• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET GEBED IN DE EERSTE CHRISTENGEMEENSCHAP

Dierbare broeders en zusters,

Na de grote feesten, keren wij nu terug naar de catecheses over het gebed. Tijdens de Paus Benedictus XVI - Audiëntie
De biddende aanwezigheid van Maria temidden van de leerlingen
(14 maart 2012)
, hebben wij stilgestaan bij de figuur van de allerzaligste Maagd Maria, die te midden van de apostelen in gebed was op het ogenblik dat zij de komst van de Heilige Geest verwachtten. Een sfeer van gebed begeleidt de eerste stappen van de Kerk. Pinksteren is geen geïsoleerd gebeuren, want de aanwezigheid en werking van de Heilige Geest leiden en bezielen voortdurend de weg van de christengemeenschap. In de Handelingen van de Apostelen vertelt de heilige Lucas niet alleen de grote uitstorting die vijftig dagen na Pasen plaatshad in het cenakel (Hand. 2, 1-13), maar hij verwijst ook naar de andere buitengewone uitstortingen van de Heilige Geest, die in de geschiedenis van de Kerk terugkeren. Vandaag wil ik stilstaan bij wat men het “kleine Pinksteren” noemt, dat zich heeft voorgedaan na een moeilijke fase in het leven van de beginnende Kerk.

De Handelingen van de Apostelen verhalen dat Petrus en Johannes na de genezing van een lamme in de buurt van de tempel van Jeruzalem Vgl. Hand. 3, 1-10 , gearresteerd werden (Hand. 4, 1) omdat zij Jezus’ verrijzenis verkondigden aan heel het volk Vgl. Hand. 3, 11-26 . Na een summier proces, werden zij terug in vrijheid gesteld, zij vervoegden zich bij hun broeders en vertelden hun wat ze hadden moeten doorstaan omwille van hun getuigenis over de verrezen Jezus. Op dat ogenblik, zegt de heilige Lucas, “verhieven zij eensgezind hun stem tot God” (Hand. 4, 24). Hier schrijft de heilige Lucas over het gebed van de Kerk, zoals wij dat in de meest ruime zin in het Nieuwe Testament vinden, en

“na hun gebed beefde de plaats waar ze bijeen waren. Allen werden vervuld van de heilige Geest en verkondigden vrijmoedig het woord Gods” (Hand. 4, 31).

Laten we eerst, voor we ingaan op dit mooie gebed, een belangrijke basishouding vaststellen: tegenover gevaar, moeilijkheden, bedreiging, maakt de eerste Christengemeenschap geen analyses van de manier van reageren, strategieën, hoe zich te verdedigen, te nemen maatregelen, doch zij gaat in de beproeving bidden, zij neemt contact met God.

En wat kenmerkt dit gebed? Het is eensgezind, één van hart, van heel de gemeenschap, die omwille van Jezus met vervolging geconfronteerd wordt. In de Griekse oorspronkelijke tekst gebruikt de heilige Lucas de uitdrukking “homothumadon” – “allen samen”, “eensgezind” – een woord dat ook in andere stukken van de Handelingen van de Apostelen voorkomt om dit volhardend en eensgezind gebed te benadrukken Vgl. Hand. 1, 14 Vgl. Hand. 2, 46 . Deze eenheid van hart is het fundamentele element van de eerste gemeenschap en zou voor de Kerk altijd fundamenteel moeten zijn. Op dat moment, is het niet alleen het gebed van Petrus en Johannes, die in gevaar waren, maar dat van heel de gemeenschap, want wat de twee apostelen meemaken, raakt niet alleen hen, doch de hele Kerk. Ten overstaan van de vervolgingen die omwille van Jezus geleden worden, is de gemeenschap niet alleen niet bang en raakt ze evenmin verdeeld, maar is zij ten diepste verenigd in gebed, alsof één enkele persoon de Heer aanriep. Ik zou zeggen dat dit het eerste wonder is dat zich verwezenlijkt wanneer gelovigen omwille van hun geloof beproefd worden: hun eenheid wordt sterker in plaats van geschaad, omdat zij gedragen wordt door volgehouden gebed. De Kerk moet geen vervolging vrezen; die ondergaat zij noodgedwongen in de loop van haar geschiedenis, maar zij moet zoals Jezus in Getsemane het vertrouwen bewaren in de aanwezigheid, hulp en kracht van God, die in het gebed aanroepen wordt.

Laten we nu een stap verder gaan: wat vraagt de Christengemeenschap in dit ogenblik van beproeving aan God? Zij vraagt niet ongedeerd te blijven van de vervolging, evenmin dat de Heer zich wreekt tegenover hen die Petrus en Johannes hebben gevangen genomen; zij vraagt slechts dat het haar toegestaan wordt “in alle vrijmoedigheid” het woord van God te “mogen verkondigen” (Hand. 4, 29), wat betekent dat zij bidt om de moed van het geloof niet te verliezen, de moed haar geloof te verkondigen. Maar vooral probeert zij het gebeurde ten diepste te begrijpen, zij probeert de gebeurtenissen te lezen in het licht van het geloof en doet dat juist door het woord van God dat ons helpt om de werkelijkheid van de wereld te ontcijferen.

In het gebed dat zij tot God verheft, herinnert de gemeenschap zich vooreerst de grootheid en oneindigheid van God die zij aanroept: “Heer, gij zijt het, die hemel en aarde, de zee en alles wat daarin is, gemaakt hebt” (Hand. 4, 24). Het is een aanroeping van de Schepper: wij weten dat alles van Hem komt, dat alles in Zijn hand ligt. In dat besef vinden wij zekerheid en moed: alles komt van Hem, alles ligt in Zijn handen. Vervolgens erkent zij hoe God in de geschiedenis opgetreden is – zij begint dus bij de schepping en vervolgt met de geschiedenis – hoe Hij zijn volk nabij was door te laten zien dat Hij een God is die zich om de mens bekommert, die zich niet teruggetrokken heeft, die de mens, Zijn schepsel, niet aan zijn lot overlaat; en hier wordt Psalm 2 expliciet geciteerd, in wiens licht de moeilijke situatie van de Kerk op dat ogenblik, gelezen wordt. Psalm 2 bezingt de inhuldiging van de koning van Juda, maar verwijst profetisch naar de komst van de Messias, tegen wie opstand noch vervolging noch de uitspattingen van de mens iets zullen kunnen doen:

“Waarom tieren de volken
en zinnen de naties op ijdele plannen?
De koningen der aarde stellen zich op
en de vorsten spannen samen tegen de Heer
en tegen zijn Gezalfde” (Hand. 4, 25).

De Psalm zegt dit reeds, profetisch, over de Messias en deze opstand van de machtigen tegen Gods macht is kenmerkend voor heel de geschiedenis. Het is juist door de Heilige Schrift te lezen, die het woord van God is, dat de gemeenschap in haar gebed tot God kan zeggen: “Inderdaad, ze hebben in deze stad samengespannen tegen uw heilige dienaar Jezus, die Gij gezalfd hebt ... om alles te doen wat uw hand en raadsbesluit tevoren bepaald had dat geschieden moest” (Hand. 4, 27-28). De gebeurtenissen worden gelezen in het licht van Christus, die de sleutel is om zelfs vervolging te begrijpen, in het licht van het kruis, dat altijd de sleutel is voor de verrijzenis. De tegenkanting tegen Jezus, Zijn lijden en dood, worden door Psalm 2 herlezen als de verwezenlijking van het plan van God de Vader voor het heil van de wereld. En het is ook daar dat de vervolging die de eerste Christengemeenschap ervaart, haar zin vindt; deze eerste gemeenschap is niet een gewone vereniging, maar een gemeenschap die in Christus leeft; wat haar overkomt maakt dus deel uit van Gods plan. Zoals Jezus dat overkomen is, zullen ook de leerlingen tegenkanting, onbegrip, vervolging kennen. Het overwegen van de Heilige Schrift in het licht van het Christusmysterie, helpt de huidige werkelijkheid te lezen binnen de heilsgeschiedenis die God, steeds op Zijn manier, in de wereld verwezenlijkt.

Juist daarom, is de vraag die de eerste Christengemeenschap van Jeruzalem in haar gebed tot God formuleert, niet verdedigd te worden, gespaard te blijven van beproeving, van lijden, het is geen gebed om succes, doch alleen om met “parresia” - dat wil zeggen om vrijmoedig, vrij, moedig - het woord van God te verkondigen Vgl. Hand. 4, 29 .

Zij voegt er vervolgens de vraag bij dat deze verkondiging moge begeleid worden door Gods hand, opdat genezingen, tekenen en wonderen zouden gebeuren Vgl. Hand. 4, 30 , zodat de goedheid van God zichtbaar zou worden als een kracht die de werkelijkheid omvormt, die de harten, geesten, het leven van de mensen verandert en die de radicale nieuwheid van het Evangelie brengt.

"Na het gebed" - merkt de heilige Lucas op - , “beefde de plaats waar ze bijeen waren. Allen werden vervuld van de heilige Geest en verkondigden vrijmoedig het woord Gods” (Hand. 4, 31); de plaats beefde, dat wil zeggen dat het geloof de kracht heeft om de aarde en de wereld te transformeren. De Geest die in het gebed van de Kerk, in Psalm 2 gesproken heeft, wordt in het huis uitgestort en vervult het hart van allen die de Heer aanriepen. Het is de vrucht van het eensgezinde gebed van de Christengemeenschap tot God; de uitstorting van de Geest, gave van de Verrezene, die de vrije en moedige verkondiging van het woord Gods schraagt en leidt, die de leerlingen van de Heer aanzet om onbevreesd naar buiten te treden om de blijde boodschap te brengen tot aan de grenzen van de wereld.

Dierbare broeders en zusters, ook wij moeten de gebeurtenissen van ons dagelijks leven in ons gebed weten te brengen, om er de diepe betekenis van te zoeken. En zoals de eerste Christengemeenschap kunnen ook wij ons door Gods woord laten verlichten als we de Heilige Schrift overwegen en leren zien dat God in ons leven aanwezig is, ook en juist in de moeilijke ogenblikken, en dat alles – zelfs wat onbegrijpelijk is – deel uitmaakt van een hoger liefdesplan waarin de uiteindelijke overwinning op het kwaad, de zonde en de dood, werkelijk de overwinning is van het goede, de genade, het leven, van God.

Zoals voor de eerste Christengemeenschap helpt het gebed ons onze persoonlijke en collectieve geschiedenis te lezen in een juister en getrouwer perspectief, namelijk Gods perspectief. En ook wij, wij willen ons gebed vernieuwen door de gave te vragen van de Heilige Geest, opdat Hij ons hart zou verwarmen, onze geest zou verlichten en wij zouden kunnen erkennen hoe de Heer onze verzoeken beantwoordt overeenkomstig Zijn wil van liefde - en niet volgens onze ideeën. Geleid door de Geest van Jezus Christus zullen wij in staat zijn om sereen, moedig en met vreugde alle levenssituaties te beleven en zullen wij met de heilige Paulus kunnen roemen op

“onze beproevingen, in het besef dat verdrukking leidt tot volharding, volharding tot beproefde deugd en deze weer tot hoop. En de hoop wordt niet teleurgesteld, want Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken.” (Rom. 5, 3-5)

Dank u.

Document

Naam: HET GEBED IN DE EERSTE CHRISTENGEMEENSCHAP
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 18 april 2012
Copyrights: © 2012, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam