• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET SACRAMENT VAN BOETE EN VERZOENING OOK VOOR DE PRIESTER VAN GROOT BELANG
Brief aan de Priesters voor Witte Donderdag 2001

Op de dag dat de Heer Jezus, met de gave van de Eucharistie aan de Kerk, ons priesterschap heeft ingesteld kan ik niet anders, inmiddels traditiegetrouw, dan een woord van vriendschap in innige verbondenheid tot u richten, vanuit de wens om samen met u dank en lof te zeggen.

Lauda Sion, Salvatorem, lauda ducem et pastorem, in hymnis et canticis! Waarlijk groot is het mysterie waarvan wij de bedienaren zijn gemaakt. Een mysterie van onbegrensde liefde, want "voorheen hield Hij al van degenen die Hem in de wereld toebehoorden, maar nu zou Hij hun zijn liefde betonen tot het uiterste" (Joh. 13, 1). Een mysterie van eenheid, welke uit de bron van het leven der Drievuldigheid over ons is uitgegoten om ons "een" te maken in de gave van de Geest. Vgl. Joh. Een mysterie van goddelijke diakonia, die het vleesgeworden Woord de voeten van zijn schepping deed wassen en aldus liet zien dat dienstbaarheid de hoofdweg is in alle wezenlijk contact tussen mensen: "Je moet doen zoals Ik voor jullie heb gedaan." Vgl. Joh. 13, 15

Van dit grote mysterie zijn wij op een bijzondere wijze tot getuigen en bedienaren gemaakt.

Dit is de eerste Witte Donderdag na het grote Jubileum. Wat wij samen met onze eigen gemeenschap hebben ervaren bij die speciale viering van vergeving, tweeduizend jaar na de geboorte van Jezus, wordt nu de aanmoediging om de reis voort te zetten. Duc in altum! De Heer nodigt ons uit de netten in het diepe uit te werpen met vertrouwen op zijn woord. Laten we leren van de jubileumervaring en zetten we de taak voort om van het evangelie te getuigen met de geestdrift die in ons wordt teweeggebracht door beschouwing van Christus' gelaat!

Zoals ik benadrukt heb in mijn apostolische Brief H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Novo millennio ineunte
Een nieuw millennium
(6 januari 2001)
moeten wij van Christus uitgaan om, in Hem, onder de "onuitsprekelijke" verzuchtingen van de Geest" (Rom. 8, 26) ontvankelijk te zijn voor de Vaderlijke omhelzing: "Abba, Vader!" (Gal. 4, 6). Christus moet ons vertrekpunt zijn bij de herontdekking van de bron, en de diepe grond voor onze broederschap: "Met de liefde die Ik jullie heb toegedragen, moeten jullie ook elkaar liefhebben" (Joh. 13, 34).

Vandaag wil ik graag ieder van u bedanken voor al wat u gedaan hebt in het Jubileumjaar om wie aan uw zorg zijn toevertrouwd intensiever de reddende aanwezigheid van de verrezen Heer te laten ervaren. Op dit moment denk ik ook aan al het werk dat u elke dag verzet dat vaak verborgen is en zonder krantenkoppen, het Koninkrijk van God in de hoofden en de harten van de mensen dichterbij brengt. Weet dat ik dit bewonder als discreet, volhardend en creatief dienstbetoon, soms ook onder tranen van de ziel die alleen God ziet en "bewaart in zijn kruik". Vgl. Ps. 56, 8 Het is des te bewonderenswaardiger wanneer het op de proef gesteld wordt door tegenstand van een veelal geseculariseerde omgeving met de verleiding het priesterwerk moe te worden en de moed te laten zakken. U weet zeer wel dat zulk een dagelijkse inzet kostbaar is in de ogen van God.

Tegelijkertijd wil ik graag de stem van Christus laten weerklinken die ons onophoudelijk oproept ons contact met Hem te verdiepen. "Zie, Ik sta voor de deur en Ik klop" (Openb. 3, 20). Uitverkoren om Christus te verkondigen worden wij allereerst uitgenodigd om in innige verbondenheid met Hem te leven: we kunnen aan anderen niet geven wat we zelf niet hebben! Er is een honger naar Christus die zich, ondanks veel schijn van het tegendeel, zelfs in de huidige maatschappij voordoet. Zij is aanwezig in al de onsamenhangendheid van de nieuwe vormen van spiritualiteit. Zij is zelfs te zien waar het getuigenis van de Kerk een teken van tegenspraak wordt bij belangrijke ethische kwesties. Deze honger naar Christus, bewust of onbewust, kan niet worden gestild met loze woorden. Alleen authentieke getuigenissen kunnen op een geloofwaardige manier het woord dat redding brengt doorgeven.

In mijn apostolische Brief H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Novo millennio ineunte
Een nieuw millennium
(6 januari 2001)
heb ik gezegd dat de ware erfenis van het grote Jubileum de ervaring van een intensere ontmoeting met Christus is. Uit de vele aspecten van deze ontmoeting wil ik vandaag voor deze overdenking graag het thema kiezen van de sacramentele verzoening. ook dit was een centraal kenmerk van het Jubileumjaar, mede omdat het nauw met de gave van de aflaat verbonden is.

Hier in Rome, en ik weet zeker dat u ook dergelijke ervaringen in uw eigen lokale Kerken hebt gehad, vormden de uitzonderlijke aantallen mensen die het Sacrament der Verzoening ontvingen zeker een van de meest zichtbare uitingen van het Jubileum. Zelfs ongodsdienstige waarnemers waren daarvan onder de indruk. Bij de belijdenissen in de Sint Pieter en in de andere basilieken liep het als het ware storm van de pelgrims, die vervolgens vaak in lange rijen geduldig op hun beurt wachtten. De interesse voor dit Sacrament die jongeren lieten zien tijdens de schitterende week van hun Jubileum was bijzonder significant.

Zoals u wel bekend, is dit Sacrament om een aantal redenen de laatste decennia door een zekere crisis heen gegaan. Juist om deze crisis te boven te komen werd in 1983 een Synode gehouden, waarvan de conclusies gepresenteerd werden in de postsynodale apostolische Exhortatie H. Paus Johannes Paulus II - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Reconciliatio et paenitentia
Over de verzoening en boete in de zending van de Kerk in deze tijd
(2 december 1984)
.

Het zou naïef zijn te denken dat loutere intensivering van de praktijk van het Sacrament der Vergeving gedurende het Jubileumjaar bewijs is van een blijvende ommekeer. Wel was het een bemoedigend teken. Het dwingt ons te erkennen dat de diepe behoeften van de menselijke geest, waarop Gods reddingsplan een antwoord is, niet door voorbijgaande crises kunnen verdwijnen. We moeten deze jubileumindicatie als een teken van boven aanvaarden en reden vinden om opnieuw en voortvarend de betekenis en de praktijk van dit Sacrament voor te houden.

Ik wil echter niet zozeer bij pastorale problemen stil blijven staan. Witte Donderdag, de speciale dag van onze roeping, zet ons bovenal aan het nadenken over 'wie we zijn', en met name op onze weg naar heiligheid. Ook uit deze bron zal onze apostolische ijver stromen.

Vestigen wij onze blik dus op Christus bij het Laatste Avondmaal, als Hij voor ons wordt het "brood dat gebroken is" en aan de voeten van de apostelen afdaalt tot nederige dienstbaarheid. Dan moeten wij met Petrus wel hetzelfde gevoel krijgen van onwaardigheid tegenover de grootsheid van de ontvangen gave. "Nooit in der eeuwigheid zult U mij de voeten wassen!" (Joh. 13, 8). Petrus had ongelijk met zijn afwijzing van Christus' gebaar, maar dat hij zich daarvoor onwaardig achtte, daarin had hij gelijk. Het is belangrijk op deze dag van liefde bij uitstek, dat wij de genade van het priesterschap als overvloedige barmhartigheid ervaren.

Barmhartigheid is het absoluut vrije besluit waarmee God ons heeft uitverkoren: "Niet jullie hebben Mij uitgekozen, nee, Ik heb jullie uitgekozen" (Joh. 15, 16).

Door zijn barmhartigheid verwaardigt Hij zich ons te vragen als zijn vertegenwoordigers op te treden, hoewel Hij weet dat we zondaars zijn.

Barmhartigheid is de vergeving die Hij ons nooit weigert, zoals Hij die ook Petrus niet weigerde na zijn verloochening. De uitspraak dat "er in de hemel meer blijdschap zal zijn over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben" (Lc. 15, 7) geldt ook ons.

Laten wij daarom onze roeping opnieuw ontdekken als een 'mysterie van barmhartigheid'. In het Evangelie vinden we dat Petrus zijn bijzondere ambt juist met deze geestelijke houding ontvangt. Zijn ervaring is richtinggevend voor al degenen die de apostolische taak hebben ontvangen in de verschillende graden van het Sacrament van het Priesterschap.

Onze gedachten keren terug naar de gebeurtenis van de wonderbare visvangst zoals die wordt beschreven in het Evangelie volgens Lucas (Lc. 5, 1-11). Jezus vraagt Petrus om een blijk van vertrouwen op zijn woord en nodigt hem uit de netten in het diepe uit te werpen. Menselijk gesproken een onlogisch verzoek: hoe kon men Hem geloven na een slapeloze en uitputtende nacht van vissen met netten zonder resultaat? Maar 'op het woord van Jezus' het nog eens proberen verandert alles. De vis kwam in zo grote hoeveelheden in de netten dat ze scheurden. Het Woord onthult zijn kracht. Het resultaat is verwondering, maar ook angst en beven als bij een onverwachte lichtstraal die al onze persoonlijke beperkingen bloot legt. Petrus roept uit: "Ga weg van mij, Heer, ik ben een zondig mens" (Lc. 5, 8). Maar nauwelijks had hij deze bekentenis geuit of de barmhartigheid van de Meester wordt voor hem het begin van nieuw leven: "Wees niet bang. Voortaan zul je mensen vangen" (Lc. 5, 10). De "zondaar" wordt een bedienaar van de barmhartigheid. Van een visser van vis tot een "visser van mensen"!

Dierbare priesters, dit is een groot mysterie: Christus was niet bang om zijn dienaren onder zondaars uit te kiezen. Is dit niet onze eigen ervaring? Het is opnieuw Petrus die zich na de Opstanding meer bewust wordt van deze ontroerende tweespraak met Jezus. Voordat de Meester hem het mandaat toevertrouwt om voor de kudde te zorgen stelt Hij hem de in verlegenheid brengende vraag: "Simon, zoon van Johannes, heb je Me lief, meer dan de anderen hier?" (Joh. 21, 15). De man die deze vraag wordt gesteld is dezelfde die een paar dagen geleden hem drie keer verloochend had. De nederige toon van zijn antwoord is gemakkelijk te begrijpen: "Heer, U die alles weet, U beseft toch wel dat ik van U houd" (Joh. 21, 17). En op grond van deze liefde, zich maar al te bewust van haar zwakte en zich uitend met zowel vertrouwen als aarzeling, ontvangt Petrus de opdracht: "Zorg dan voor mijn schapen" (Joh. 21, 15.16.17). Het zal op grond van deze liefde zijn, gesterkt door het vuur van Pinksteren, dat Petrus de opdracht zal kunnen vervullen die hem is toevertrouwd.

En is de roeping van Paulus ook niet geboren in een ervaring van barmhartigheid? Niemand heeft zo levendig ervaren hoe onverdiend zijn uitverkiezing door Christus is als hij. Zijn verleden als meedogenloze vervolger van de Kerk stond diep in zijn ziel gebrand: "Ik ben immers de minste van de apostelen, niet waard om apostel te heten, want ik heb de Kerk van God vervolgd" (l Kor. 15, 9). Toch verhoogde deze herinnering juist zijn geestdrift in plaats van haar te verstikken. Hoe meer barmhartigheid hem omgaf, des te meer voelde Paulus dat hij ervan moest getuigen en haar in zijn leven moest uitstralen. De "stem" die tot hem spreekt op de weg naar Damascus leidt hem naar het hart van het Evangelie, en laat hem het ontdekken als de barmhartige liefde van de Vader die in Christus de wereld met Zich verzoent. Op deze basis zal Paulus ook de apostolische dienst verstaan als het ambt der verzoening: "En dit alles komt van God, die ons door Christus met zich heeft verzoend en ons de dienst van de verzoening heeft toevertrouwd. Ja, God heeft in Christus de wereld met zich verzoend zonder de mensen hun overtredingen aan te rekenen, en ons heeft hij de boodschap van de verzoening toevertrouwd" (2 Kor. 5, 18-19).
Dierbare priesters, het getuigenis van Petrus en Paulus bevat waardevolle richtlijnen voor ons. Hun levens nodigen ons uit de gave van het ambt te beleven met een gevoel van eindeloze dank: niets hebben wij verdiend, alles is genade! De ervaring van de twee apostelen helpt ons onszelf over te geven aan God en zijn barmhartigheid, met oprecht berouw over onze zwakheden, en met zijn genade om onze tocht naar heiligheid weer voort te zetten. In H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Novo millennio ineunte
Een nieuw millennium
(6 januari 2001)
gaf ik aan dat de opdracht tot heiligheid het eerste onderdeel vormt van alle verstandige pastorale 'planning'. Het is de eerste taak van alle gelovigen, dus hoeveel te meer geldt dat niet voor ons Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Apostolische Brief, Een nieuw millennium, Novo millennio ineunte (6 jan 2001), 30-31! Juist hierom is het belangrijk dat wij het Sacrament van de Verzoening opnieuw ontdekken als fundamenteel middel tot onze heiligwording. Door een medepriester te benaderen en de absolutie te vragen die we zo vaak aan de gelovigen geven, kunnen we de grote en troostende waarheid beleven dat we, vóór priester, allemaal lid zijn van hetzelfde volk, een 'gered' volk. Wat Augustinus zei over zijn taak als bisschop geldt ook voor die van de priesters: "Als ik er heel graag voor jullie wil zijn word ik getroost door bij jullie te zijn. Voor jullie ben ik een bisschop, met jullie ben ik een christen ... In het eerste is gevaar, in het tweede redding" H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. 340, 1. Het is prachtig dat we onze zonden kunnen belijden en als balsem het woord horen dat ons overstelpt met barmhartigheid en ons weer op weg stuurt. Alleen zij die de tedere omhelzing van de Vader hebben leren kennen, zoals het Evangelie die beschrijft in de parabel van de verloren zoon - "hij viel hem om de hals en kuste hem" (Lc. 15, 20) – zij kunnen dezelfde warmte op anderen overbrengen, als zij na zelf vergiffenis te hebben gekregen deze aan anderen verlenen.
Laten wij daarom op deze heilige dag Christus vragen, voor onszelf, de volle schoonheid van dit Sacrament te helpen herontdekken. Hielp Jezus zelf Petrus niet bij deze ontdekking? ''Als Ik je voeten niet mag wassen, hoor je niet bij Mij" (Joh. 13, 8). Jezus wees natuurlijk niet direct op het sacrament van de verzoening, maar verwees er in zekere zin naar, zinspelend op het reinigingsproces dat met zijn Verlossingsdood zou beginnen en op de sacramentele bediening ervan aan individuen door de eeuwen heen.

Dierbare priesters, laten we regelmatig gebruik maken van dit sacrament. Moge de Heer ons hart steeds zuiveren en ons minder onwaardig maken voor de geheimnissen die wij vieren. Omdat wij geroepen zijn het gezicht van de Goede Herder zichtbaar te maken en daartoe het hart van Christus zelf aan te nemen, moeten wij ons meer dan anderen de vurige roep van de psalmist eigen maken: "God, schep in mij een zuiver hart, vernieuw mijn geest, maak hem standvastig" (Ps. 51, 12). Het Sacrament der Verzoening, essentieel voor het leven van iedere Christen, is met name voor het priesterleven een bron van steun, begeleiding en genezing.

De priester die de vreugde van de sacramentele verzoening volledig ervaart zal het heel normaal vinden de woorden van Paulus te herhalen voor zijn broeders en zusters: "Wij zijn dus gezanten van Christus, alsof God zelf u oproept door ons woord. Wij smeken u in Christus' naam: laat u met God verzoenen!" (2 Kor. 5, 20).

De crisis van het Sacrament der Verzoening welke ik eerder noemde komt door vele factoren, van verminderd zondebesef tot onvoldoende realisering van het sacramentele bestel van Gods redding. Maar misschien moeten we ook erkennen dat een andere factor soms het Sacrament tegenwerkte, namelijk de afname van ons eigen enthousiasme en beschikbaarheid voor de uitoefening van dit kwetsbare en veeleisende ambt.

Daarentegen moet het volk van God nu meer dan ooit worden geholpen om dit Sacrament te herontdekken. Het is nodig dat wij met kracht en overtuiging verklaren dat het Sacrament van de Boete het geëigende middel is om vergeving en kwijtschelding te verkrijgen van ernstige zonden begaan na onze Doop. We horen het zo goed mogelijk te vieren in de vormen die vastgelegd zijn in de liturgische wet, zodat het niets van zijn karakter verliest als viering van Gods barmhartigheid.

Een bron van hernieuwd vertrouwen in de opleving van dit Sacrament is niet alleen het feit dat, ondanks vele ongerijmdheden, alom een nieuwe en dringende behoefte aan spiritualiteit ontstaat in de samenleving. Er is ook een diepgevoelde behoefte aan tussen menselijk contact, dat steeds meer wordt ervaren als reactie op de zwijgende massa die mensen vaak innerlijk geïsoleerd laat, ook al betrekt zij hen in de drukte van louter functionele contacten. De sacramentele belijdenis moet natuurlijk niet worden verward met een hulpverleningssysteem of met psychotherapie. Maar we moeten ook niet onderschatten dat het Sacrament der Verzoening, mits juist toegediend, ook een 'humaniserende' werking heeft, die in volmaakte harmonie is met haar primaire doel, het individu te verzoenen met God en de Kerk.

Ook hier is het van belang dat de bedienaar van de Verzoening zijn rol correct vervult. Zijn vermogen mensen op hun gemak te stellen, een goed luisteraar te zijn en in gesprek te komen - samen met zijn directe beschikbaarheid - is essentieel voor de bediening van de Verzoening gezien in haar totale waarde. De gelovige en vastberaden prediking van de radicale eisen van Gods woord moet altijd vergezeld gaan van veel begrip en grote openheid, in navolging van Jezus' eigen manier om met zondaars om te gaan.

De liturgische vorm van het sacrament vraagt ook de nodige aandacht. Het Sacrament maakt deel uit van de structuur van de communio die het kenmerk van de Kerk is. De zonde zelf kan niet juist worden begrepen als ze alleen vanuit 'privé' oogpunt wordt bekeken, daarbij vergetend dat zij onvermijdelijk heel de gemeenschap aantast en de mate van heiligheid daarbinnen verlaagt. Bovendien drukt het aanbod van vergeving een mysterie uit van bovennatuurlijke solidariteit, omdat de sacramentele betekenis daarvan gelegen is in de diepe eenheid tussen Christus als Hoofd en de ledematen van zijn Lichaam.

Het is buitengewoon belangrijk mensen dit aspect van 'verbondenheid' te laten zien aan dit Sacrament, ook door gemeenschappelijke boetevieringen die afsluiten met de individuele belijdenis en absolutie. Deze wijze van vieren helpt de gelovigen de tweevoudige dimensie van verzoening te onderkennen en effectiever het boetepad te volgen in al zijn herstellende rijkdom.

Dan is daar ook het fundamentele probleem van het catechetisch onderricht over het morele besef en over de zonde, zodat mensen een helderder idee kunnen krijgen van de radicale eisen van het Evangelie. Helaas is er een minimalistische tendens, waardoor het sacrament niet alle goeds voortbrengt dat we mochten hopen. Vele gelovigen hebben een idee van zonde dat niet stoelt op het Evangelie maar op algemene conventies en wat 'sociaal aanvaardbaar' is. Daardoor voelen zij zich niet zo verantwoordelijk voor dingen 'die iedereen doet' en zeker als deze volgens de burgerlijke wet zijn toegestaan.

Evangelisatie in het derde millennium zal vat moeten krijgen op de dringende noodzaak tot een presentatie van de evangelische boodschap die dynamisch, volledig en veeleisend is. Het christelijk leven dat ons ten doel staat kan niet worden teruggebracht tot een middelmatige plicht van 'goedheid' zoals de maatschappij die definieert. Het moet een echte zoektocht zijn naar heiligheid. We moeten met fris enthousiasme het vijfde hoofdstuk nog eens lezen van 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Lumen Gentium
Over de Kerk
(21 november 1964)
dat gaat over de universele roeping tot heiligheid. Christen zijn betekent een 'gave' ontvangen van heiligmakende genade, die alleen maar tot onze persoonlijke 'inzet' in het leven van alledag kan worden, als antwoord op deze gave. Juist daarom heb ik door de jaren heen geprobeerd te zorgen voor bredere erkenning van heiligheid, in elke situatie waar zij zich voordeed, zodat Christenen vele verschillende voorbeelden van heiligheid hebben en allen eraan herinnerd worden dat zij persoonlijk tot dit doel geroepen worden.

Dierbare medepriesters, laten we voortgaan in de vreugde van ons ambt, wetend dat we de Ene aan onze zijde hebben die ons geroepen heeft en ons niet in de steek laat. Moge de zekerheid van zijn aanwezigheid duurzaam zijn en ons troosten.

Op Witte Donderdag hebben we misschien een levendiger besef van zijn aanwezigheid, wanneer wij diep ontroerd denken aan het uur waarin Jezus in de zaal van het Laatste Avondmaal zichzelf gaf onder de tekenen van brood en wijn en sacramenteel anticipeerde op het Kruisoffer. H. Paus Johannes Paulus II - Brief
Eucharistie en Verlossing
Brief aan de Priesters bij gelegenheid van Witte Donderdag 2000
(23 maart 2000)
schreef ik u vanuit deze Bovenzaal zelf, tijdens mijn bezoek aan het Heilige Land. Hoe kan ik dat roerende moment vergeten? Ik beleef het elke dag opnieuw, niet zonder zorg over de tragische situatie die voortduurt in het land van Christus.

Onze geestelijke ontmoetingsplaats op Witte Donderdag is nog altijd daar, in de Bovenzaal, wanneer we - in eenheid met de bisschoppen van de kathedralen over de hele wereld - het mysterie vieren van het Lichaam en Bloed van Christus en dankbaar terugdenken aan de oorsprong van ons priesterschap.

In de vreugde van de onmetelijke gave die we allen hebben ontvangen, omarm ik u allen en geef u mijn zegen.

Vanuit het Vaticaan op 25 maart, de vierde zondag van de Vasten, in het jaar 2001, het 23ste jaar van mijn Pontificaat.

Johannes Paulus II

Document

Naam: HET SACRAMENT VAN BOETE EN VERZOENING OOK VOOR DE PRIESTER VAN GROOT BELANG
Brief aan de Priesters voor Witte Donderdag 2001
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 2001
Copyrights: © 2001, uitgave en vertaling: Bisdom Roermond / Den Bosch
Bewerkt: 26 maart 2015

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2018, Stg. InterKerk, Schiedam