• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE WOORDEN VAN JEZUS ONMIDDELLIJK VOORAFGAAND AAN ZIJN STERVEN (BIJ LUCAS)

Dierbare broeders en zusters,

In onze gebedsschool heb ik Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Het gebed van de stervende Jezus op het kruis (bij Matteus en Marcus)
Aula Paolo VI
(8 februari 2012)
gesproken over het gebed van de stervende Jezus op het kruis, aan de hand van Psalm 22: “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?”. Ik zou nu onze meditatie over het gebed van de gekruisigde Jezus willen voortzetten, ten overstaan van Zijn nakende dood en ik zou mij vandaag willen houden aan het verhaal dat we in het Evangelie van de heilige Lucas vinden. De evangelist heeft ons drie woorden meegedeeld van Jezus op het kruis, waaronder – het eerste en het derde – gebeden zijn, expliciet tot de Vader. Het tweede is een belofte aan degene die de goede moordenaar genoemd wordt en met Hem gekruisigd werd; op de vraag van de moordenaar geeft Jezus hem namelijk de verzekering: “Voorwaar, Ik zeg u: Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs” (Lc. 23, 43). In het verhaal van Lucas zijn de twee gebeden die de stervende Jezus tot Zijn Vader richt, suggestief verbonden aan de verhoorde smeekbede die de berouwvolle zondaar tot Hem richt. Jezus roept de Vader aan en luistert tegelijk naar het gebed van deze man die men dikwijls “latro poenitens”, de berouwvolle moordenaar, noemt.

Laten we stilstaan bij deze drie gebeden van Jezus. Het eerst wordt door Jezus uitgesproken onmiddellijk nadat Hij aan het kruis genageld werd, terwijl de soldaten Zijn kleren verdelen, als trieste beloning voor het geleverde werk. In zekere zin wordt de kruisiging met dit gebaar afgesloten. De heilige Lucas schrijft: “Toen zij op de plaats kwamen die Schedel heet, sloegen zij Hem daar aan het kruis, en zo ook de misdadigers, de een rechts, de ander links. En Jezus zeide: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’ Ze verdeelden zijn kleren onder elkaar, door er om te dobbelen” (Lc. 23, 33-34). Het eerste gebed dat Jezus tot de Vader richt is een gebed van voorspraak: Hij vraagt vergiffenis voor Zijn beulen. Zo voltrekt Jezus persoonlijk wat Hij in de bergrede geleerd had: “Tot u die naar Mij luistert zeg Ik: Bemint uw vijanden, doet wel aan die u haten” (Lc. 6, 27); en aan wie kan vergeven, had Hij ook beloofd: “Uw loon zal groot zijn, dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste” (Lc. 6, 35). Op het kruis vergeeft Hij nu niet alleen Zijn beulen, maar spreekt Hij ook rechtstreeks bij de Vader voor hen ten beste.

Een ontroerende navolging van deze houding van Jezus vinden we in het verhaal over de steniging van de heilige Stefanus, de eerste martelaar. Stefanus, die namelijk stervende was, “viel op zijn knieën en riep met luider stem: ‘Heer, reken hun deze zonde niet aan.’ Na deze woorden ontsliep hij” (Hand. 7, 60): het waren zijn laatste woorden. De vergelijking tussen Jezus’ gebed tot vergeving en dat van de eerste martelaar is van betekenis. De heilige Stefanus richt zich tot de verrezen Heer en vraagt dat de moord op hem – een handeling die duidelijk “deze zonde” genoemd wordt – niet zou aangerekend worden aan wie hem stenigden. Jezus richt zich op het kruis tot de Vader en Hij vraagt niet alleen vergiffenis voor degenen die Hem kruisigen maar Hij geeft ook inzicht in wat aan het gebeuren is. Volgens Zijn woorden, weten degenen die Hem kruisigen “niet wat ze doen” (Lc. 23, 34). De reden die Hij geeft om de vergeving van de Vader te vragen is dus onwetendheid, het feit “niet te weten”, want deze onwetendheid baant de weg naar bekering, wat trouwens gebeurt bij de honderdman als Jezus sterft: “Deze mens was waarlijk een rechtvaardige” (Lc. 23, 47), Hij was de Zoon van God. “Het is een troost voor alle tijden en alle mensen dat de Heer zowel aan wie onwetend zijn – de beulen – als aan degenen die het wel weten – zij die Hem veroordeeld hebben – hun onwetendheid tot reden maakt van Zijn vraag tot vergeving. Hij aanziet dit als een open deur naar onze bekering” Paus Benedictus XVI, Boek, Deel II, Jezus van Nazareth - Van de intocht in Jeruzalem tot de Verrijzenis (31 mrt 2011). p. 233.

Het tweede woord van Jezus op het kruis, door de heilige Lucas vermeld, is een woord van hoop, het antwoord op de bede van één van de twee mannen die met Hem gekruisigd zijn. Ten overstaan van Jezus, keert de goede moordenaar in zichzelf en heeft hij berouw, hij realiseert zich dat hij tegenover de Zoon van God staat, die het gelaat van God zichtbaar maakt en vraagt Hem: “Jezus, denk aan mij, wanneer Gij in uw Koninkrijk gekomen zijt” (Lc. 23, 42). Het antwoord van de Heer op die bede gaat veel verder dan de vraag; Hij zegt hem namelijk: “Voorwaar, Ik zeg u: Vandaag nog zult gij met Mij zijn in het paradijs” (Lc. 23, 43). Jezus is zich ervan bewust dat Hij rechtstreeks contact heeft met de Vader en voor deze man de weg opent naar Gods paradijs. Zo geeft Hij door dit antwoord, de vaste hoop dat Gods goedheid ons kan raken, zelfs op het laatste ogenblik van ons leven, en een oprecht gebed, zelfs op het einde van een verkeerd leven, ontmoet de open armen van de Vader die goed is en op de terugkeer van Zijn kind wacht.
Maar houden we nu halt bij de laatste woorden van Jezus op het ogenblik van Zijn dood. De evangelist vertelt: “Het was nu omtrent het zesde uur; er viel duisternis over heel de streek tot aan het negende uur toe, doordat de zon geen licht meer gaf. Het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor. Toen riep Jezus met luider stem: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.’ Nadat Hij dit gezegd had, gaf Hij de geest” (Lc. 23, 44-46). Bepaalde aspecten van dit verhaal verschillen van de voorstelling die Marcus en Matteüs ervan geven. De drie uren van duisternis bij Marcus worden niet beschreven en bij Matteüs zijn ze verbonden met een reeks apocalyptische gebeurtenissen zoals de aardbeving, de graven die opengaan en de doden die verrijzen Vgl. Mt. 27, 51-53 . Bij Lucas, worden de uren van duisternis veroorzaakt door de zonsverduistering, maar het is ook op dat ogenblik dat het voorhangsel van de tempel scheurt. Zo geeft het verhaal volgens Lucas twee tekens - die in zekere zin parallel zijn - aan de hemel en in de tempel. De hemel verliest haar licht, de aarde verzakt, terwijl in de tempel - plaats van Gods aanwezigheid - het voorhangsel scheurt dat het heiligdom beschermt. Jezus’ dood wordt expliciet gekenmerkt als een kosmisch en liturgisch gebeuren; zij tekent in het bijzonder het begin van een nieuwe eredienst, in een tempel die niet door mensen gebouwd is, want het Lichaam van de gestorven en verrezen Jezus zelf verzamelt de volken en verenigt ze in het sacrament van Zijn Lichaam en Bloed.

In dit ogenblik van lijden, is het gebed van Jezus – “Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest” – een grote uitroep van extreme en totale overgave aan de handen van de Vader. Zijn gebed drukt Zijn volle besef uit niet verlaten te zijn. De aanroeping – “Vader” – herinnert aan Zijn eerste uitspraak toen Hij twaalf was. Hij was drie dagen in de tempel van Jeruzalem gebleven, waarvan het voorhangsel nu gescheurd is. En wanneer Zijn ouders Hem hun bezorgdheid toonden, had Hij geantwoord: “Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” (Lc. 2, 49). Wat van het begin tot het einde Jezus’ gevoelens, spreken en optreden volledig bepaalt, is Zijn unieke relatie met de Vader. Op het kruis beleeft Hij deze kinderlijke band met God die Zijn gebed bezielt, ten volle en vanuit de liefde.

De woorden die Jezus na de aanroeping “Vader” uitspreekt, hernemen de woorden van Psalm 31: “In uw hand beveel ik mijn geest” (Ps. 31, 6). Maar deze woorden zijn geen gewoon citaat, maar manifesteren eerder een vast besluit: Jezus levert zich over aan de Vader in een daad van totale overgave. Deze woorden zijn een gebed van zelfovergave, vol vertrouwen in Gods liefde. Jezus’ gebed ten overstaan van de dood is dramatisch, zoals dat voor elke mens het geval is, maar het wordt tegelijk bewoond door de diepe rust die voortvloeit uit het vertrouwen in de Vader en uit de wil zich geheel aan Hem over te leveren. Toen Hij in Getsemane de eindstrijd begon en Zijn gebed intenser werd omdat Hij ging overgeleverd worden in de handen van de mensen Vgl. Lc. 9, 44 , was Zijn zweet geworden “tot dikke druppels bloed, die op de grond neervielen” (Lc. 22, 44). Maar Zijn hart was volledig gehoorzaam aan de wil van de Vader en daarom “verscheen Hem een engel uit de hemel om Hem te sterken” (Lc. 22, 43). In deze laatste ogenblikken, richt Jezus zich nu tot de Vader en zegt ons wat die handen werkelijk zijn waarin Hij heel Zijn bestaan legt. Vooraleer naar Jeruzalem te vertrekken had Jezus er bij Zijn leerlingen op aangedrongen: “Hebt een open oor voor wat Ik u zeg. De Mensenzoon zal worden overgeleverd in de handen der mensen” (Lc. 9, 44). Nu het leven Hem gaat verlaten, bezegelt hij Zijn laatste beslissing in Zijn gebed: Jezus heeft zich laten overleveren “in de handen der mensen”, maar in de handen van de Vader legt Hij Zijn geest; zo wordt alles vervuld, zoals de evangelist Johannes zegt, de hoogste daad van liefde is ten einde toe vervuld, tot aan het uiterste en verder dan het uiterste.
Dierbare broeders en zusters, Jezus’ woorden op het kruis bieden in de laatste ogenblikken van Zijn aardse leven, veeleisende aanwijzingen voor ons gebed, maar zij banen de weg voor een sereen vertrouwen en een vaste hoop. Jezus die de Vader vraagt degenen die hem kruisigen te vergeven, nodigt ons uit tot het moeilijke gebaar ook te bidden voor degenen die ons onrecht aandoen, die ons gekwetst hebben, en daarbij altijd te vergeven opdat Gods licht in hun hart zou komen; en Hij nodigt ons uit in ons gebed dezelfde barmhartige en liefdevolle houding te beleven die God heeft ten opzichte van ons: “Vergeef ons onze schulden zoals ook wij vergeven aan onze schuldenaren”, zeggen wij dagelijks in het Onze Vader. Jezus die zich in het laatste ogenblik van de dood geheel overgeeft in de handen van God de Vader, geeft ons tegelijk de zekerheid dat ongeacht de zwaarte van onze beproevingen, de moeilijkheid van onze problemen, het gewicht van ons lijden, wij nooit naast Gods handen zullen vallen, die handen die ons geschapen hebben, die ons ondersteunen en begeleiden op de weg van ons bestaan, want zij worden bestuurd door een oneindige en trouwe liefde.

Document

Naam: DE WOORDEN VAN JEZUS ONMIDDELLIJK VOORAFGAAND AAN ZIJN STERVEN (BIJ LUCAS)
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 15 februari 2012
Copyrights: © 2012, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam