• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

‘GOD HEEFT GESPROKEN. MAAR HOE KOMT DE MENS DAT TE WETEN?’
Bij de eerste sessie van de plenaire vergadering van de Synode - In de synode-aula

Hymne van de Terts, Getijdengebed voor de middag

Kom, Geest, die zijt in 't hemelrijk,
de Vader en de Zoon gelijk,
en overstroom met overmacht
ons hart dat op uw zegen wacht.

Mond, tong, en geest en zin en kracht,
belijden zingende uw macht,
geef dat uw vuur dwars door ons gaat
en naar de naaste overslaat.

Getrouwe Vader, zie ons aan,
wees, Vaders Zoon, met ons begaan,
vertroost ons, Geest, in deze tijd,
Gij die regeert in eeuwigheid.

Amen


Nunc, Sancte, nobis, Spiritus,
unum Patri cum Filio,
dignare promptus ingeri
nostro refusus pectori.

Os, lingua, mens, sensus, vigor
confessionem personent,
flammescat igne caritas,
accendat ardor proximos.

Praesta, Pater piisime,
Patrique compar Unice,
cum Spiritu Paraclito
regnans per omne saeculum.

Amen


De Heilige Vader sprak deze meditatie uit, zonder uitgeschreven tekst, uit de volheid van zijn hart, na de Terts bij de opening van de eerste algemene zitting van de Synode.

Dierbare broeders,

Mijn overweging gaat over het woord ‘evangelium’ / ‘euangelisasthaiVgl. Lc. 4, 18 . Tijdens deze Synode willen we beter leren kennen wat de Heer ons zegt en wat wij kunnen of moeten doen. Mijn overweging bestaat uit twee delen: eerst een reflectie over de betekenis van deze woorden en daarna zou ik de Hymne van het Gebed voor de middag ‘Nunc, Sancte, nobis Spiritus’ willen proberen te interpreteren.

evangelium’ / ‘euangelisasthai

Het woord ‘evangelium’ / ‘euangelisasthai’ heeft een lange geschiedenis. Het komt voor in Homerus: het is het bericht van een overwinning, en dus de verkondiging van goeds, van vreugde, van geluk. Het komt vervolgens voor in de Tweede Jesaja Vgl. Jes. 40, 9 Noot van de redactie:  als stem die van Godswege vreugde verkondigt, als stem die doet begrijpen dat God zijn volk niet vergeten is, dat God, Die zich schijnbaar bijna uit de geschiedenis had teruggetrokken, er is, aanwezig is. En God heeft macht, God geeft vreugde, opent de poorten van de ballingschap; na de lange nacht van de ballingschap verschijnt zijn licht en dat geeft zijn volk de mogelijkheid terug te keren, vernieuwt de geschiedenis van het goede, de geschiedenis van zijn liefde. In onze context van de evangelisatie vallen vooral drie woorden op: dikaiosyne, eirene, soteria: gerechtigheid, vrede, verlossing. Jezus zelf heeft in Nazareth deze woorden van Jesaja in de mond genomen, wanneer Hij over dit ‘Evangelie’ spreekt dat Hij precies nu aan de uitgeslotenen, de gevangenen, de lijdenden en de armen komt brengen.

Maar voor de betekenis van het woord ‘evangelium’ in het Nieuwe Testament is behalve dit – de Tweede Jesaja, die de deur opent – ook belangrijk hoe het woord gebruikt werd door het Romeinse Rijk, vanaf keizer Augustus. Hier betekent ‘evangelium’ een woord, een boodschap van de Keizer. Een bericht van de Keizer brengt dus – als zodanig – goeds: is vernieuwing van de wereld, is verlossing. Bericht van de Keizer en als zodanig boodschap van kracht en van macht; een boodschap van verlossing, van vernieuwing en welzijn. Het Nieuwe Testament accepteert deze situatie. Sint Lucas vergelijkt Keizer Augustus uitdrukkelijk met het Kind dat geboren is te Bethlehem: ‘evangelium’ – zo zegt hij – is, inderdaad, een woord van de Keizer, van de ware Keizer van de wereld. De ware Keizer van de wereld heeft van zich laten horen, spreekt met ons. En dit feit is, als zodanig, redding, want het grote lijden van de mens – toen net zozeer als nu – is precies dit: is er achter de stilte van het universum, achter de wolken van de geschiedenis, een God of niet? En als deze God er is, kent Hij ons, heeft Hij met ons te maken of niet? Is deze God goed en heeft de realiteit van het goede in de wereld macht of niet? Deze vraag is vandaag net zo actueel als in die tijd. Veel mensen vragen zich af: is God een hypothese of niet? Is Hij een werkelijkheid of niet? Waarom laat Hij niet van zich horen? ‘Evangelie’ wil zeggen: God heeft zijn stilte verbroken, God heeft gesproken, God is er. Dit feit is, als zodanig, verlossing: God kent ons, God houdt van ons, is binnengetreden in de geschiedenis. Jezus is zijn Woord, de God met ons, de God die laat zien dat Hij van ons houdt, dat Hij met ons medelijdt tot aan de dood, en verrijst. Dat is het Evangelie zelf. God heeft gesproken, Hij is niet langer de grote onbekende, maar heeft zichzelf getoond en dat is de verlossing.
Nunc, Sancte, nobis Spiritus
De kwestie voor ons is: God heeft gesproken, Hij heeft echt de grote stilte verbroken, Hij heeft zich laten zien, maar hoe kunnen wij deze realiteit bij de mens van vandaag brengen, zodat ze verlossing wordt? Het feit dat Hij gesproken heeft, is op zichzelf verlossing, redding. Maar hoe komt de mens het te weten? Dit punt lijkt me een kwestie te zijn, maar ook een vraag, een mandaat aan ons: we kunnen een antwoord vinden als we de Hymne van het Gebed voor de middag ‘Nunc, Sancte, nobis Spiritus’ overwegen. De eerste strofe zegt: ‘Dignare promptus ingeri / nostro refusus, pectori’, dat wil zeggen we bidden dat de Heilige Geest mag komen, in ons en met ons mag zijn. Met andere woorden: wij kunnen de Kerk niet maken, we kunnen enkel doen kennen wat Hij gedaan heeft. De Kerk begint niet met ons ‘doen’, maar met het ‘doen’ en het ‘spreken’ van God. Zo hebben de Apostelen niet na een paar vergaderingen gezegd: laten we nu een Kerk creëren, en met een soort grondwetgevende vergadering een constitutie uitgewerkt. Nee, ze hebben gebeden en in gebed afgewacht, want ze wisten dat alleen God zelf zijn Kerk kan scheppen, dat God de eerste handelende persoon is: als God niet handelt, dan zijn onze dingen enkel van ons en zijn ze onvoldoende; alleen God kan ervan getuigen dat Hij het is die spreekt en gesproken heeft. Pinksteren is de conditie voor de geboorte van de Kerk: alleen omdat God eerst gehandeld heeft, kunnen de Apostelen met Hem en met Zijn aanwezigheid handelen en present stellen wat Hij doet. God heeft gesproken en dit ‘heeft gesproken’ is de voltooide tijd van het geloof, maar het is ook altijd een tegenwoordige tijd: wat God volbracht heeft, is niet slechts een verleden, want het is een echt verleden dat altijd het heden en de toekomst in zich draagt. God heeft gesproken betekent: ‘God spreekt’. En zoals toentertijd enkel met Gods initiatief de Kerk kon ontstaan, het Evangelie bekend kon worden, het feit dat God gesproken heeft en spreekt, zo kan ook vandaag enkel God beginnen, wij kunnen slechts meewerken, maar het begin moet van God komen. Daarom is het geen loutere formaliteit als we elke dag onze Zitting beginnen met gebed: het beantwoordt aan de werkelijkheid zelf. Alleen Gods voorafgaan maakt onze weg, ons meewerken mogelijk: altijd een meewerken, nimmer een pure beslissing van ons. Daarom is het belangrijk altijd te weten dat het eerste woord, het ware initiatief, het ware handelen van God komt en dat enkel als we ons voegen in dit goddelijke initiatief, enkel als we dit goddelijke initiatief afsmeken, ook wij – met Hem en in Hem – evangelisatoren kunnen worden. God is altijd het begin, en altijd kan alleen Hij het Pinksteren laten worden, de Kerk creëren, de werkelijkheid van Zijn met-ons-zijn tonen. Maar van de andere kant wil deze God, die altijd het begin is, ook ons engagement, wil Hij ons erbij betrekken, ons laten handelen, zodat ons handelen theandrisch Noot van de vertaler: god-menselijk wordt, om het zo te zeggen, gemaakt door God maar met ons engagement en met inbegrip van ons zijn en heel ons handelen.
Als wij dus de nieuwe evangelisatie realiseren is het altijd een meewerken met God, houdt het stand met God, is het gefundeerd op het gebed en op Zijn werkelijke aanwezigheid.
Welnu, dit handelen van ons, dat volgt uit het initiatief van God, vinden we beschreven in de tweede strofe van deze Hymne: ‘Os, lingua, mens, sensus, vigor, / confessionem personent, / flammescat igne caritas, accendat ardor proximos’. Hier hebben we, in twee regels, twee beslissende zelfstandig naamwoorden: ‘confessio’ in de eerste regels en ‘caritas’ in het tweede paar regels. ‘Confessio’ en ‘caritas’ als de twee manieren waarop God ons engageert, ons doet handelen met Hem, in Hem en voor de mensheid, voor zijn schepsel: ‘confessio’ en ‘caritas’. En de werkwoorden die erbij horen: in het eerste geval ‘personent’ en in het tweede wordt ‘caritas’ geïnterpreteerd met het woord vuur, brand, aansteken, ontvlammen.
Laten we kijken naar ‘confessionem personent’. Het geloof heeft een inhoud: God deelt zich mee, maar dit Ik van God laat zich werkelijk zien in de figuur van Jezus en wordt geïnterpreteerd in de ‘belijdenis’ ‘confessio’ die ons spreekt van zijn maagdelijke ontvangenis, van zijn Geboorte, van zijn Lijden, van zijn Kruis, van zijn Verrijzenis. Dit zich tonen van God is helemaal een Persoon: Jezus als het Woord, met een heel concrete inhoud die zich uitdrukt in de ‘confessio’. Het eerste punt is dus dat we moeten binnengaan in deze ‘belijdenis’, ons ervan laten doordringen, zodat ‘personent’ Noot van de vertaler:: het verpersoonlijkt wordt – zoals de Hymne zegt – in ons en door middel van ons. Hier moet ook een klein taalkundig feit opgemerkt worden: ‘confessio’ zou in het voorchristelijke Latijn niet ‘confessio’ zijn maar ‘professio’ (profiteri) Noot van de vertaler: positief een werkelijkheid voorstellen. Maar het woord ‘confessio’ verwijst naar een rechtbanksituatie, naar een proces tijdens hetwelk iemand besluit te gaan spreken en bekent. Met andere woorden, dit woord ‘belijdenis’ ‘bekentenis’, dat in het christelijke Latijn het woord ‘professio’ is gaan vervangen, draagt het martelaarselement in zich: te getuigen tegenover instanties die het geloof vijandig gezind zijn, getuigen ook in situaties van lijden en levensgevaar. Wezenlijk bestanddeel van de christelijke belijdenis is de bereidheid te lijden: dit lijkt me heel belangrijk. Altijd behoort tot het wezen van de ‘confessio’ van ons Credo de bereidheid tot de passie, tot het lijden, meer nog, tot de gave van het eigen leven. En precies dat waarborgt de geloofwaardigheid: de ‘confessio’ is niet iets wat we ook achterwege zouden kunnen laten; de ‘confessio’ impliceert de beschikbaarheid om mijn leven te geven, om het lijden te aanvaarden. Precies dit is tegelijkertijd de verificatie van de ‘confessio’. Zo zien we dat voor ons de ‘confessio’ geen woord is, maar meer is dan pijn, meer dan de dood. Het is werkelijk de moeite waard om voor de ‘confessio’ te lijden, dat wil zeggen te lijden tot de dood erop volgt. Wie deze ‘confessio’ doet, toont zo aan dat wat hij belijdt echt meer is dan het leven: het is het leven zelf, de schat, de kostbare en eindeloze parel. Juist in de martelaarsdimensie van het woord ‘confessio’ komt zijn waarheid naar boven: die zich enkel verifieert voor een werkelijkheid waarvoor het de moeite waard is te lijden, die sterker is ook dan de dood; in die dimensie toont zich dat het waarheid is wat ik in mijn hand houd, dat ik zekerder ben, dat ik mijn leven ‘draag’ omdat ik het leven vind in deze belijdenis.

Nu gaan we kijken tot waar deze ‘belijdenis’ zou moeten doordringen: ‘Os, lingua, mens, sensus, vigor’. Uit het tiende hoofdstuk van Sint Paulus’ Brief aan de Romeinen weten we dat de ‘belijdenis’ in het hart is en in de mond Vgl. Rom. 10, 8-10 : het is nooit louter iets in het hart, maar neigt ertoe doorgegeven te worden, werkelijk beleden te worden ten overstaan van de wereld. Zo moeten we, van de ene kant, leren werkelijk – laten we zeggen – tot in ons hart doordrongen te zijn van de ‘belijdenis’ (zo wordt ons hart gevormd) en vanuit ons hart ook, samen met de grote geschiedenis van de Kerk, het woord en de moed van het woord vinden, en het woord dat ons heden beschrijft, deze ‘belijdenis’ die toch altijd dezelfde is. ‘Mens’: de ‘belijdenis’ is niet slechts iets van het hart en van de mond, maar ook van het verstand; ze moet doordacht worden en zo, doordacht en op intelligente wijze opgevat, raakt ze de ander; het veronderstelt altijd dat mijn denken werkelijk geplaatst is binnen de ‘belijdenis’. ‘Sensus’: het is niet iets puur abstracts en intellectueels, de ‘confessio’ moet ook de zintuigen van ons leven doordringen. Sint Bernardus van Clairvaux heeft ons gezegd dat God, in zijn openbaring, in de heilsgeschiedenis, onze zintuigen de mogelijkheid gegeven heeft de openbaring te zien, aan te raken, te smaken. God is niet meer iets puur geestelijks: Hij is binnengegaan in de wereld van de zintuigen en onze zintuigen moeten vol zijn van deze smaak, van deze schoonheid van het Woord van God, die realiteit is. ‘Vigor’: het is de levenskracht van ons zijn en ook de rechtskracht van een realiteit. Met al onze vitaliteit en kracht moeten we doordrongen worden van de ‘confessio’, die werkelijk moet ‘personare’; Gods melodie moet de toon aangeven van ons zijn in zijn totaliteit.

‘Confessio’ is de eerste zuil – om het zo te zeggen – van de evangelisatie en de tweede is ‘caritas’. De ‘confessio’ is niet iets abstracts, is ‘caritas’, liefde. Alleen zo is ze werkelijk de weerschijn van de goddelijke waarheid, die als waarheid onscheidbaar ook liefde is. De tekst beschrijft deze liefde met heel krachtige woorden: brand, vuur, ze steekt anderen aan. We hebben een passie die moet groeien vanuit het geloof, die in de liefde vuur moet worden. Jezus heeft ons gezegd: ‘Ik ben gekomen om vuur op aarde te brengen en hoe verlang ik dat het reeds oplaait’. Vgl. Lc. 12, 49 Origenes heeft ons een woord van de Heer overgeleverd: ‘Wie dichtbij Mij is, is dichtbij het vuur’. De christen mag niet lauw zijn. De Apocalyps zegt ons dat dat het grootste gevaar voor de christen is: niet dat hij nee zegt, maar dat hij een heel lauw ja zegt. Deze lauwheid brengt het christendom echt in diskrediet. Het geloof moet in ons liefdesvuur worden, vuur dat werkelijk mijn zijn ontsteekt, grote passie van mijn zijn wordt, en zo de naaste aansteekt. Zo gaat de evangelisatie: ‘Accendat ardor proximos’, dat de waarheid in mij liefde worde en deze liefde als een vuur ook de ander aansteke. Alleen in dit de ander aansteken door het vuur van onze liefde, neemt werkelijk de evangelisatie toe, de aanwezigheid van het Evangelie, dat niet meer louter woord is, maar geleefde werkelijkheid.
Sint Lucas vertelt ons dat op Pinksteren, bij deze stichting van de Kerk door God, de Heilige Geest vuur was dat de wereld veranderd heeft, maar vuur in de vorm van tongen, dat wil zeggen vuur dat toch ook redelijk is, dat geest is, dat ook begrip is; vuur dat verenigd is met het verstand, met de ‘mens’. En juist dit intelligente vuur, deze ‘sobria ebrietas’ Noot van de vertaler: nuchtere dronkenschap, is kenmerkend voor het christendom. We weten dat het vuur aan het begin staat van de menselijke cultuur; het vuur is licht, is warmte, is kracht tot omvorming. De menselijke cultuur begint op het moment dat de mens de macht heeft om vuur te maken: met het vuur kan hij vernietigen, maar met het vuur kan hij ook omvormen, vernieuwen. Gods vuur is omvormend vuur, passievuur dat – zeker – ook veel in ons vernietigt, dat tot God voert, maar vuur vooral dat omvormt, vernieuwt en een nieuwe mens schept, die licht wordt in God.
Zo kunnen we tenslotte slechts bidden tot de Heer dat de ‘confessio’ in ons diepe wortel mag schieten en dat ze vuur wordt dat de anderen aansteekt; zo wordt het vuur van zijn aanwezigheid, de nieuwheid van zijn zijn-met-ons, werkelijk zichtbaar en kracht voor het heden en voor de toekomst.

Document

Naam: ‘GOD HEEFT GESPROKEN. MAAR HOE KOMT DE MENS DAT TE WETEN?’
Bij de eerste sessie van de plenaire vergadering van de Synode - In de synode-aula
Soort: Paus Benedictus XVI - Toespraak
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 8 oktober 2012
Copyrights: © 2012, Libreria Editrice Vaticana / www.voorhof.net
Vert.: M. Peeters, pr.; alineaverdeling en -nummering, tussentitels: redactie
Vert. Hymne: Dr. J W Schulte, 1965 Declée et Cie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam