• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

VRAGEN AAN DE PAUS
Tot de jongeren van Frankrijk in het stadion Parc des Princes, Parijs

De elektronische scoreborden gaven dit keer niet de namen aan van twee elftallen. In plaats daarvan stond er voor het eivolle stadion op te lezen: 'Jezus Christus' en 'hoop'. En terecht! Want dat was inderdaad de reden waarom het Parijse stadion Parc des Princes die avond (1 juni 1980) tot de nok toe gevuld was met zo'n vijftigduizend jongeren: omdar zij hun hoop hadden gesteld op Jezus Christus en omdat zij verlangend uitzagen naar de komst van degene die hun daar die avond over zou komen spreken: Johannes Paulus II.

Zij hadden het de paus overigens niet gemakkelijk gemaakt, deze jongeren. Toen hij de toespraak die hij voor hen zou houden al op schrift had staan, lieten zij hem alsnog een hele lijst met vragen bezorgen, met daarbij het vriendelijke verzoek om op de avond dat hij hen zou ontmoeten geen lang uitgewerkt betoog te houden, maar in te gaan op de vragen die zij hem bij deze voorlegden. De paus zelf vertelde erover:

"Ik moet jullie nog vertellen hoe ik deze dialoog, deze toespraak in de vorm van vraag en antwoord heb voorbereid. Toen ik het programma voor deze reis opgestuurd kreeg, werd mij gezegd dat ik ook voor de jongeren zou moeten spreken. Daar hebben we toen een toespraak voor klaargemaakt, maar toen dat gebeurd was, kwamen de organisatoren aanzetten met jullie eigen programma en met de vragen die jullie graag aan de paus wilden stellen. Mij bleef toen niets anders over dan de toespraak die ik had klaarliggen te vervangen en een ander voor te bereiden'
Over welke vragen het daarbij ging? Hier volgt de hele lijst:
  1. In elk land waar u naartoe gaat, wilt u de jongeren ontmoeten. Waarom?
  2. In elk land waar u naartoe gaat, wilt u ook de staatshoofden ontmoeten. Waarom?
  3. Wat denkt u te doen voor de eenheid van de christenen? Hoe ziet u deze eenheid?
  4. Hoe bidt men wanneer men paus is?
  5. U hebt ten aanzien van enkele theologen maatregelen genomen die nogal streng zijn. Waarom?
  6. Het is nu alweer bijna twee jaar geleden dat u gekozen bent. Hoe ziet u op dit moment uw dienst?
  7. Vertel ons eens iets over uw land. Wat kunnen wij van Polen leren? En wat kan Polen van Frankrijk leren?
  8. U, die naar Latijns-Amerika en naar Afrika bent gegaan, hoe ziet u de betrekkingen tussen de Derde Wereld en landen als Frankrijk?
  9. Kan het evangelie een antwoord zijn op de problemen van vandaag?
  10. Voordat u bisschop werd en paus, bent U eerst gewoon priester geweest. Hoe ziet u de priester van vandaag?
  11. Er wordt dikwijls gesproken over een derde wereldoorlog. Wat kunnen wij jongeren doen om die te voorkomen?
  12. Wij willen gelukkig zijn. maar is het wel mogelijk om in deze wereld gelukkig te zijn?
  13. Spreek tot ons gewoon over Jezus Christus. Wie is voor u Jezus Christus?
  14. Is het nodig het werk van Vaticanum II voort te zetten?
  15. Wat kan de katholieke Kerk voor de vrede en de gerechtigheid in de wereld doen?
  16. Het zijn mannen die de katholieke Kerk leiden. Hebben de vrouwen er altijd een tweederangs rol?
  17. Op het punt van de seksualiteit neemt de Kerk altijd van die inperkende beslissingen. Waarom? Vreest u niet dat de jongeren zich daardoor geleidelijk van de Kerk zullen verwijderen?
  18. Hoe kun je vandaag de dag getuige van Christus zijn?
  19. Wat is in de Kerk de rol van de leken. en met name van ons, jongeren?
  20. De Kerk is westers. Kan zij wel echt Afrikaans of Aziatisch zijn?
  21. Als wij u deze vragen niet gesteld zouden hebben, wat zou u dan tot ons gezegd hebben?
Het mag dan extra werk met zich hebben meegebracht, de paus heeft de jongeren niet met hun vragen laten zitten. Zijn oorspronkelijke 'monoloogtoespraak' als een 'boodschap aan de jongeren' achterlatend opdat ze zou worden gelezen en bemediteerd is hij in dialoogvorm ingegaan op alle vragen die zij hem hadden gesteld. Hij heeft dat als volgt gedaan: Van harte bedankt voor deze ontmoeting, die jullie hebben willen organiseren als een dialoog. Jullie wilden met de paus spreken. Ik hecht daar veel belang aan, en wel om twee redenen.

De eerste reden is, dat deze manier van doen ons onmiddellijk naar Christus verwijst. Want in Hem voltrekt zich eigenlijk voortdurend een dialoog: Hij is de dialoog van God met de mens en van de mens met God. Allemaal hebben jullie horen zeggen dat Christus het Woord is, het Woord van God, het 'eeuwige Woord'. Dat Woord van God is mensgeworden en is niet het woord van een lange monoloog. maar het Woord van een niet ophoudende dialoog die wordt gehouden in de heilige Geest. Ik weet wel dat deze zin moeilijk te begrijpen is, maar ik zeg hem toch en geef hem jullie mee ter overdenking. Hebben we vanmorgen Red.: het was op Drievuldigheidszondag immers niet het mysterie van de heilige Drievuldigheid gevierd?

De tweede reden is deze: met jullie spreken in dialoogvorm sluit aan bij mijn persoonlijke overtuiging dat dienaar-zijn van het Woord wil zeggen: verkondigen in de zin van antwoorden. Maar om te kunnen antwoorden moet je de vragen kennen. Daarom is het zo goed dat jullie vragen gesteld hebben. Als jullie dat niet hadden gedaan (dat is jullie vraag eenentwintig), dan had ik, om met jullie te kunnen spreken en jullie van antwoord te kunnen dienen, er maar naar moeten raden!

Dat ik tot deze overtuiging ben gekomen, is niet alleen op grond van mijn vroegere ervaring als docent, in cursussen en werkgroepen maar vooral op grond van mijn ervaring als predikant, bij het houden van preken en met name bij het geven van retraites. Het grootste deel van de tijd dat ik dat gedaan heb, richtte ik mij tot jongeren. Ik hielp hen om de Heer te ontmoeten, om naar Hem te luisteren en Hem te antwoorden.

Wanneer ik mij nu tot jullie richt, zou ik dat zo willen doen dat ik daarbij minstens indirect al jullie vragen beantwoord. Dat betekent dat ik ze niet één voor één kan gaan behandelen, want in dat geval zouden mijn antwoorden hooguit schematisch kunnen zijn. Als jullie het goedvinden, zou ik daarom die vraag willen uitkiezen die mij het belangrijkste lijkt, de meest centrale vraag, om daar dan vanuit te gaan. En ik hoop dat op die manier dan tevens alle andere vragen beetje bij beetje aan bod komen.

Jullie centrale vraag gaat over Jezus Christus. Jullie willen mij horen spreken over Jezus Christus en vragen wie voor mij Jezus Christus is (het is jullie dertiende vraag). Als jullie het goed vinden zou ik deze vraag naar jullie willen terugspelen, om op mijn beurt te vragen: 'Wie is voor jullie Jezus Christus?" Niet dat ik de vraag probeer te ontwijken, want terwijl ik hem naar jullie terugspeel zal ik tegelijkertijd mijn antwoord geven en zeggen wie Hij voor mij is.

Nu is het evangelie op zichzelf al een dialoog met de mens, met de verschillende generaties, naties en tradities onder de mensen, maar altijd en voortdurend een dialoog met de mens, met iedere mens, deze éne, unieke, en absoluut onherhaalbare mens. Tegelijkertijd echter vind je in het evangelie een grote hoeveelheid dialogen. Persoonlijk vind ik daarvan de dialoog tussen Christus en de jongeman heel welsprekend. Ik zal hem jullie voorlezen, want misschien dat niet ieder van jullie hem zich herinnert. Hij staat in het negentiende hoofdstuk van het evangelie volgens Mattheüs:

Eens kwam iemand naar Hem toe om te vragen: Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven? Hij zei hem: Waarom wilt ge van Mij weten wat goed is? Eén slechts is er goed. Als gij het ben wilt binnengaan onderhoud dan de geboden. Welke? vroeg hij. Jezus antwoordde: De bekende: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, eer uw vader en uw moeder en gij zult uw naaste beminnen als uzelf. Dat heb ik allemaal onderhouden, verklaarde de jongeman, waarin schiet ik nog tekort? Jezus sprak tot hem: Wilt ge volmaakt zijn, ga dan naar huis, verkoop wat ge bezit en geef het aan de armen: daarmee zult ge een schat in de hemel bezitten. En kom dan terug om Mij te volgen. Maar toen de jongeman deze raad hoorde, ging hij ontdaan heen, omdat hij veel goederen bezat.' (Mt. 19. 16-22)
Waarom spreekt Christus nu met deze jongere? Het antwoord kun je vinden in dit stukje evangelie.

En jullie vragen mij waarom ik overal waar ik naar toe ga de jongeren wil ontmoeten? (het is zelfs jullie eerste vraag). Mijn antwoord daarop luidt: omdat het bij de jongeren gaat om mensen die bezig zijn zich op een heel bijzondere en beslissende manier te 'vormen'. Niet dat de mens zich niet heel zijn leven lang vormt: men zegt dat de vorming eigenlijk al vóór de geboorte begint en tot op de laatste dag duurt. Toch is vanuit het oogpunt van de vorming de tijd van de jeugd een bijzonder belangrijke, beslissende en rijke periode. Denk nog maar eens aan de dialoog van Christus met de jongeman, want daarin vind je de bevestiging van wat ik zojuist zei. De jongeman stelt wezenlijke vragen. Hij krijgt dan ook wezenlijke antwoorden. Die vragen en antwoorden zijn niet alleen voor de betreffende jongeman en voor de situatie waarin hij verkeert wezenlijk en belangrijk. Ook voor de hedendaagse situatie zijn zij uiterst belangrijk en wezenlijk. Vandaar dat ik op de vraag of het evangelie nog wel een antwoord kan zijn op de problemen van de hedendaagse mensen (dat is jullie negende vraag), antwoord: niet alleen kan het dat, maar je moet zelfs verder gaan en zeggen: alleen het evangelie geeft een volledig antwoord dat helemaal tot op de bodem van de zaak gaat.

Nu heb ik in het begin gezegd dat Christus het Woord is, en wel het woord van een aanhoudende dialoog. Hij is de dialoog bij uitstek, de dialoog met de mens, ook al zijn er mensen die er niet op ingaan, en ook al weten niet alle mensen hoe ze die dialoog moeten voeren: ja, er zijn zelfs mensen die deze dialoog uitdrukkelijk weigeren. Zij 'gaan heen' ... en toch ... misschien gaat die dialoog toch door, ook in hen. Ja, ik ben ervan overtuigd dat het zo is. Meer dan eens immers treedt die dialoog op een verrassende en onverwachte manier aan het licht.

Ik blijf ook nog even stilstaan bij jullie vraag waarom ik in de verschillende landen waar ik naar toe ga, en ook in Rome, met de diverse staatshoofden spreek (vraag nummer twee). Ik doe dat eenvoudig omdat Christus met alle mensen spreekt, met iedere mens. Bovendien denk ik dat Hij aan mensen met zo'n grote sociale verantwoordelijkheid ongetwijfeld minstens evenveel te zeggen heeft als aan de jongeman uit het evangelie en aan ieder van jullie.

Op jullie vraag waarover ik dan met die staatshoofden spreek, luidt mijn antwoord, dat ik met hen heel dikwijls juist over de jongeren spreek. Want van de jongeren hangt de dag van morgen af.

Die laatste woorden 'de dag van morgen' stammen uit een liedje dat de Poolse jongeren van jullie leeftijd heel dikwijls zingen: 'Van ons hangt af, de morgendag'. Meer dan eens heb ik het samen met hen gezongen. Ik heb het trouwens in het algemeen heel fijn gevonden om samen met de jongeren te kunnen zingen, zowel vanwege de muziek als vanwege de teksten. Ik roep deze herinneringen op omdat jullie mij ook vragen hebt gesteld over mijn vaderland (het is jullie zevende vraag). Maar als ik daarover zou beginnen dan zou ik heel lang moeten spreken! Jullie vragen echter wat Frankrijk van Polen zou kunnen leren, en wat Polen zou kunnen leren van Frankrijk. Meestal denkt men dat Polen meer van Frankrijk heeft geleerd dan Frankrijk van Polen. En inderdaad is Polen, historisch gezien, enkele eeuwen jonger. Toch denk ik dat Frankrijk verschillende dingen zou kunnen leren. Polen heeft geen gemakkelijke geschiedenis gehad, met name niet in de laatste eeuwen. De Polen hebben ervoor 'betaald', en niet zo'n klein beetje ook, om Pool te kunnen zijn, en ook om christen te kunnen zijn ...

Dit antwoord is autobiografisch, - neem me niet kwalijk! - maar jullie zijn het zelf die mij daartoe hebben uitgedaagd! Bovendien zou ik, als jullie het goedvinden, dat autobiografische antwoord nog wat willen uitbreiden naar aanleiding van enkele andere vragen die jullie mij hebben gesteld. Bijvoorbeeld wanneer jullie vragen of de Kerk, die toch 'Westers' is, werkelijk een Afrikaanse of Aziatische Kerk kan zijn (vraag twintig). Nu is deze vraag wel wat breder en gaat ze verder dan die waar we het zojuist over hadden met betrekking tot de Kerk in Frankrijk en Polen - die landen zijn immers allebei 'Westers' terwijl de Kerk er tot hetzelfde Europese en Latijnse cultuurgebied behoort - maar toch kom ik met hetzelfde antwoord. De Kerk, ofschoon krachtens haar aard één en universeel, wordt de Kerk van iedere natie, ieder continent en ieder ras in de mate dat die maatschappijen het Evangelie aanvaarden en het om zo te zeggen tot een eigen bezit maken. Zo ben ik kort geleden in Afrika geweest, waar alles erop wijst dat de jonge kerken van dat werelddeel er zich terdege van bewust zijn dat zij 'Afrikaans' zijn: welbewust streven zij ernaar het christendom te verbinden met de tradities van hun culturen. In Azië meent men daarentegen dikwijls dat het christendom de godsdienst van het Westen is, maar toch twijfel ik er niet aan dat de kerken die daar wortel geschoten hebben, echte Aziatische kerken zijn.

Laten we nu weer terugkeren tot ons voornaamste onderwerp, het gesprek van Christus met de jongeman. Ik zou overigens willen zeggen dat we in feite nog steeds binnen de context ervan gebleven zijn. De jongeman vraagt dus: "Meester, wat voor goeds moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?" En jullie vragen: "Kan men nog gelukkig zijn in de wereld van vandaag?' (het is jullie twaalfde vraag). In feite stellen jullie dezelfde vraag als die jongeman! En het antwoord van Christus - aan hem en ook aan jullie, aan ieder van jullie afzonderlijk - luidt: "Ja, dat kan men!" Want daar komt zijn antwoord op neer, ook al zegt Hij het met andere woorden: "Als je het leven wilt binnengaan, onderhoudt dan de geboden", en even later: "Wil je volmaakt zijn, ga, verkoop wat je bezit, geef het aan de armen en volg Mij". Deze woorden betekenen immers dat een mens alleen maar gelukkig kan zijn wanneer hij de eisen aanvaardt die hem vanuit zijn eigen mens-zijn, vanuit zijn waardigheid als mens gesteld worden: de eisen waarvoor God hem stelt. Christus geeft dus niet alleen maar een antwoord op de vraag of men gelukkig kan zijn, maar Hij zegt meer: Hij zegt tevens hoe men gelukkig kan zijn, op welke voorwaarden. Dat is Zijn heel eigen en oorspronkelijke antwoord, een antwoord dat niet verouderen kan en dat nooit heeft afgedaan. Jullie zouden daar eens heel goed over moeten nadenken en het moeten toepassen op jezelf.

Het antwoord van Christus bestaat overigens uit twee gedeelten. In het eerste gaat het over het onderhouden van de geboden. Ik blijf daar een ogenblik bij stilstaan omdat één van jullie vragen over de beginselen gaat die de Kerk leert op het terrein van de seksuele moraal (het is de zeventiende). Jullie brengen daarin jullie bezorgdheid onder woorden omdat jullie zien dat die beginselen moeilijk zijn en omdat de jongeren zich wel eens om die reden van de Kerk zouden kunnen afwenden. Daarop antwoord ik als volgt: wanneer jullie eens diep zoudt nadenken over deze vraag en daarbij tot op de bodem van het probleem zou gaan, dan zou je zeker merken dat de Kerk op dit terrein eigenlijk niets anders doet dan die eisen te stellen die voortvloeien uit de echte, dat wil zeggen verantwoordelijke huwelijksliefde van de echtgenoten. De Kerk eist niets anders dan datgene wat vereist wordt door de waardigheid van de persoon en door de fundamentele sociale orde. Ik ontken overigens niet dat het eisen zijn, maar daarin ligt juist de kern van het probleem: dat namelijk de mens zich pas echt verwerkelijkt in de mate dat hij zichzelf eisen weet te stellen. Doet hij dat niet, dan gaat hij 'ontdaan heen', zoals we zojuist in het Evangelie hebben gelezen. De situatie waarin op zedelijk gebied alles mag (de morele permissiviteit) maakt de mensen niet gelukkig. De consumptiemaatschappij maakt de mensen niet gelukkig. Dat hebben zij nog nooit gedaan.

In de dialoog tussen Christus en de jongeman zijn er, zoals ik al zei, twee etappes. In de eerste gaat het over de tien geboden, dat wil zeggen: over de fundamentele eisen van de menselijke moraal. Maar in de tweede etappe zegt Christus: "Als je volmaakt wilt zijn ... kom en volg Mij". In dit 'kom en volg Mij' ligt de kern van dit Evangelie, het is er het hoogtepunt van. Deze woorden laten goed zien dat men het christendom niet kan 'leren', als een 'les' die uit talrijke en verschillende 'hoofdstukken' bestaat, maar dat men het altijd in verband moet brengen met een Persoon, met de levende Persoon van Jezus Christus. Jezus Christus is er leidsman: Hij is het voorbeeld. Op verschillende manieren en in verschillende mate kun je Hem navolgen, van Hem de Regel van je eigen leven maken. Ieder van ons is als het ware een bijzondere grondstof waaruit je door Christus te volgen deze concrete, unieke en onherhaalbare gestalte kunt maken die je je christelijke roeping kunt noemen. Het laatste Concilie heeft daar veel over gezegd, met name daar waar het gaat over de roeping van de leken.

Dit verandert overigens niets aan het feit dat dit 'volg Mij' van Christus in zijn eigenlijke betekenis verwijst en ook altijd zal blijven verwijzen naar de roeping tot het priesterschap of tot het godgewijde leven volgens de evangelische raden. Ik zeg dit, omdat jullie mij een vraag gesteld hebben (de tiende) over mijn eigen roeping tot het priesterschap. Ik zal proberen daar in het kort op te antwoorden en me daarbij houden aan het raamwerk van jullie vraag. Om te beginnen dit: ik ben nu al sinds twee jaar paus en meer dan twintig jaar bisschop. Maar het feit dat ik priester ben blijft voor mij toch steeds het belangrijkste: dat ik elke dag de Eucharistie kan vieren, dat ik het eigen offer van Christus mag vernieuwen en in Hem alles aan de Vader kan teruggeven: de wereld, de mensen en mijzelf, wat immers een wezenlijke dimensie is van de Eucharistie. Ik blijf mij dan ook steeds heel levendig die persoonlijke innerlijke ontwikkeling herinneren die erop uitliep dat ik de roep van Christus tot het priesterschap heb gehoord, dat bijzondere 'kom en volg Mij'.

Terwijl ik jullie dit zo toevertrouw, nodig ik jullie tegelijkertijd uit om ook zelf deze woorden uit het Evangelie heel goed te beluisteren. Want als je dat doet dan zal je eigen mens-zijn zijn diepste vorming krijgen en zal de christelijke roeping van ieder van jullie ook echt gestalte krijgen. Misschien dat ook jullie dan de roeping tot het priesterschap of het religieuze leven 'horen'. Nog tot voor kort immers was Frankrijk rijk aan roepingen. Hoeveel mannelijke en vrouwelijke missionarissen heeft Frankrijk niet aan de Kerk gegeven! Ik twijfel er overigens niet aan dat Christus' woord blijft klinken aan de oevers van de Seine, en dat Hij nog steeds hetzelfde appèl doet. Luister daarom aandachtig naar Hem. De Kerk zal altijd behoefte blijven hebben aan mensen die 'uit de mensen gekozen' zijn, en die door Christus op een bijzondere manier 'ten behoeve van de mensen' worden aangesteld.

Jullie hebben ook een vraag gesteld over het gebed (de vierde). Van het gebed bestaan er meerdere omschrijvingen, maar het vaakst wordt het een samenspraak, een gesprek of een onderhoud met God genoemd. Als je een gesprek met iemand hebt, dan ben je niet alleen zelf aan het woord, maar dan luister je ook. Het gebed is dus ook een luisteren. Het bestaat in een luisteren naar de innerlijke stem van de genade, naar de oproep. Hoe de paus bidt? Mijn antwoord: zoals iedere christen. Hij spreekt en hij luistert. Soms bidt hij zonder woorden, en dan luistert hij nog des te meer. Het belangrijkste is juist wat hij 'hoort'. Bovendien probeert hij zijn gebed in verband te brengen met zijn verplichtingen, zijn activiteiten en zijn werk, en om zijn werk te verbinden met gebed. Op die manier probeert hij dag na dag zijn 'dienst' te vervullen, zijn 'ambt' dat hij kreeg krachtens de wil van Christus en door de levende traditie van de Kerk.

Nu vragen jullie mij hoe ik die dienst zie, nu het al weer zo'n twee jaar geleden is dat ik geroepen werd de opvolger van Petrus te worden (vraag zes). Welnu, ik zie haar vooral als een groei in het priesterschap en als een volharden in het gebed, samen met Maria, de Moeder van Christus, zoals de apostelen volhardden in het gebed, daar in Jeruzalem, in de bovenzaal, toen zij de heilige Geest ontvingen. In wat ik ga zeggen naar aanleiding van de volgende vragen zal deze vraag (hoe ik mijn dienst zie) trouwens nog verder beantwoord worden, met name in wat ik ga zeggen naar aanleiding van jullie vraag over de doorvoering van het Tweede Vaticaans Concilie (vraag veertien).

Of die doorvoering mogelijk is? Mijn antwoord daarop luidt: niet alleen is de doorvoering van het Concilie mogelijk, zij is zelfs noodzakelijk! Dit antwoord is vóór alles een antwoord vanuit het geloof. Het is het eerste antwoord dat ik daags na mijn verkiezing aan de kardinalen gegeven heb die in de Sixtijnse kapel bijeen waren. Ditzelfde antwoord gaf ik trouwens al, aan mijzelf en aan anderen, in de tijd dat ik bisschop was en later als kardinaal. En ik houd niet op dit antwoord te geven! Want hier ligt het centrale probleem.

Ik geloof dat in het Concilie voor de Kerk van onze tijd die woorden werkelijkheid zijn geworden waarmee Christus aan zijn Kerk de 'Geest der waarheid' heeft beloofd, die geest en hart van de apostelen zou leiden, die hen in staat zou stellen in de waarheid te blijven en de Kerk in de waarheid te leiden, en die hen zou helpen de tekenen van de tijd te herlezen in het licht van deze waarheid. Dat is het nu juist wat het Concilie gedaan heeft ten aanzien van de noden van onze tijd. Ik geloof dat dankzij het Concilie 'de heilige Geest tot de Kerk spreekt', om een uitdrukking op te nemen van de apostel Johannes. Wij van onze kant zijn verplicht om op vastberaden en eerlijke manier te verstaan 'wat de Geest zegt', en om het zo ten uitvoer te brengen dat wij daarbij vermijden af te dwalen van de weg die het Concilie in zoveel opzichten heeft aangegeven.

De dienst van de bisschop, en in het bijzonder die van de paus, gaat dan ook gepaard met een heel bijzondere verantwoordelijkheid voor wat 'de Geest zegt': zij zijn door een bijzondere verantwoordelijkheid gebonden aan het hele geloofsgoed van de Kerk en aan het geheel van de christelijke moraal. Dit geloof en deze moraal hebben de bisschoppen, samen met de paus, in de Kerk te onderwijzen, terwijl zij in het licht van de altijd levende traditie ervoor waken dat zij in overeenstemming blijven met het geopenbaarde Woord van God. Daarom hoort het tot hun taak soms openlijk vast te stellen dat bepaalde meningen of publicaties deze overeenstemming niet blijken te bezitten, dat zij niet de echte christelijke geloofs- en zedenleer bevatten. Ik breng dit ter sprake omdat jullie mij ernaar gevraagd hebben (vraag vijf). Als we meer tijd hadden, dan zouden we op dit probleem veel uitvoeriger kunnen ingaan te meer omdat op dit terrein de valse informaties en de verkeerde uitleg niet ontbreken maar voor vandaag moeten we het bij deze woorden laten.

Het werk van de eenheid onder de christenen houd ik voor een van de grootste en tegelijkertijd mooiste taken van de Kerk in onze tijd. Jullie zouden graag willen weten of ik die eenheid ook verwacht en hoe ik me die voorstel (vraag drie). Mijn antwoord daarop komt op hetzelfde neer als wat ik gezegd heb naar aanleiding van de doorvoering van het Concilie. Want ook in het werk van de eenheid zie ik een bijzondere oproep van de heilige Geest. Voor wat betreft de realisering ervan, en de verschillende etappes van die realisering, daarvoor vinden we de basiselementen in de leer van het Concilie. Die moeten we in praktijk brengen, er de concrete toepassingen van zoeken, en vooral: steeds met vurigheid, volharding en nederigheid bidden. Want de eenheid van de christenen kan niet anders bereikt worden dan doorheen een diepe groei in de waarheid, en door een voortdurende bekering van de harten. Dit alles hebben wij te doen in de mate dat wij daar menselijk toe in staat zijn, en daarbij zijn historische ontwikkelingen te hernemen die eeuwen geduurd hebben. Maar uiteindelijk zal die eenheid, waarvoor we overigens geen inspanningen noch werkzaamheden moeten schuwen, een gave zijn van Christus aan Zijn Kerk. Precies zoals het reeds een van Zijn gaven is dat wij de weg naar die eenheid opgegaan zijn.

Ga ik verder met jullie vragenlijst, dan luidt mijn volgende antwoord dat ik al heel dikwijls over de plichten van de Kerk op het terrein van de gerechtigheid en de vrede (vijftiende vraag) gesproken heb, geheel in de lijn van de werkzaamheid van mijn grote voorgangers Johannes XXIII en Paulus VI. Zo ben ik bijvoorbeeld heel concreet van plan om morgen in de zetel van de Unesco daarover het woord te nemen. Ik verwijs naar dat alles omdat jullie vragen: "Wat kunnen wij jongeren voor deze zaak doen? Kunnen wij iets doen om een nieuwe oorlog te voorkomen, die onvergelijkelijk zou zijn en verschrikkelijker dan de vorige?" (zie vraag elf).

Ik denk dat jullie het antwoord waar je om vraagt, vinden kunt in het formuleren zelf van jullie vragen. Lees die vragen, overweeg ze, maak er een gemeenschappelijk programma van, een levensprogramma. Jullie jongeren hebt immers nu al de mogelijkheid om de vrede en de rechtvaardigheid te bevorderen, daar waar jullie staan, in jullie eigen wereld. Dat vereist bepaalde houdingen als

  • waakzaamheid bij het oordelen,
  • waarheid omtrent jezelf en anderen,
  • verlangen naar rechtvaardigheid op basis van
    • respect voor de anderen,
    • voor hun anderszijn en
    • voor hun basisrechten.
Zo wordt er een klimaat van broederlijkheid voorbereid voor de dag van morgen, voor de tijd dat jullie veel grotere verantwoordelijkheden zullen dragen in de maatschap_pij. Wie een nieuwe en broederlijke wereld wil maken, die moet daarvoor nieuwe mensen klaarmaken.

En nu de vraag over de Derde Wereld (vraag acht). Dat is een groot probleem van historische aard, een kwestie van cultuur en beschaving. Maar het is bovenal een moreel probleem. Terecht vragen jullie hoe de betrekkingen dienen te zijn tussen onze landen en de landen van de Derde Wereld, in Afrika en in Azië, want hier liggen grote verplichtingen van morele aard. Onze Westerse wereld is immers tegelijkertijd een Noordelijke wereld, zij is Europees of Atlantisch. De rijkdom en de vooruitgang van onze wereld is veel verschuldigd aan de mensen en hulpbronnen uit de Zuidelijke continenten. In de nieuwe situatie echter, waarin wij ons na het Concilie bevinden, kan onze Westerse wereld niet langer in die continenten de hulpbronnen gaan opsporen voor haar eigen verdere verrijking en vooruitgang. Wij moeten welbewust en georganiseerd de ontwikkeling van die landen gaan dienen.

Misschien ligt hier wel het belangrijkste probleem als het gaat over de vrede en de rechtvaardigheid in de wereld van vandaag en morgen. De oplossing van dit probleem hangt af van de edelmoedigheid die nu wordt opgebracht, en zij zal afhangen van jullie generatie en van de generaties die nog zullen volgen. Ook op dit punt gaat het erom het getuigenis voor Christus voort te zetten dat door meerdere voorgaande generaties van missionarissen, religieuzen en leken is afgelegd.

Hoe je vandaag de dag getuige van Christus kunt zijn? (vraag nummer achttien). Dat is inderdaad de fundamentele vraag, en zij vormt de voortzetting van de meditatie die we tot centrum hebben gemaakt van onze dialoog, het onderhoud met de jongeren. Christus zegt: "Volg Mij. Hij heeft dat tegen Simon gezegd, de zoon van Jona, aan wie Hij de naam Petrus heeft gegeven: en tegen diens broer Andreas, tegen de zonen van Zebedeüs en tegen Natanaël. Hij zegt: "Volg Mij", om dan later, na Zijn verrijzenis, te zeggen: "Gij zult Mijn getuigen zijn" (Hand. 1. 8). Om Christus' getuige te kunnen zijn, om van Hem te kunnen getuigen moet je Hem eerst volgen. Je moet Hem eerst leren kennen, je moet om zo te zeggen bij Hem op school gaan, en helemaal doordringen in zijn mysterie. Dat is de fundamentele en centrale opgave. Doen we dat niet, en zijn wij niet bereid om dat steeds en oprecht te blijven doen, dan loopt ons getuigenis het risico oppervlakkig en louter uiterlijk te worden. Het riskeert dat het op den duur geen getuigenis meer is. Maar als wij daar alle aandacht aan blijven geven, dan zal Christus zelf ons door Zijn Geest leren wat wij moeten doen, hoe wij ons te gedragen hebben, waar en hoe wij ons moeten inzetten, en hoe wij die dialoog met de hedendaagse wereld te voeren hebben die Paulus VI 'de dialoog van het heil' noemde.

En als jullie mij dan vragen (nummer negentien): "Wat moeten wij, jongeren, in die Kerk doen?", dan luidt mijn antwoord: Christus leren kennen, aanhoudend en voortdurend leren wie Christus is. In Hem vind je werkelijk onpeilbare schatten van wijsheid en wetenschap. In Hem wordt de mens, de mens die gebukt gaat onder zijn beperkingen, zijn gebreken, zijn zwaktes en zijn zonden, werkelijk de "nieuwe mens". In Hem wordt hij de 'mens voor anderen'. en tevens 'de glorie van God', want, zoals in de tweede eeuw de heilige Ireneüs van Lyon (bisschop en martelaar) zei: "De glorie van God dat is de levende mens".

De ervaring van tweeduizend jaar leren ons dat er op dit punt, in dit fundamentele werk, in deze zending van heel het volk van God, geen sprake is van enig wezenlijk verschil tussen man en vrouw (vraag zestien). Ieder immers wordt, volgens de eigen kenmerken van het man-zijn en vrouw-zijn, op eigen wijze die 'nieuwe mens'. die 'mens voor anderen', en als levende mens wordt ieder zo de glorie van God. Is dit waar, zoals het ook waar is dat de Kerk in hiërarchische zin geleid wordt door de opvolgers van de apostelen en dus door mannen, dan is het zeker ook waar dat in charismatische zin de vrouwen haar evenzeer 'leiden'. en wellicht zelfs meer: ik nodig jullie dan ook uit om vaak aan Maria te denken, de Moeder van Christus.

Tenslotte bedankte de paus de jongeren voor de vele brieven die zij hem geschreven hadden en drukte hen op het hart om deze eenheid met hem en met de jongeren in heel de Kerk steeds sterker te laten worden 'in de geestelijke zekerheid dat Christus onze Weg is, onze Waarheid en ons Leven'.

Document

Naam: VRAGEN AAN DE PAUS
Tot de jongeren van Frankrijk in het stadion Parc des Princes, Parijs
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 1 juni 1980
Copyrights: © 1981, Stichting Verkondiging, Roermond
Bewerkt: 29 augustus 2016

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam