• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

ANIMI NOSTRI ATTENTIONEM
Bij de wijding van 14 Bisschoppen in de Sint Pietersbasiliek

Eerbiedwaardige Broeders en beminde Zonen,

Het heilig mysterie, dat Wij heden zo heerlijk voltrokken hebben, mogen Wij niet stilzwijgend voorbijgaan: het eist Onze grote bewondering en het dient op feestelijke wijze herdacht te worden. Zojuist hebben Wij U, eerbiedwaardige Broeders, tot Bisschoppen van de Heilige Kerk van God geconsacreerd. Wij hebben U uit de rang van het priesterschap bevorderd tot de verheven hoogte van de kerkelijke hiërarchie, waarin de volheid van de priesterlijke macht gelegen is; enerzijds beoogt deze macht op doeltreffende wijze de heiliging van de zielen, anderzijds betreft zij virtueel de leiding van de gelovigen. Hierdoor hebben Wij U een sacramenteel teken, het eeuwigdurend merkteken, ingedrukt, waardoor gij in werkelijkheid zo volledig mogelijk tot een gelijkvormigheid met Christus gevormd wordt.

Dit mysterie heeft tot doel. niet alleen om het beeld van Christus over te dragen, maar ook Zijn hoogverheven kracht, die Hij aan Zijn Kerk heeft verleend opdat deze niet slechts zal leven, maar ook zal groeien, zich uitbreiden en zal opgebouwd worden ,om de heiligen toe te rusten voor het werk der bediening, tot opbouw van het Lichaam van Christus', zoals de H. Paulus met aandrang zegt (Ef. 4, 12). Het betreft hier om zo te zeggen het mysterie van de groei van de steeds bloeiende' boom van Christus. Uit haar, de ware wijnstok, botten nieuwe stekjes, geschikt om nieuw lover te vormen en nieuwe vruchten voor te bereiden, namelijk die van de mystieke wijnrank. Het betreft hier het mysterie, waardoor in ons het bovennatuurlijk leven afdaalt: dit vloeit voort uit God de Vader, het verblijft in Christus, “in wie de gehele Volheid der Godheid lichamelijk woont” (Kol. 2, 9), en Christus heeft het overgebracht op de Apostelen, die Hij gekozen heeft en die Hij met de juiste machtsmiddelen heeft bekleed en uitgerust om Zijn heilzame zending voortdurend over de gehele wereld door de eeuwen heen voort te zetten. In 't kort treedt hier het mysterie van het kenteken van de apostoliciteit op de voorgrond, dat wijst op het geheime plan of op de heilseconomie, die God van alle eeuwigheid heeft gevormd en die Hij in de loop der tijden door de bediening der mensen verwezenlijkt. Dit mysterie heeft betrekking op de vitale kracht en het voortbestaan van de Kerk en op haar vooruitgang, . die meermalen traag en moeilijk schijnt, maar die in deze tijd terstond vruchtbaar blijkt en aangenaam voor onze ogen, die vreugdevol hun bewonderende aandacht op haar gevestigd houden.
Aan de nooit onderbroken ketting van de wettige apostolische opvolging worden nieuwe schakels toegevoegd, en onverwachts wordt de gehele geschiedenis van de Kerk uit vervlogen tijden voor ons zichtbaar als even zovele kanalen van de goddelijke barmhartigheid. Dan verschijnt voor ons een ander visioen, dat in zijn onderscheiden onderdelen vaag wordt waargenomen, maar in grote lijnen duidelijk zichtbaar wordt; het visioen namelijk van de toekomst, van alles wat zal volgen op de gewijde handeling die Wij verricht hebben, van het leven der Kerk, die de volgende generaties der mensen beïnvloedt en omvat.
Wat zijn wij, daar wij immers niet tot toeschouwers maar tot uitvoerders van dit weids en weldadig goddelijk plan gemaakt zijn? Waarom strekt zich goddelijke werking, die gedurende de eeuwen het leven van de mensen beïnvloedt, tot onszelf uit? O, terecht kan ieder van ons uitroepen: “Reeds uit de verte treedt Jahweh mij tegemoet en zegt: met een eeuwige liefde heb ik u liefgehad; daarom heb ik u genadig aangenomen" (Jer. 31, 3).
Wij worden door een tweevoudig gevoel aangegrepen: vooreerst door een gevoel van nederigheid, waardoor Wij gedwongen worden ons neer te werpen en op de knieën te vallen bij de gedachte aan de onuitsprekelijke werking van God onder het uitroepen van de woorden van de H. Petrus tot Jezus: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens” (Lc. 5, 8); vervolgens door een gevoel van vertrouwen, aangespoord door Onze krachten en Onze vreugde, waarbij Wij de woorden van de verheven Maagd Maria herhalen: “Hij deed mij Zijn wonderwerken, die machtig is” (Lc. 1, 49).
Wij worden door een tweevoudig gevoel aangegrepen: vooreerst door een gevoel van nederigheid, waardoor Wij gedwongen worden ons neer te werpen en op de knieën te vallen bij de gedachte aan de onuitsprekelijke werking van God onder het uitroepen van de woorden van de H. Petrus tot Jezus: “Heer, ga van mij weg, want ik ben een zondig mens” (Lc. 5, 8); vervolgens door een gevoel van vertrouwen, aangespoord door Onze krachten en Onze vreugde, waarbij Wij de woorden van de verheven Maagd Maria herhalen: “Hij deed mij Zijn wonderwerken, die machtig is” (Lc. 1, 49).
Bovendien hebt gij deze wijding, waardoor gij tot de opvolgers van de Apostelen gerekend wordt, door toedoen van Ons heilig, hoogverheven en waarachtig ambt• ontvangen, ofschoon zij U is toegediend door de nederige opvolger van de H. Petrus, aan wie de evangelische belofte van het Nieuwe Testament is gegeven: “Op deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen” (Mt. 16, 18). Aldus hebt gij als het ware tastbaar kunnen waarnemen dat uw hand niet door Ons werd aangeraakt en ook niet in eigenlijke zin door de H. Petrus, maar door Christus Zelf, de Allerheiligste en Almachtige God, de goddelijke Stichter van de Kerk en dat gij als “levende stenen” Vgl. 1 Pt. 2, 5 op het fundament van het Huis van God, de Kerk, wordt gebouwd. Herders, die nu door de wijding tot de bisschoppelijke waardigheid zijt uitverkoren, welk een grote troost moet uw geest wel vervullen indien gij eraan denkt dat U de macht van het Rijk van God is ten deel gevallen, die Christus in U bewerkt heeft door tussenkomst van Onze nederige persoon, de erfgenaam van het ambt van de Prins der Apostelen, aan wie de sleutels van het Rijk der hemelen zijn overgedragen.

Indien, zoals de H. Ambrosius berispend tot de Novatianen, zijn tijdgenoten, zegt, “zij immers het erfdeel van Petrus niet bezitten die de Zetel van Petrus niet hebben” H. Ambrosius van Milaan, Tegen de Novatianen, De Paenitentia. P.L. XVI, 496, hoeveel te meer zult gij dan dit erfdeel bezitten, die vanaf deze Zetel zelf, hier bij zijn graf, hier waar hij voortleeft, de heilige schat van de apostolische waardigheid en macht ontvangt. Door de gemeenschap met Petrus, welke gij hier plechtig hebt beleden en die in U leeft, wordt het zuivere kenteken van de apostoliciteit zeer duidelijk en waarachtig bewezen. vgl. Journet, 1, 657

Gij moet U verheugen over dit zo overtuigend bewijs, dat U kracht schenkt en waaruit uw activiteit haar energie put. Eerbiedwaardige Broeders, dit zal des te zekerder gebeuren omdat de bisschopswijding, die Wij U zojuist hebben toegediend, versterkt en gesteund wordt door de plechtige opdracht van Jezus Christus, welke op bevel van de Kerk nader wordt bepaald en verwezenlijkt, die Wij U hebben gegeven en die de Goddelijke Meester op duidelijke wijze in deze betekenisvolle woorden heeft uitgedrukt: “Mij is alle macht gegeven in de hemel en op aarde. Gaat dus en maakt alle volkeren tot Mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest en leert hen te onderhouden alles wat Ik u heb bevolen” (Mt. 28, 18-20).

Daarom heeft de gewijde handeling, die zojuist volbracht is, niet alleen uw zielen geheiligd en U geschikt gemaakt om U tot die bovennatuurlijke daden op te wekken, waardoor het leven van Christus in het lichaam van de Kerk wordt gevoed en begunstigd, maar zij bevat ook een opdracht, zij beschrijft de vorm van de pastorale en missionaire activiteit en zij wordt als het ware een apostolaat voor de mensen, die allen door God geroepen worden tot de waarheid van het Evangelie en tot het eeuwig heil. Het apostolisch merkteken, waarmede gij bekleed zijt, verlangt een heilig apostolaat. Men moet dit dan ook opvatten als een bevel en als een krachtige aansporing waaraan men moet gehoorzamen zonder rekening te houden met eigen zwakheid en met uitbanning van iedere vrees voor uiterlijke moeilijkheden. Het gaat dus om een plicht, waaraan niemand zich ooit mag onttrekken. Hierop zijn wederom de vermanende woorden van de Heilige Paulus zo juist van toepassing: “Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondig” (1 Kor. 9, 16). Hiermede schijnen ook de woorden van de Apostelen Petrus en Johannes in overeenstemming te zijn, toen de jonge Kerk voor het eerst in de stad Jeruzalem werd aangevallen: “Het is voor ons onmogelijk om niet te spreken over hetgeen wij gezien en gehoord hebben” (Hand. 4, 20).

Zo dienen ook zij te spreken, die, zoals gij zelf vandaag, in de volste zin van hét woord “getuigen van het geloof” geworden zijn.
Indien men datgene, wat Wij in het kort hebben besproken, goed overweegt, dan zal dit een duidelijk licht werpen op de innerlijke en bemoedigende waarde van de prediking van het Evangelie of, als men liever een moderne zegswijze wil gebruiken, op de zware taak van het pastorale en missionaire ambt. Krachtens haar natuur behoort de prediking van het Evangelie tot het leven van de Kerk; het gaat hier namelijk immers niet om iets toevalligs, maar om een voorname plicht van de Kerk: deze plicht eist van allen dat zij al hun krachten wijden om deze te volbrengen.
Dit alles is ten volle de oplettende aandacht waard, vooral vandaag, nu wij de dag vieren die tot doel heeft de missies van de Kerk te ondersteunen.
Het zij Ons dus geoorloofd om aan de Almachtige God de verschuldigde dank te brengen, omdat Wij door Zijn goedheid op deze schone dag nieuwe apostelen voor Zijn rijk hebben mogen wijden; mogen Wij ook U, zeer beminde Broeders, die de predikers en de missionarissen van de Kerk zijt, of die bij de volkeren de Apostolische Stoel vertegenwoordigt, met een broederlijk en dankbaar hart bij Ons opnemen; mogen Wij tenslotte uiting geven aan Onze beste wensen voor de heilige taak, die gij weldra op U zult nemen; daar gij bestemd zijt voor een wereld, die wel vijandig en ontrouw is, maar tevens ook vol nood hunkert naar de bovennatuurlijke genade en waarheid, doen Wij deze wensen vergezeld gaan van deze woorden, die opwekken tot vertrouwen en moed: “Weest niet bevreesd, kleine kudde” (Lc. 12, 32). Verdrijft dus alle vrees. Gaat moedig voorwaarts. Nu gij kunt steunen op de rots der Apostelen, moogt gij binnen de grenzen van de normen der Kerk alles aandurven, alles op U nemen, alles verrichten, want Christus zal met U zijn.
Als onderpand van deze hemelse genaden schenken Wij U als vader en broeder van harte de Apostolische Zegen, welke Wij wensen uit te strekken tot uw vaderland, uw religieuze families en tot de arbeidsvelden, welke gij met apostolische ijver zult bewerken.

Document

Naam: ANIMI NOSTRI ATTENTIONEM
Bij de wijding van 14 Bisschoppen in de Sint Pietersbasiliek
Soort: H. Paus Paulus VI - Homilie
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 20 oktober 1963
Copyrights: © 1963, Katholiek archief 18e jrg. nr. 47-48 pag 1242-1247
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 12 november 2018

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam