• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET SPANNINGSVELD TUSSEN MENSELIJKE ZWAKTE EN GODDELIJKE GENADE
Op het Hoogfeest van de HH. Petrus en Paulus, waarbij o.a. het opleggen van het pallium

Heren Kardinalen,
Vereerde Broeders in het bisschopsambt en het priesterschap,
Dierbare zusters en broeders,

Aartsbisschop Chaput van Philadelphia ontvangt het palliumWij zijn samen rond het altaar om de heiligen Petrus en Paulus, de belangrijkste patronen van de Kerk van Rome, plechtig te vieren. Aanwezig zijn de aartsbisschoppen die in het afgelopen jaar benoemd werden en die zopas het pallium ontvingen en die ik bijzonder en hartelijk groet. Eveneens aanwezig is een hoge delegatie van het Oecumenisch Patriarchaat van Constantinopel, gezonden door Zijne Heiligheid Bartolomeüs I, die ik met broederlijke en hartelijke erkentelijkheid verwelkom. In oecumenische geest verheugt het mij het koor van Westminster Abbey te begroeten en te danken, dat samen met het koor van de Sixtijnse Kapel de liturgie opluistert. Ik begroet eveneens de Heren ambassadeurs en de burgerlijke autoriteiten: dank aan u allen voor uw aanwezigheid en gebed.

Zoals iedereen weet, staan voor de Sint-Pietersbasiliek twee indrukwekkende beelden van de apostelen Petrus en Paulus, gemakkelijk herkenbaar aan hun attributen: de sleutels in de hand van Petrus en het zwaard in die van Paulus. Ook de hoofdingang van de basiliek Sint-Paulus-buiten-de-muren geeft taferelen weer uit het leven en het martelaarschap van deze twee zuilen van de Kerk. De christelijke traditie heeft de heilige Petrus en de heilige Paulus steeds onafscheidelijk gezien: samen vertegenwoordigen zij inderdaad heel het Evangelie van Christus. Hun band als broeders in het geloof heeft daarenboven een bijzondere betekenis gekregen in Rome. De christengemeenschap van deze Stad beschouwt hen namelijk als een soort tegen-altaar ten overstaan van de mythologische Romulus en Remus, de broeders aan wie de stichting van Rome werd toegeschreven. Men had ook aan een ander tegengesteld parallellisme kunnen denken, ook binnen het thema van de broederschap: terwijl de eerste broederschap in de Bijbel ons het resultaat van de zonde toont waardoor Kaïn Abel doodt, hebben Petrus en Paulus - die menselijk gesproken zeer sterk van elkaar verschilden en in wiens verstandhouding conflicten niet ontbraken - een nieuwe manier van broederschap gerealiseerd, namelijk volgens het Evangelie, een authentieke manier die mogelijk werd door de genade van het Evangelie van Christus die in hen werkzaam was. Alleen navolging van Christus leidt naar deze nieuwe broederschap: dit is de eerste fundamentele boodschap die het hoogfeest van vandaag ieder van ons biedt en waarvan het belang ook weerspiegeld wordt in de zoektocht naar de volle gemeenschap waarnaar het Oecumenisch Patriarchaat en de Bisschop van Rome streven, evenals alle Christenen.

In de passage uit het Evangelie van de heilige Matteüs die we zojuist hoorden, belijdt Petrus zijn geloof in Jezus en erkent Hem als Messias en Zoon van God; hij doet dit tevens in naam van de andere apostelen. In Zijn antwoord openbaart de Heer hem de zending die Hij hem wil toevertrouwen: ‘steen’, ‘rots’ te zijn, de zichtbare fundering waarop heel het geestelijke bouwwerk van de Kerk is opgericht Vgl. Mt. 16, 16-19 . Doch op welke manier is Petrus de rots? Hoe moet hij van dit voorrecht gebruik maken, dat hij natuurlijk niet voor zichzelf ontvangen heeft? Het verhaal van de evangelist Mattheüs zegt ons vooral dat de erkenning van Jezus’ identiteit die Simon in naam van de Twaalf heeft uitgesproken, niet “van vlees en bloed” komt, dat wil zeggen van menselijke capaciteiten, maar van een bijzondere openbaring van God de Vader. Onmiddellijk daarna echter, wanneer Jezus Zijn lijden, dood en verrijzenis aankondigt, reageert Simon Petrus echt vanuit “vlees en bloed”: hij “begon Hem ernstig daarover te onderhouden: ... Zo iets mag U nooit overkomen!” (Mt. 16, 22). En Jezus zegt op Zijn beurt: “Ga weg, satan, terug! Gij zijt Mij een aanstoot” (Mt. 16, 23). De leerling die door Gods gave, een stevige rots kan worden, toont ook zijn ware aard in zijn menselijke zwakheid: een steen op de weg, een steen waaraan men zich kan stoten – in het Grieks, “skandalon”. Hier blijkt duidelijk de spanning tussen de gave van de Heer en de menselijke capaciteiten; en in deze scène tussen Jezus en Simon Petrus zien wij enigszins het drama geanticipeerd van de geschiedenis van het pausdom, die gekenmerkt wordt door het samengaan van deze twee elementen: enerzijds is het pausdom dank zij het licht en de kracht van boven, het fundament van de pelgrimerende Kerk in de tijd; anderzijds komt in de loop der eeuwen ook de zwakheid van de mens naar boven, die alleen door openheid voor Gods werking kan omgevormd worden.

Uit het Evangelie van vandaag komt de duidelijke belofte van Jezus’ kracht naar voor: “de poorten van de hel”, dat wil zeggen de krachten van het kwaad, zullen niet overheersen, “non praevalebunt”. Het roepingverhaal van de profeet Jeremia komt voor de geest, aan wie de Heer een zending toevertrouwt: “Ik maak heden van u een versterkte stad, een ijzeren zuil, een koperen muur tegenover het hele land; de koningen en edelen van Juda, de priesters en de burgers. Zij zullen u bestrijden, maar u niets kunnen doen. Want Ik ben bij u om u te redden” (Jer. 1, 18-19). In feite is Jezus’ belofte aan Petrus nog groter dan die aan de vroegere profeten: dezen werden namelijk uitsluitend bedreigd door menselijke vijanden, terwijl Petrus zal moeten beschermd worden tegen de “poorten van de hel”, de vernietigende macht van het kwaad. Jeremia krijgt een belofte die hem als persoon aangaat en in zijn profetisch ambt . Petrus wordt gerustgesteld aangaande de toekomst van de Kerk, de nieuwe gemeenschap door Jezus Christus gesticht, die zich uitstrekt over alle tijden, verder dan het persoonlijk leven van Petrus zelf.

Laat ons nu overgaan tot het symbool van de sleutels, waarover het Evangelie spreekt dat we pas beluisterden. Het verwijst naar het orakel van de profeet Jesaja over de ambtenaar Eljakim van wie gezegd wordt: “De sleutel van Davids huis leg Ik hem op de schouders, wat hij opent, kan niemand sluiten; wat hij sluit, kan niemand openen” (Jes. 22, 22). De sleutel vertegenwoordigt het gezag over het huis van David. En in het Evangelie richt Jezus zich tot de schriftgeleerden en farizeeën met het verwijt dat zij het Rijk der Hemelen voor de mensen gesloten houden Vgl. Mt. 23, 13 . Dit helpt ons eveneens de belofte aan Petrus te begrijpen: aan hem, als trouwe bedienaar van de boodschap van Christus, komt het toe de deur te openen van het Rijk der Hemelen en te oordelen of men dient te verwelkomen of te verwerpen Vgl. Hand. 3, 7 . De twee beelden – dat van de sleutels en dat van binden en ontbinden, drukken dus gelijkaardige betekenissen uit en versterken elkaar. De uitdrukking “binden en ontbinden” behoort tot het rabbijnse taalgebruik en verwijst enerzijds naar leerstellige beslissingen en anderzijds naar disciplinaire macht, dat wil zeggen naar de mogelijkheid om excommunicatie uit te spreken of op te heffen. Het parallellisme “op aarde ... in de hemel” staat er borg voor dat de beslissingen van Petrus binnen zijn kerkelijke functie, ook waarde hebben bij God.

In hoofdstuk 18 van het Evangelie van Mattheüs, gewijd aan het leven van de Kerkgemeenschap, vinden wij een andere uitspraak van Jezus tot Zijn leerlingen: “Voorwaar, Ik zeg u: wat gij zult binden op aarde zal ook in de hemel gebonden zijn, en wat gij zult ontbinden op aarde zal ook in de hemel ontbonden zijn” (Mt. 18, 18). En de heilige Johannes geeft in het verhaal over de verschijning van de verrezen Christus aan de apostelen op Paasavond, dit woord van de Heer: “Ontvangt de heilige Geest. Aan wie ge de zonden vergeeft, zijn ze vergeven, en aan wie ge ze niet vergeeft, zijn ze niet vergeven” (Joh. 20, 22-23). In het licht van deze parallellen blijkt duidelijk dat het gezag om te binden en te ontbinden ligt in de macht om zonden te vergeven. En deze genade die aan de krachten van chaos en kwaad de energie ontneemt, staat midden in het mysterie en het ambt van de Kerk. De Kerk is niet een gemeenschap van volmaakte personen, maar van zondaars die moeten erkennen dat zij Gods liefde nodig hebben en dat zij zuivering nodig hebben door het kruis van Jezus Christus. Jezus’ woorden over het gezag van Petrus en de apostelen laten juist doorschijnen dat Gods macht de liefde is, de liefde die haar licht vanaf Calvarië verspreidt. Zo kunnen wij ook begrijpen waarom in het evangelieverhaal, op de geloofsbelijdenis van Petrus onmiddellijk de eerste aankondiging van het lijden volgt: door Zijn dood heeft Jezus namelijk de machten van de hel overwonnen, door Zijn bloed heeft Hij een immense stroom van barmhartigheid over de wereld uitgegoten, die met haar zuiverend water heel de mensheid bevloeit.

Dierbare broeders, zoals ik bij de aanvang in herinnering bracht, stelt de iconografische traditie de heilige Paulus voor met een zwaard en wij weten dat dit het werktuig verbeeldt waarmee hij gedood werd. Maar wanneer wij de geschriften van de Apostel van de heidenen lezen, ontdekken wij dat het beeld van het zwaard verwijst naar heel zijn werk als evangelieverkondiger. Wanneer hij bijvoorbeeld de dood voelt naderen, schrijft hij aan Timoteüs: “ik heb de goede strijd gestreden” (2 Tim. 4, 7). Inderdaad niet de strijd van een groot kapitein, maar als verkondiger van het Woord Gods, trouw aan Christus en Zijn Kerk, waaraan hij zich helemaal gegeven heeft. En juist daarom heeft de Heer hem de kroon der glorie gegeven en hem, met Petrus, tot zuil gemaakt van het geestelijke bouwwerk van de Kerk.
Dierbare aartsbisschoppen, het pallium dat ik u gegeven heb, zal u er steeds aan herinneren dat u aangesteld werd in en voor het grote mysterie van de gemeenschap die de Kerk is, het geestelijke bouwwerk op Christus, de hoeksteen, opgericht en in zijn aardse en historische dimensie, op de rots van Petrus. Bezield door deze ingesteldheid, voelen wij ons allen samen medewerkers van de waarheid, die – zoals wij weten – één en ‘symfonisch’ is en die van ieder van ons en van onze gemeenschappen een voortdurend engagement vraagt van bekering tot de ene Heer in de genade van de ene Geest. Moge de Heilige Moeder Gods ons leiden en altijd vergezellen op de weg van het geloof en de naastenliefde. Koningin van de Apostelen, bid voor ons!

Document

Naam: HET SPANNINGSVELD TUSSEN MENSELIJKE ZWAKTE EN GODDELIJKE GENADE
Op het Hoogfeest van de HH. Petrus en Paulus, waarbij o.a. het opleggen van het pallium
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 29 juni 2012
Copyrights: © 2012, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 26 maart 2015

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam