• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET GEBED VAN DE STERVENDE JEZUS OP HET KRUIS (BIJ MATTEUS EN MARCUS)
Aula Paolo VI

Dierbare broeders en zusters,

Vandaag wil ik met u nadenken over het gebed van Jezus op het ogenblik van Zijn nakende dood, en daarbij blijven we stilstaan bij wat de heilige Marcus en de heilige Matteüs ons daarover vertellen. De twee evangelisten vermelden het gebed van de stervende Jezus op het kruis, niet alleen in het Grieks, de taal waarin zij schreven, maar ook in een mengeling van Hebreeuws en Aramees omwille van het belang van Zijn woorden. Zij hebben ons aldus niet alleen de inhoud doorgegeven, maar zelfs de klank van dit gebed op Jezus’ lippen: we horen letterlijk Jezus’ woorden, zoals Hij ze uitgesproken heeft. Tegelijk beschrijven zij de houding van degenen die bij de kruisiging aanwezig waren, die dit gebed niet begrepen – of niet wilden begrijpen.

Zoals wij hoorden, schrijft de heilige Marcus: “Vanaf het zesde uur viel er een duisternis over het hele land, tot aan het negende uur toe. En op het negende uur riep Jezus met luider stem: ‘Eloï, Eloï, lama sabaktani?’ Dit is vertaald: ‘Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?’ (Mc. 15, 34). In de structuur van het verhaal, heeft het gebed, Jezus’ uitroep, plaats op het hoogtepunt van deze drie uren van duisternis, die van de middag tot drie uur in de namiddag over heel het land lag. Deze drie uren van duisternis zijn de voortzetting van een andere tijdsspanne, eveneens van drie uren, die begon bij Jezus’ kruisiging. De evangelist Marcus laat ons namelijk weten “het was het derde uur, toen ze Hem kruisigden” Vgl. Mc. 15, 25 . Uitgaande van de gegevens over het uur in het verhaal, zijn de zes uren die Jezus op het kruis doorbracht, verdeeld in twee delen die chronologisch overeenkomen.

In de eerste drie uren, van negen uur tot de middag, volgt de spot zich op van verschillende groepen mensen die te koop lopen met hun scepticisme en ongeloof. De heilige Marcus schrijft: “De voorbijgangers lasterden Hem” (Mc. 15, 29), “In dezelfde geest zeiden de hogepriesters en de schriftgeleerden spottend onder elkaar” (Mc. 15, 31); “Zelfs die samen met Hem gekruisigd waren, voegden Hem beschimpingen toe” (Mc. 15, 32). In de drie uren die volgen, spreekt de Evangelist alleen over de duisternis die heel het land bedekte; alleen duisternis vult heel de scène, zonder enige verwijzing naar bewegingen of woorden van personen. Maar wanneer Jezus meer en meer de dood nadert, is er niet alleen duisternis die over “het hele land” valt. De kosmos zelf deelt in dit gebeuren: de duisternis omhult mensen en dingen maar tegelijk is in dit ogenblik van duisternis, God aanwezig, Hij laat niet in de steek. In de traditie van de Bijbel heeft de duisternis een dubbele betekenis: ze is het teken van de aanwezigheid en werkzaamheid van het kwaad, maar ook van een mysterieuze aanwezigheid en werkzaamheid van God, die in staat is alle duisternis te overwinnen. In het Boek Exodus lezen wij bijvoorbeeld: “Ik kom tot u in een dichte wolk” (Ex. 19, 9); en ook: “Terwijl het volk op een afstand bleef staan, trad Mozes toe op de donkere wolk waarin God aanwezig was” (Ex. 20, 21). In de redevoeringen van Deuteronomium vertelt Mozes: “De berg was één laaiende vuurzee, tot hoog aan de hemel, met duisternis en donkere wolken” (Deut. 4, 11); “Maar toen gij uit de duisternis zijn stem had gehoord, terwijl de berg in brand stond” (Deut. 5, 23). In de scène van Jezus’ kruisiging, omhult de duisternis het land; het is de duisternis van de dood waarin Gods Zoon ondergedompeld is om het leven te brengen door Zijn daad van liefde.

Keren wij terug naar het verhaal van de heilige Marcus: op het ogenblik waarop Jezus tegenover de dood staat, toont Hij door de uitroep van Zijn gebed en ten overstaan van de beledigingen vanwege verschillende groepen mensen en van de duisternis die alles bedekt, dat zelfs onder het gewicht van lijden en dood, wanneer lijkt dat God Hem verlaten heeft en afwezig is, dat Hij de volle zekerheid heeft van de nabijheid van de Vader die instemt met deze hoogste daad van liefde, deze totale zelfgave. Nochtans wordt hier niet, zoals in andere passages, de stem uit den hoge gehoord. Als men de Evangelies leest, merkt men dat Jezus op andere belangrijke momenten van Zijn leven op aarde, de geruststellende stem van God gehoord heeft, die de tekenen begeleidde van de aanwezigheid van de Vader en die Zijn instemming manifesteerde met Zijn weg van liefde. Bijvoorbeeld na de doop in de Jordaan, wanneer de hemelen scheuren, wordt het woord van de Vader gehoord: “Gij zijt mijn Zoon, mijn veelgeliefde; in U heb Ik welbehagen” (Mc. 1, 11). Daarna bij de transfiguratie, klinkt een stem uit de wolk: “Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem” (Mc. 9, 7). Doch, als de dood van de Gekruisigde nadert, valt de stilte, zwijgen de stemmen, maar de liefdeblik van de Vader blijft gericht op de liefdegave van de Zoon.

Doch wat is de betekenis van Jezus’ gebed, van deze uitroep tot Zijn Vader: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”. Twijfelt Hij over Zijn zending, over de aanwezigheid van de Vader? De woorden die Jezus tot de Vader richt zijn de aanvang van Psalm 22, waarin de psalmist tegen God de spanning uitspreekt die hij beleeft tussen het gevoel van verlatenheid en de zekerheid van Gods aanwezigheid bij Zijn volk. De psalmist bidt aldus:

“Ik roep overdag, Gij antwoordt niet;
Des nachts, maar ik vind geen rust.
Toch troont Gij in het heiligdom,
Gij, Israëls hoop!” (Ps. 22, 3-4).

De psalmist spreekt over een “roep” die heel het leed van zijn gebed uitdrukt tot God die schijnbaar afwezig is: in ogenblikken van angst wordt gebed een roep.

En dat is ook wat gebeurt in onze relatie met de Heer: in de moeilijkste en pijnlijkste situaties, wanneer het lijkt dat God niet hoort, moeten wij niet aarzelen om Hem heel de last toe te vertrouwen die op ons hart weegt, we moeten geen angst hebben heel ons leed uit te roepen tot Hem, we moeten overtuigd zijn dat God nabij is, zelfs als Hij schijnbaar zwijgt.

Door op het kruis de woorden van de Psalm te herhalen: “Eloï, Eloï, lama sabaktani?” (Mt. 27, 46), door de woorden van de psalmist uit te roepen, bidt Jezus op het ogenblik van de ultieme afwijzing door mensen, op het ogenblik van de verlatenheid; Hij bidt, maar met een psalm, in het besef van de aanwezigheid van God de Vader, zelfs in dit uur waarin Hij het menselijk drama van de dood voelt. Maar dan kunnen wij ons afvragen: hoe is het mogelijk dat zo een machtige God niet tussen beide komt om Zijn Zoon aan die verschrikkelijke beproeving te onttrekken? Het is belangrijk te begrijpen dat het gebed van Jezus niet de wanhoopskreet is van iemand die de dood tegemoet gaat, noch de schreeuw van wie zich verlaten weet. Jezus eigent zich op dat ogenblik Psalm 22 helemaal toe, de Psalm van het volk van Israël dat lijdt; zo neemt Hij niet alleen het leed van Zijn volk op zich, maar ook dat van alle mensen die lijden, die door het kwaad verdrukt worden en legt Hij dit alles tegelijk in Gods hart, met de zekerheid dat Zijn roep bij de verrijzenis zal verhoord worden: “De uitroep in de uiterste kwelling is tezelfdertijd zekerheid van Gods antwoord, zekerheid van heil – niet alleen voor Jezus zelf, maar voor de ‘velen’.” Paus Benedictus XVI, Boek, Deel II, Jezus van Nazareth - Van de intocht in Jeruzalem tot de Verrijzenis (31 mrt 2011). 239-240. Dit gebed van Jezus houdt extreem vertrouwen en overgave in Gods handen in, zelfs wanneer Hij afwezig lijkt, wanneer Hij lijkt te zwijgen, overeenkomstig het plan dat voor ons onbegrijpelijk is. In de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
lezen wij: “Maar in de verlossende liefde die Hem altijd met de Vader verenigde, heeft Hij ons aangenomen toen wij door de zonde van God afgedwaald waren, zodat Hij op het kruis in onze naam kon zeggen: ‘Mijn God, mijn God, waarom heb Gij Mij verlaten?’.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 603. Hij lijdt in gemeenschap met ons en voor ons; Zijn lijden vloeit voort uit de liefde en draagt de verlossing, de overwinning van de liefde, reeds in zich.

De personen die aanwezig zijn aan de voet van het kruis kunnen het niet begrijpen en denken dat Zijn uitroep een smeekbede tot Elia is. In een levendige scène, proberen ze Zijn dorst te lessen om Zijn leven te verlengen en te zien of Elia Hem werkelijk te hulp komt, maar een grote schreeuw stelt een einde aan het aardse leven van Jezus en hun wens. Op dat extreme ogenblik, laat Jezus Zijn hart Zijn leed uitschreeuwen, maar tegelijk laat Hij Zijn aanvoelen van de aanwezigheid van de Vader opwellen en Zijn instemming met Diens heilsplan voor de mensheid. Ook wij, wij worden onophoudelijk geconfronteerd met het “nu” van het lijden, van Gods stilte – we drukken het zo dikwijls uit in ons gebed – maar wij staan ook tegenover het “nu” van de verrijzenis, van het antwoord van God die ons lijden op zich genomen heeft, om het met ons te dragen en ons de vaste hoop te geven dat het overwonnen is Vgl. Paus Benedictus XVI, Encycliek, Liefde in Waarheid - Over de Christelijke hoop, Spe Salvi (30 nov 2007), 35-40.

Dierbare vrienden, brengen wij onze dagelijkse kruisen in gebed bij God, met de zekerheid dat Hij aanwezig is en naar ons luistert. De kreet van Jezus herinnert ons eraan hoezeer wij in ons gebed de grenzen van ons ik en van onze problemen moeten overstijgen en ons openstellen voor de noden en het lijden van de anderen. Het gebed van de stervende Jezus op het kruis leert ons uit liefde te bidden voor zoveel broeders en zusters die de zwaarte van het dagelijks leven voelen, die moeilijke momenten doormaken, beproefd worden, die zelfs geen woord van bemoediging horen; laten wij dat alles in Gods hart leggen, opdat ook zij Gods liefde mogen voelen die ons nooit in de steek laat.

Document

Naam: HET GEBED VAN DE STERVENDE JEZUS OP HET KRUIS (BIJ MATTEUS EN MARCUS)
Aula Paolo VI
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 8 februari 2012
Copyrights: © 2012, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 30 augustus 2013

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam