• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

WIJD UZELF AAN HEM TOE - LECTIO DIVINA
Bij het bezoek aan het pauselijk grootseminarie te Rome bij gelegenheid van het feest van de Madonna della Fiducia

“En nu, broeders en zusters, vermaan ik u bij Gods ontferming: Wijd uzelf aan Hem toe als een levende, heilige offergave, Hem welgevallig. Dat is de geestelijke eredienst die u past. Stem uw gedrag niet af op deze wereld. Wordt andere mensen, met een nieuwe gezindheid. Dan bent u in staat om uit te maken wat God van u wil, en wat goed is, welgevallig en volmaakt.” (Rom. 12, 1-2)

Eminentie,
dierbare Broeders in het Bisschopsambt en in het Priesterschap,
dierbare seminaristen,
dierbare broeders en zusters,

het is voor mij altijd een grote vreugde om, op de dag van Onze Lieve Vrouw van het Vertrouwen – de Madonna della Fiducia Noot van de vertaler: Onder deze titel is de heilige Maagd Maria patrones van het grootseminarie van het bisdom Rome. Zo wordt zij aangeroepen: “Mater mea, fiducia mea”: “Mijn moeder, mijn vertrouwen” - mijn seminaristen te zien, de seminaristen van Rome, op weg naar het priesterschap, en zo de Kerk van morgen te zien, de Kerk die altijd leeft.

Vandaag hebben we een tekst beluisterd – we beluisteren hem én bemediteren hem – uit de Brief aan de Romeinen: Paulus spreekt er tot de Romeinen, en spreekt dus tot ons, want hij spreekt tot de Romeinen van alle tijden. Deze Brief is net alleen de langste van de heilige Paulus, maar is bovendien buitengewoon vanwege haar leerstellig en spiritueel belang. Buitengewoon is zij ook omdat het een brief is die geschreven is aan een gemeenschap die hij niet zelf gesticht heeft en niet heeft bezocht. Hij schrijft om zijn bezoek aan te kondigen en zijn verlangen tot uitdrukking te brengen om Rome te bezoeken, en hij geeft er een vooraankondiging in van de wezenlijke inhouden van zijn Kerygma; zo bereidt hij de stad voor op zijn komst. Hij schrijft aan deze gemeenschap die hij niet persoonlijk kent omdat hij de Apostel van de Heidenen is – van de overgang van het Evangelie van de Joden naar de heidenen – en Rome is de hoofdstad van de Heidenen en dus uiteindelijk ook het centrum van zijn boodschap. Hier moet zijn Evangelie zien aan te komen, wil het werkelijk in de heidense wereld zijn aangekomen. Het zal er aankomen, maar op een andere manier dan hij gedacht had. Paulus zal er geboeid voor Christus aankomen en juist in boeien geslagen zal hij zich vrij voelen om het Evangelie te verkondigen.

In het eerste hoofdstuk van de Brief aan de Romeinen zegt hij ook: over uw geloof, over het geloof van de Kerk van Rome, spreekt men in de hele wereld. Vgl. Rom. 1, 8 Het gedenkwaardige aan het geloof van deze Kerk is dat men er in de hele wereld over spreekt, en wij kunnen ons bezinnen op de vraag hoe het er vandaag de dag mee staat. Ook nu wordt er veel over de Kerk van Rome gesproken, over allerlei zaken, maar we hopen dat er ook over ons geloof wordt gesproken, over het voorbeeldig geloof van deze Kerk; en laten we de Heer bidden dat we in staat zijn er toe bij te dragen dat er niet zozeer over allerlei zaken gesproken wordt, maar over het geloof van de Kerk van Rome.

De tekst die werd voorgelezen (Rom. 12, 1-2) vormt het begin van het vierde en laatste deel van de Brief aan de Romeinen en begint met de woorden “ik vermaan u” (Rom. 12, 1). Gewoonlijk zegt men dat het hier gaat om het gedeelte dat betrekking heeft op de moraal en dat op het leerstellige gedeelte volgt, maar in het denken van de heilige Paulus en ook in zijn taalgebruik, kan men deze twee zaken niet van elkaar scheiden: dit woord “ik vermaan”, in het Grieks parakalo, bevat in zich het woord paraklesisparakletos, en heeft een diepte die veel verder gaat dan de moraliteit; het is een woord dat zeker vermaning impliceert, maar ook vertroosting, zorg voor de ander, vaderlijke tederheid maar ook moederlijke; dit woord “ontferming”- in het Grieks oiktirmon en in het hebreeuws rachamim, moederschoot – drukt de barmhartigheid uit, de goedheid, de tederheid van een moeder. En als Paulus vermaant, impliceert dat dit alles: hij spreekt vanuit zijn hart, hij spreekt met de tederheid van de liefde van een vader en het is niet alleen hij die spreekt. Paulus zegt: “bij Gods ontferming” (Rom. 12, 1): hij maakt zich instrument voor het spreken van God, voor het spreken van Christus; Christus spreekt tot ons met die tederheid, met die vaderlijke liefde, met die zorg voor ons. En zo doet hij niet alleen een beroep op onze moraal en op onze wil, maar ook op de Genade die in ons is, dat wij de genade laten werken. Het is als het ware een gebeuren waarbij de Genade, die bij het doopsel gegeven is, werkzaam wordt in ons, werkzaam zou moeten zijn in ons; zo gaan de Genade , de gave van God, en ons meewerken samen.

Waartoe spoort Paulus in deze zin aan? “Biedt uw lichamen Noot van de vertaler: “uw lichamen”: Benedictus hecht er aan hier de letterlijke woorden weer te geven die Paulus gebruikt, in het Nederlands meestal vertaald met “uzelf”. Hem aan als een levende, heilige offergave, die welgevallig is aan God” (Rom. 12, 1). “Biedt uw lichamen aan”: hij spreekt over liturgie, hij spreekt over God, over de prioriteit die God heeft, maar hij spreekt niet over liturgie als ceremonie, hij spreekt over liturgie als leven. Onszelf, ons lichaam; wij moeten in ons lichaam en als lichaam liturgie zijn. Dit is de nieuwheid van het Nieuwe Testament, en we zullen het later nog zien: Christus offert zichzelf en vervangt zo alle andere offers. En hij wil onszelf “binnentrekken” in de gemeenschap (communio) van zijn Lichaam: ons lichaam, samen met het Zijne, wordt Gods glorie, wordt liturgie. Zo is dit woord “toewijden” of offeren - in het Grieks parastèsai – niet alleen maar een allegorie; allegorisch gezien zou zo ook ons leven een liturgie zijn; nee, integendeel, de ware liturgie is die van ons lichaam, van ons zijn in het Lichaam van Christus, zoals Christus zelf de liturgie van de wereld heeft gemaakt, de kosmische liturgie, die er naar streeft allen tot zich te trekken.

“In uw lichaam, het lichaam offeren”: dit woord verwijst naar de mens in zijn totaliteit, uiteindelijk niet te verdelen in ziel en lichaam, geest en lichaam; in het lichaam zijn we onszelf, en het lichaam, door de ziel bezield, het lichaam zelf, moet de verwezenlijking zijn van onze aanbidding. En bedenken we – misschien mag ik suggereren dat ieder van ons straks over dit woord reflecteert – dat ons dagelijks leven in ons lichaam, in de kleine dingen, geïnspireerd zou moeten zijn, overvloedig, ondergedompeld in de goddelijke werkelijkheid en een handelen zou moeten worden samen met God. Dit wil niet zeggen dat we steeds aan God zouden moeten denken, maar dat we werkelijk doordrongen moeten zijn van de werkelijkheid van God, zodat heel ons leven – en niet alleen maar enkele gedachten - liturgie wordt, aanbidding. Paulus zegt: “Uw lichamen toewijden als een levende offergave” en hij noemt dat vervolgens: “de geestelijke eredienst die u past” (Rom. 12, 1). Het Griekse woord ervoor luidt: “logikè latreia” en het verschijnt later in de Romeinse Canon, in het Eerste Eucharistisch Gebed: “rationabile obsequium”. Het is een nieuwe definitie van de eredienst, zowel voorbereid in het Oude Testament als in de Griekse filosofie: het zijn om zo te zeggen twee stromen die leiden naar dit punt en die samenvloeien in de nieuwe liturgie van de Christenen en van Christus. Het Oude Testament: van het begin af aan hebben zij begrepen dat God geen stieren of rammen of dergelijke dingen nodig heeft. In Psalm 50 zegt God: “Zou Ik soms vlees van stieren eten of bloed van bokken nuttigen als drank? Brengt liever God het offer van uw lof, volbrengt de allerhoogste uw geloften… Wie offers brengt van lof, die eert Mij waarlijk, wie rechte wegen gaat, die vindt het heil van God” Vgl. Ps. 50, 13-15.23 . Zo gaat de weg van het Oude Testament naar een punt waar deze uitwendige zaken, symbolen en vervangende offers, verdwijnen en de mens zelf lof van God wordt.

Hetzelfde gebeurt in de wereld van de Griekse filosofie. Ook hier begrijpt men steeds meer dat men God niet verheerlijken kan met deze zaken – dieren en geschenken - , maar dat alleen de “logos” van de mens, zijn tot glorie van God geworden rede, werkelijk aanbidding is, en de gedachte is dat de mens uit zichzelf moet uitgaan en zich moet verenigen met de “Logos,. met de grote Rede van de wereld om zo werkelijk aanbidding te zijn. Maar er ontbreekt iets: de mens zou, volgens deze filosofie, om zo te zeggen het lichaam moeten verlaten, zich moeten vergeestelijken: alleen de geest zou aanbidding zijn. Het Christendom daarentegen, is niet eenvoudig vergeestelijking, aanbidding: het is incarnatie, dat wil zeggen Christus is de “Logos”, is het vleesgeworden Woord, en Hij brengt ons allen bijeen, zowel in Hem als met Hem, in zijn Lichaam, als ledematen van dit Lichaam worden wij werkelijk verheerlijking van God. Houden we dit voor ogen: zeker, van de ene kant uitgaan uit deze materiële zaken ten behoeve van een meer geestelijk begrip van de aanbidding van God, maar uitkomen bij de incarnatie van de geest, uitkomen bij het punt waar ons lichaam weer opgenomen kan worden in het Lichaam van Christus en onze lofprijzing van God niet louter woord zij, louter activiteit, maar werkelijkheid van heel ons leven. Ik denk dat we daarover moeten reflecteren, en dat wij God moeten bidden dat Hij ons helpt opdat de geest ook in ons vlees wordt, en dat het vlees vol wordt van de Geest van God.

Dezelfde werkelijkheid vinden wij ook in het vierde hoofdstuk van het Evangelie volgens Johannes, waar de Heer tegen de Samaritaanse zegt: In de toekomst zal men niet op deze of die berg bidden, volgens deze of andere riten; men zal in geest en waarheid aanbidden. Vgl. Joh. 4, 21-23 Zeker, het wegtrekken uit deze vleselijke riten wegtrekken, betekent vergeestelijking, maar deze geest, deze waarheid, is niet de een of andere abstracte geest: deze geest is de Heilige Geest en de waarheid is Christus. Aanbidden in geest en waarheid wil zeggen werkelijk, door de heilige Geest heen, binnengaan in het Lichaam van Christus, in de waarheid van het zijn. En zo worden wij waarheid en worden wij verheerlijking van God. Waarheid worden in Christus vereist onze totale betrokkenheid.

Laten we verder gaan: “Heilig en welgevallig aan God: dat is de geestelijke eredienst die u past.” (Rom. 12, 1) En nu het tweede vers: na deze fundamentele definitie van ons leven als eredienst aan God, vleeswording van het Woord in ons, elke dag, met Christus – het vleesgeworden Woord – vervolgt Paulus: “Stem uw gedrag niet af op deze wereld. Word andere mensen, met een nieuwe gezindheid” (Rom. 12, 2) “Conformeer u niet aan deze wereld”: Er bestaat een non-conformisme van de Christen die zich niet laat conformeren. Noot van de vertaler: Paus Benedictus zinspeelt hier uitdrukkelijk op de Italiaanse vertaling: “Non conformatevi a questo mondo”. Dat wil niet zeggen dat wij de wereld willen ontvluchten, dat de wereld ons niet interesseert; integendeel, we willen onszelf omvormen en laten omvormen, en zo de wereld omvormen. We dienen daarbij voor de geest te houden dat in het Nieuwe Testament, vooral in het Evangelie van Johannes, het woord “wereld” twee betekenissen heeft en zo op het probleem en de werkelijkheid wijst van de vraag over welke wereld het gaat . Van de ene kant is er de “wereld” door God geschapen, door God zozeer bemind dat Hij zichzelf en zijn Zoon heeft gegeven voor deze wereld; de wereld is Gods schepping, God bemint haar en wil zichzelf geven om haar werkelijk schepping te laten zijn en antwoord op zijn liefde. Maar er is ook dat andere begrip van de “wereld”, deze wereld, in het Grieks kosmos houtos: de wereld die in het kwaad, in de macht van het kwaad is en die de oorsprongszonde weerspiegelt. We zien vandaag de dag deze macht van het kwaad bijvoorbeeld in twee grote machten die op zichzelf nuttig en goed zijn, maar die gemakkelijk te misbruiken zijn: de macht van het geld en de macht van de media. Beiden noodzakelijk, omdat ze nuttig kunnen zijn, maar zo gemakkelijk te misbruiken dat zij dikwijls het tegendeel worden van waar ze voor bedoeld zijn.

We zien hoe de financiële wereld over de mens kan heersen, dat het hebben en de schijn de wereld overheersen en haar tot slaaf maken. De financiële wereld stelt niet langer een instrument voor ter bevordering van het welzijn, ter bevordering van het leven van de mens, maar wordt een macht die hem onderdrukt, die als het ware aanbeden moet worden: de “mammon”, de ware valse godheid die de wereld overheerst. Tegen dit conformisme van de onderwerping aan deze macht, moeten wij non-conformistisch zijn: niet het hebben telt, maar het zijn! Laten we ons hieraan niet onderwerpen, gebruiken wij haar als middel, maar met de vrijheid van de kinderen Gods.

Dan die andere macht, die van de publieke opinie. Zeker, we hebben informatie nodig, kennis van de werkelijkheid van de wereld, maar het kan vervolgens een schijnmacht worden; uiteindelijk telt datgene wat gezegd wordt méér dan de werkelijkheid zelf. De schijn of hoe het gezien wordt, overheerst dan de werkelijkheid, wordt belangrijker, en de mens volgt niet meer de waarheid van zijn wezen, maar wil meegaan in de schijn, in wat men er van vindt, en wil zich conformeren aan deze werkelijkheid. Het christelijk non-conformisme gaat hier juist tegenin: wij willen niet altijd “geconformeerd” en geprezen worden, wij willen niet het gezien worden, maar de waarheid en deze waarheid geeft ons vrijheid, de ware christelijke vrijheid: zich bevrijden van deze behoefte om te behagen, om te spreken zoals de massa denkt dat het moet zijn, en de vrijheid te hebben tot de waarheid, en zo de wereld herscheppen op een manier die niet onder druk staat van wat men vindt, van de schijn die de werkelijkheid zelf niet meer boven laat komen; de virtuele wereld wordt méér waar, wordt sterker, terwijl men de werkelijke wereld van de schepping van God niet meer ziet. Het non-conformisme van de christen verlost ons, geeft ons weer terug aan de waarheid. Bidden we de Heer dat Hij ons helpt vrije mensen te zijn in dit non-conformisme dat niet tegen de wereld is, maar dat de ware liefde voor de wereld is.

De heilige Paulus vervolgt: “Wordt andere mensen, met een nieuwe gezindheid”(v. 2). Twee heel belangrijke woorden: “wordt anders”, of “vormt uzelf om”, van het Griekse metamorphon, en “vernieuwing”, van het Griekse anakainosis. Ons zelf omvormen, zich door de Heer laten omvormen in de vorm van het beeld van God,onszelf elke dag omvormen, door zijn werkelijkheid heen, tot de waarheid van ons wezen. En “vernieuwing”: dit is de ware nieuwheid: dat we ons niet ondergeschikt maken aan wat men vindt, aan wat het goed doet, maar aan de genade van God, aan zijn openbaring. Laten wij ons laten vormen en boetseren opdat in de mens werkelijk het beeld van God verschijnt.

“Door de vernieuwing – zegt Paulus op een voor mij verrassende wijze – van uw denken”. Deze vernieuwing, deze omvorming begint dus met de vernieuwing van het denken. De heilige Paulus zegt “ho nous”: heel de manier van ons redeneren, de rede zelf moet vernieuwd worden. Vernieuwing niet volgens de categorieën die we gewend zijn, maar vernieuwen wil hier zeggen dat we ons werkelijk laten verlichten door de Waarheid die spreekt in het Woord van God. En zo uiteindelijk de nieuwe manier van denken leren, die erin bestaat dat we niet gehoorzamen aan de macht en aan het hebben, aan wat indruk maakt enzovoort, maar aan de waarheid van ons wezen die diep in ons woont en die ons door het Doopsel is terug geschonken.

“De manier van denken vernieuwen”: dat is elke dag een opgave die eigen is aan de weg van de studie van de Theologie, van de voorbereiding op het priesterschap. Goed de Theologie studeren, geestelijk, haar tot in de diepte doordenken, elke dag de Schrift bemediteren; deze manier van Theologie studeren met een luisterend oor voor God zelf die tot ons spreekt, is de weg om te komen tot vernieuwing van denken, tot omvorming van ons wezen en van de wereld.
En tot slot, laten we er alles voor doen om, zoals Paulus zegt, “te kunnen onderscheiden wat God wil, wat goed is, Hem welgevallig en volmaakt” (Rom. 12, 2). De wil van God onderscheiden: we kunnen dit alleen leren langs een gehoorzame, nederige weg, met het Woord van God, met de Kerk, met de Sacramenten, met de meditatie over de Heilige Schrift. Wat is het goed de wil van God te kennen en te onderscheiden! Dit is fundamenteel in ons leven.
En laten we op de dag van de “Madonna della Fiducia” juist in Onze Lieve Vrouw de verwerkelijking van dit alles zien, de persoon die werkelijk nieuw is, die werkelijk omgevormd is, die werkelijk levende offergave is. Onze Lieve Vrouw ziet de wil van God, leeft in de wil van God, zegt “ja”, en dit “ja” van Onze Lieve Vrouw is heel haar wezen, en zo toont zij ons de weg, helpt zij ons.
Laten we derhalve op deze dag tot Onze lieve Vrouw bidden, die de levende icoon is van de nieuwe mens. Dat zij ons helpt ons wezen om te vormen, te laten omvormen teneinde echt nieuwe mensen te zijn en later, als God wil, herders van zijn Kerk. Dank u!

Document

Naam: WIJD UZELF AAN HEM TOE - LECTIO DIVINA
Bij het bezoek aan het pauselijk grootseminarie te Rome bij gelegenheid van het feest van de Madonna della Fiducia
Soort: Paus Benedictus XVI - Toespraak
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 15 februari 2012
Copyrights: © 2012, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling uit het Italiaans, alineaverdeling en -nummering: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 8 mei 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam