezus zich hen toewendt en dan wordt de ontmoeting met de verkondiging tot heilige nieuwsgierigheid, Jezus beter te leren kennen. Dit meegaan leidt tot waar Jezus verblijft, in de gemeenschap van de Kerk, die zijn lichaam is. Dat betekent binnentreden in de gemeenschap van de catechumenen die onderweg zijn, die tegelijk leer- en levensgemeenschap zijn, waar we tijdens het meegaan leren zien.

Slot

“Kom en zie!”. Dit woord, dat Jezus tot de twee zoekende leerlingen spreekt, spreekt Hij ook tot de zoekende mens van vandaag. Aan het einde van het jaar, willen we de Heer vragen, dat de Kerk in al haar armzaligheid, steeds meer als zijn woonplaats herkenbaar mag worden. We vragen Hem, dat Hij ook ons op weg naar zijn huis steeds beter zal laten zien; dat we steeds beter, steeds overtuigender zeggen kunnen: wij hebben Hem gevonden op Wie de gehele wereld wacht, Jezus Christus, de ware Zoon van God en waarachtig mens. In die zin wens ik u allen van harte Zalig Kerstmis en een Gelukkig Nieuwjaar.

Document

Naam: ‘PROPE EST IAM DOMINUS VENITE, ADOREMUS!’ - ‘DE HEER IS NABIJ, KOMT, LATEN WIJ HEM AANBIDDEN!’
Kersttoespraak tot de Romeinse Curie - Sala Clementina
Soort: Paus Benedictus XVI - Toespraak
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 21 december 2012
Copyrights: © 2012, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: drs. Willie Bierman; alineaverdeling en -nummering en tussentitels: redactie
Bewerkt: 26 maart 2015

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam