• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

TOT DEELNEMERS AAN DE STUDIEWEEK VAN DE PAUSELIJKE ACADEMIE VOOR WETENSCHAPPEN OVER "MOLECULAIRE KRACHTEN"

Mijne heren, door u op het eind van uw studieweek over de "moleculaire krachten&" te ontvangen, is het niet onze bedoeling - zoals u begrijpt - ons te wagen op uw wetenschappelijk terrein, maar eerder u blijk te geven van de waardering van de Kerk voor uw leden, van de belangstelling waarmee zij uw werkzaamheden volgt en van haar verlangen om al het mogelijke te doen ter begunstiging van de succesvolle ontwikkeling en de voortdurende vooruitgang van uw onderzoekingen binnen de pauselijke academie van wetenschappen.

Zoals u bekend is, was dit de zorg van de eminente stichter van deze academie, de grote Paus Pius XI. Het was ook de zorg van zijn beide opvolgers: wij behoeven u hier niet te herinneren aan de magistrale redevoeringen waarmee onze voorganger Pius XII gedurende zijn lang en roemrijk pontificaat elk van uw zittingen wenste op te luisteren.

Met de ambtsaanvaarding van Paus Johannes XXIII, wiens moeilijke opvolging wij op ons hebben genomen, ontstond een, zo kan men zeggen, nogal nieuw element in de betrekkingen van het kerkelijk gezag met de wetenschappelijke wereld.

Niet alleen het zichtbare hoofd van de Kerk in afzonderlijke toespraken, maar het wereldepiscopaat, in concilie bijeen, heeft zich moeten uitspreken over de houding van de Kerk in de hedendaagse wereld, en in het bijzonder ten opzichte van de moderne ontwikkelingen van de cultuur en van hetgeen het voorwerp is van de werkzaamheden waaraan gij uw leven zo nobel hebt gewijd: het wetenschappelijk onderzoek.

De conclusies van dit uitgebreide ,gewetensonderzoek' van de Kerk op dit gebied zijn vastgelegd in een document, dat naar onze mening al uw aandacht verdient en waarvan velen van u ongetwijfeld reeds kennis hebben genomen: 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Gaudium et Spes
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
(7 december 1965)
.

Dit gewichtig document, dat in het tweede deel een zeker aantal concrete problemen behandelt welke aan de Kerk van onze tijd gesteld worden, spreekt ook over de cultuur. Het juicht eerst de snelle ontwikkeling ervan toe en tevens de opkomst van wat men een ,nieuw humanisme' kan noemen. Maar het wijst terstond ook op de complexiteit van de problemen die er het gevolg van zijn en die, naar onze mening, voor u een geheel bijzonder belang hebben: het zegt: "Hoe kan de zo snelle en voortschrijdende specialisatie van de afzonderlijke wetenschappen in overeenstemming gebracht worden met de noodzaak om daaruit een synthese te vormen en om voor de mensen de mogelijkheden te waarborgen van contemplatie en bewondering, die tot wijsheid voeren?" 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 56. § 4

Men kan zeggen, dat deze korte paragraaf volmaakt de standpunten tegenover elkaar plaatst van de gespecialiseerde deskundige - het uwe - en dat van de Kerk. Het strekt u tot eer, dat gij vooral bezorgd zijt om de menselijke wetenschap te bevorderen, om voortdurend nieuwe resultaten in elk van de wetenschappen te boeken: uit de aard der zaak is deze "snelle en voortschrijdende specialisatie", waarover het conciliedocument spreekt, er het gevolg van. De Kerk, van haar kant, is vooral bezorgd om de synthese, want zij heeft tot taak om de harmonische eenheid en het evenwicht van het redelijk schepsel te waarborgen, om het te helpen zich op te heffen tot die hogere ,wijsheid' die een uitvloeisel is van de goddelijke openbaring die haar is toevertrouwd.

Zij ziet de risico's van een al te grote specialisatie en de beletselen welke deze kan vormen voor het streven van de ziel naar het spirituele.

In het belang van de mens wil de Kerk tot iedere prijs deze ,mogelijkheden van contemplatie en bewondering' redden, die een zuiver technische beschaving gemakkelijk onverschillig zouden kunnen laten. Als een moeder, bezorgd om het ware, ,dat de mens in een te groot vertrouwen op de huidige ontdekkingen meent, dat hij zichzelf voldoende is, en verder niets hogers meer zoekt.' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 57. § 5 Ook dit zijn de eigen woorden van de constitutie over de Kerk in de wereld van deze tijd en zij brengen ons tot de kern van het debat tussen de Kerk en de wetenschap. De Kerk vraagt: wat is de juiste waarde van het wetenschappelijk onderzoek? Tot hoever strekt het zich uit? Put het de gehele werkelijkheid uit, of is het er slechts een deel van, namelijk van de waarheden welke op wetenschappelijke wijze kunnen worden verkregen? En deze waarheden zelf, die terecht zo dierbaar zijn aan de geleerde, zijn zij eigenlijk definitief, of zullen ze morgen door een nieuwe ontdekking onttroond worden? Wat voor lessen geeft ons daarvoor niet de geschiedenis der wetenschappen!

En vervolgens, hoe bewonderenswaardig en grondig deze studie van de specialist ook is, geeft zij tenslotte de diepste grond aan van de dingen die zijn ontdekt? Wat een sterren aan de hemel! Zeker, maar hoe en waarom? Wat een wonderen in de anatomie en de fysiologie van het menselijk leven! Ongetwijfeld. Maar waarom het menselijk lichaam? Waarom de mens? Hier zwijgt de wetenschap, en zij moet dit doen op straffe van zich buiten haar terrein te begeven. Zij staat stil op de drempel van de beslissende vragen: Wie zijn wij? Waar komen wij vandaan? Waar gaan wij heen?

Meent niet, mijne heren, dat wij, door deze vraagtekens te plaatsen, zouden willen twijfelen aan de waarde van de wetenschappelijke methode. Meer dan wie ook verheugt de Kerk zich over ieder waarlijk resultaat van de menselijke geest, op ieder gebied.

Zij erkent en waardeert ten zeerste het belang van de wetenschappelijke ontdekkingen.

De inspanning van het verstand en van de organisatie die noodzakelijk is om op dit gebied nieuwe resultaten te bereiken, verdient aanmoediging en bewondering. Want men ziet er niet alleen, hoe prachtig het verstand wordt gebruikt, maar men ontdekt er ook de beoefening van hoge morele deugden welke aan de geleerde het aanzien en de verdienste van een asceet, soms van een held, toekennen aan wie de mensheid grote lof en dankbaarheid verschuldigd is.

In haar dialoog met de wereld van de wetenschap beperkt de Kerk zich niet alleen tot het toekennen van de juiste plaats in de wereld van de wetenschap aan het wetenschappelijk onderzoek, tot het bepalen van de grenzen ervan en het erkennen van zijn verdiensten. Zij heeft ook nog iets te zeggen tot de geleerde over zijn taak in het heelal dat God geschapen heeft.

Het is overduidelijk, dat de wetenschap op zichzelf niet voldoende is: zij zou haar eigen doel niet kunnen zijn. De wetenschap bestaat slechts door en voor de mens; zij moet uit haar stadium van onderzoek treden en doordringen tot de mens en daardoor tot de maatschappij en de gehele geschiedenis.

De wetenschap is koningin in haar gebied. Wie zou eraan denken dit te ontkennen? Maar zij is de dienares van de mens, die de koning van de schepping is. Als zij weigert te dienen, als zij niet meer gericht is op het welzijn en de vooruitgang van de mensheid, zou zij onvruchtbaar, nutteloos en zelfs schadelijk worden.

De gevolgen van deze taak van dienstbaarheid zijn ontelbaar en wij zouden hier moeten spreken - maar de korte tijd waarover wij beschikken, staat dit niet toe - over het onmetelijke probleem van de moraliteit van de toepassingen der wetenschap. Of het nu gaat over de genetica, de biologie, het gebruik van de atoomenergie of over zoveel andere wetenschappen die het essentiële in de mens benaderen, de loyale geleerde moet zich bij zijn ontdekkingen wel vragen stellen over dat psycho-fysiologisch complex dat tenslotte de menselijke persoon vormt. Is alles geoorloofd? Kan de toegepaste wetenschap wel abstractie maken van een morele norm, kan zij ongeremd "boven het goed en het kwaad" uitgaan? Wie ziet niet tot welke afdwalingen sommigen in naam van de wetenschap zouden kunnen komen?

Maar de Kerk verwacht niet alleen van de wetenschap, dat zij geen inbreuk maakt op de moraliteit in het diepste van het menselijk zijn. Zij verwacht van haar een positieve dienst, wat men de ,liefde van het weten' zou kunnen noemen. Gij, heren, zijt degenen die de sleutels van de hoogste cultuur in handen hebt. Op dit ogenblik durven wij bij u de advocaat te zijn van de ontelbare massa's die slechts van verre en zelden enkele druppels, enkele kruimels ontvangen van dit uitgebreide terrein van menselijk weten.

Staat ons toe u in hun naam te zeggen: houdt u bezig met het wetenschappelijk onderzoek, maar met het doel om anderen ervan te laten profiteren, opdat het licht van de ontdekte waarheid zich zal verspreiden, opdat het mensdom erdoor zal onderricht, verbeterd, vervolmaakt worden; opdat de economische politiek van de volkeren er richtlijnen uit kan putten die met meer zekerheid leiden tot het ware welzijn der mensen. Dit is het onmetelijke panorama dat zich voor de geleerde opent, wanneer hij bij het verlaten van zijn laboratorium, om rondom zich te zien, iets bemerkt van de verwachting der mensen: een verwachting die de harten opheft en ze opent voor de hoop en voor de vreugde, niet zonder soms plaats te laten voor - het moet gezegd worden - een gevoel van onrust en van angst.

Deze onrust, deze angst zullen verdwenen zijn op de dag waarop de mensheid zal weten en voelen, dat de geleerde jegens haar bezield is met een oprechte geest van dienstbaarheid, dat hij niets anders wenst dan de mensheid te verlichten, te troosten en haar vooruitgang en geluk te verzekeren.

Gij herinnert u ongetwijfeld, heren, die "2e Vaticaans Concilie - Overig document
Boodschap aan de mensen van het intellect en van de wetenschap
(8 december 1965)
" die op de sluitingsdag van het concilie werd afgekondigd. Alvorens uiteen te gaan, wendde de indrukwekkende vergadering zich tot u, om u deze dringende oproep na te laten: "zet uw onderzoekingen onvermoeibaar voort zonder ooit aan de waarheid te wanhopen! ... mogen zij met het licht van vandaag het licht van morgen zoeken tot aan de volheid van het licht." 2e Vaticaans Concilie, Overig document, Boodschap aan de mensen van het intellect en van de wetenschap (8 dec 1965), 3 En de concilievaders voegden hieraan toe: "Wij zijn de vrienden van uw roeping als beoefenaars van de wetenschap, de deelgenoten van uw inspanningen, de bewonderaars van uw veroveringen en, als het nodig is, de troosters van uw ontmoedigingen en van uw mislukkingen." 2e Vaticaans Concilie, Overig document, Boodschap aan de mensen van het intellect en van de wetenschap (8 dec 1965), 4

Deze laatste zin zou uw verwondering kunnen opwekken. Brengt het wetenschappelijk onderzoek niet zijn beloning met zich mee? Is de geleerde niet voor zijn moeite betaald door de hoge intellectuele voldoeningen die met zijn werk verbonden zijn?

De Kerk brengt ons echter een hogere wijsheid, bron van nog onvergelijkelijk hogere vreugden. Uw leven als geleerde gaat, om zo te zeggen, voorbij met het lezen in het grote boek van de natuur. Wij hebben een ander boek, dat ons de gedachten van God over de wereld meedeelt: het geïnspireerde, het Heilige Boek. Dat boek geeft de beslissende antwoorden die de wetenschap niet kan geven.

Staat ons toe, heren, voor u tenslotte een bladzijde van dat boek te openen, waar de geïnspireerde schrijver de opwinding in zijn ziel beschrijft, toen het hem gegeven was die wijsheid te naderen die boven alle menselijke kennis verheven is en die gij zojuist het concilie hebt horen oproepen: ,Ik heb gebeden', zegt hij, ,toen werd mij inzicht gegeven; Ik smeekte: en de geest van wijsheid kwam in mij. Ik heb haar gesteld boven scepters en tronen; En bij haar vergeleken, telde ik rijkdom voor niets ... Want alle goud is, met haar vergeleken, wat stof, En zilver geldt naast haar enkel als slijk. Meer dan gezondheid en schoonheid had ik haar lief, En ik gaf haar de voorkeur boven het licht; Want de glans die zij uitstraalt, dooft nooit. Tegelijk met haar viel mij groter goed nog ten deel . . . In oprechtheid heb ik haar leren kennen, Zonder afgunst deel ik haar mee. Want zij is voor de mensen een onuitputtelijke schat; Die hem benutten, verwerven Gods vriendschap' (Wijsh. 7, 7-14).

Mijne heren, moge deze wijsheid uw getrouwe metgezel zijn in uw moeilijke arbeid. Dit is ons verlangen en onze wens, terwijl wij over uw persoon, uw gezinnen en uw werk de meest overvloedige zegeningen van God afroepen.

Het is ons aangenaam in tegenwoordigheid van deze vergadering een beloning te schenken aan professor Allan Rex Bandage, een wereldberoemde geleerde, wiens verdiensten reeds door de astronomische sociëteiten van Amerika zijn erkend en aan wie wij, uit dankbaarheid voor de belangrijke bijdrage van zijn onderzoekingen, de "Pius XI-medaille" gaan overhandigen.

Document

Naam: TOT DEELNEMERS AAN DE STUDIEWEEK VAN DE PAUSELIJKE ACADEMIE VOOR WETENSCHAPPEN OVER "MOLECULAIRE KRACHTEN"
Soort: H. Paus Paulus VI - Toespraak
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 23 april 1966
Copyrights: © Katholiek Archief (1966), 21e jrg nr 35 p. 927-928
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam