• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
1. Religieuze ervaring

Tot zover, eerbiedwaardige Broeders, de modernist als filosoof. Als iemand weten wil, nu Wij de gelovige modernist gaan beschouwen, hoe deze bij de modernisten onderscheiden is van de filosoof, moet hij het volgende niet uit het oog verliezen. Ofschoon de wijsgeer de realiteit van het goddelijke als voorwerp aanvaardt, zoekt hij toch de werkelijkheid van het goddelijke uitsluitend in de ziel van de gelovige als object van zijn "aanvoelen" en "aanvaarden". Dit reikt dus niet verder dan het gebied der verschijnselen. Of dit goddelijke nu ook buiten de waarneming en aanvaarding bestaat, daarvan heeft hij als wijsgeer geen weet en daaraan gaat hij voorbij. Bij de modernist als gelovige is daarentegen de overtuiging aanwezig dat de realiteit van het goddelijke op zich bestaat en niet heel en al afhangt van de gelovige. Als men vraagt waarop de zekerheid van de gelovige uiteindelijk steunt, krijgt men ten antwoord: In de privé-ervaring van ieder mens afzonderlijk. Met dit antwoord wijken zij wel af van de opvatting der rationalisten, maar komen overeen met de zienswijzen van protestanten en met die van pseudo-mystici. Vgl. Z. Paus Innocentius XI, Constitutie, Over dwalingen van het quietisme van Miguel de Molinos, Caelestis Pastor (20 nov 1687), 53 Zij stellen de zaak aldus voor: In het godsdienstig aanvaarden moet men een zekere intuïtie van het hart zien. Hierdoor komt de mens in onmiddellijk contact met de goddelijke realiteit en put daaruit zo'n sterke overtuiging omtrent het bestaan van God en Gods werking in en buiten de mens, dat hij elke overtuiging welke van de kant der wetenschap zou kunnen komen heel ver achter zich laat. Zij nemen dus een echte ervaring aan en wel een zodanige dat zij elke verstandelijke ervaring overtreft. Als iemand dit afwijst - zoals de rationalisten doen - dan wordt als reden daarvoor opgegeven dat men zich niet wil schikken naar de zedelijke omstandigheden die voor het opdoen van de ervaring noodzakelijk zijn. Deze ervaring maakt iemand tot een waar gelovige zodra die ervaring is opgedaan. Hoever verwijderd staan wij hier van de katholieke leer! Wij hebben reeds gezien dat deze verzinsels door het Vaticaans Concilie veroordeeld werden.

Dit eenmaal vastgesteld, samen met de reeds gesignaleerde dwalingen, gaan Wij nu zeggen hoe door dit alles de weg naar het atheïsme open ligt. Het is evenwel goed al aanstonds te bedenken dat uit deze ervaringsleer samen met die van het symbolisme volgt, dat elke godsdienst, het heidendom helemaal niet uitgezonderd, waar moet zijn. Vindt men zulke ervaringen immers niet in elke godsdienst? Meerderen nemen dit aan. Met welk recht kunnen de modernisten de waarheid van een ervaring afwijzen, die een Islamiet beweert te hebben en hoe kunnen zij de echte ervaring alleen opeisen voor Katholieken? In feite geven de modernisten dit dan ook toe. Sommigen doen dat in vage bewoordingen. Anderen zeggen heel duidelijk dat alle godsdiensten waar zijn. Het spreekt vanzelf dat zij vanuit hun standpunt niet anders kunnen denken. Welke godsdienst zouden zij immers vals kunnen noemen die toch volgens hun stelling uit hetzelfde beginsel stamt? Dat zou slechts mogelijk zijn als het "godsdienstig aanvoelen" vals zou blijken te zijn ofwel doordat de door het verstand geformuleerde uitspraak foutief zou zijn. Welnu: het "godsdienstig aanvoelen" is altijd een en hetzelfde, ofschoon misschien hier en daar wat onvolmaakter. Opdat de door het verstand opgestelde formulering juist is, is het voldoende dat zij is aangepast aan het godsdienstig aanvoelen en ook aan de gelovige, wat er ook zij van diens verstandelijke aanleg en kunnen. Op zijn hoogst zouden de modernisten bij de tegenstrijdigheden der religies kunnen zeggen, dat het katholicisme, omdat het levenskrachtiger is, meer waarheid bevat. Zo ook dat het waardiger is de naam van christelijk te dragen omdat het vollediger beantwoordt aan zijn oorsprong.
Niemand zal betwisten dat deze conclusies getrokken kunnen worden uit de gegeven premissen. Het meest verbazingwekkende is echter dat er katholieken en zelfs priesters gevonden worden die, naar we graag aannemen, deze ongerijmdheden wel afwijzen, doch er niettemin naar handelen en ze onderschrijven. Zij zijn immers zo vol lof voor de leraars van dergelijke dwalingen en bewijzen hun openlijk zoveel eer dat men gemakkelijk tot het inzicht moet komen dat het niet zozeer de bedoeling is om die mensen te eren - wat zij misschien wel hier en daar verdienen -, doch dat zij veeleer de dwalingen zelf aanhangen. Zij verkondigen die immers openlijk en trachten ze met alle kracht te verspreiden.
2. De religieuze ervaring en de overlevering

Er is bovendien in deze leer nog iets dat heel en al in strijd is met de katholieke waarheid. Het ervaringsbeginsel wordt overgedragen op de traditie, die door de Kerk tot vandaag toe wordt vastgehouden en nu totaal vernietigd wordt. Want de modernisten verstaan de traditie als een mededeling aan anderen van hun oorspronkelijke ervaring, opgedaan door de prediking met behulp van verstandelijke formules. Daarom, schrijven zij, naar hun zeggen, aan deze formuleringen, behalve de voorstellende kracht ook een suggestief vermogen toe en dit enerzijds om bij een zwak geworden gelovige het godsdienstig "aanvoelen" weer op te wekken en de vroegere ervaring te hernieuwen en anderzijds om ook bij iemand die nog niet gelooft het godsdienstig "aanvoelen" eerst op te wekken en daarna de "ervaring" te laten ondervinden. Zo wordt de religieuze ervaring onder de volken wijd en breed verspreid, niet alleen onder de thans levenden door de prediking, maar ook voor het nageslacht bewaard, doorgegeven door boeken, geschriften en woorden van het ene geslacht aan het andere. Deze overdracht van ervaring schiet soms wortel en gaat dan groeien. Maar ze veroudert ook wel en sterft dan aanstonds af. Wanneer ze wortel schiet is dat voor de modernisten een argument voor de waarheid. Waarheid en leven zijn voor hen synoniem. Men is gerechtigd hier weer opnieuw uit af te leiden, dat alle bestaande godsdiensten waar zijn, anders zouden zij niet leven.

3. Geloof en wetenschap
a. Scheiding van geloof en wetenschap

Nu Wij zover gekomen zijn, eerbiedwaardige Broeders, hebben we meer dan genoeg om goed te kunnen weten welke verhouding de modernisten zien tussen geloof en wetenschap. De geschiedenis sluiten zij in bij het begrip wetenschap. Vastgesteld moet worden dat de voorwerpen van wetenschap en van geloof geheel los van elkaar staan. Het geloof beoogt alleen wat de wetenschap voor zich als onkenbaar houdt. Vandaar het verschil van betekenis van beiden. De wetenschap houdt zich bezig met verschijnselen, waarbij voor het geloof geen plaats is; het geloof daarentegen houdt zich bezig met het goddelijke, dat voor de wetenschap totaal ontoegankelijk is. Daaruit kan men dan opmaken dat er tussen geloof en wetenschap nooit een botsing kan bestaan. Want als ieder zijn eigen plaats bewaard kunnen zij elkaar nooit ontmoeten en elkaar dus ook nooit tegenspreken.

Maakt men hier de opmerking dat er in de zichtbare natuur dingen zijn die ook tot het geloof behoren, zoals het menselijk leven van Christus, dan zullen zij dat ontkennen. Zij nemen wel aan dat dit dingen zijn die tot de verschijnselen behoren. Maar doortrokken als zij zijn door het geloofsleven en daardoor, zoals reeds gezegd, van gedaante zijn veranderd en vervormd, alinea 14 zijn ze onttrokken aan de zintuiglijk waarneembare wereld en behoren ze tot het gebied van het goddelijke.

En als men verder vraagt of Christus werkelijk wonderen gedaan heeft, of Hij kennis heeft gehad van de toekomst, of Hij waarlijk verrezen is en ten hemels opgestegen, dan zal de agnostische wetenschap dat ontkennen. Het geloof zal echter een bevestigend antwoord geven. Dit heeft echter geen strijd tussen beiden tot gevolg. Want de een ontkent als wijsgeer, sprekend tot wijsgeren, daar hij Christus alleen ziet als een historische realiteit. De gelovige echter zal het bevestigen als hij spreekt tot gelovigen en het leven van Christus beschouwt als opnieuw beleefd door en in het geloof.

b. Ondergeschiktheid van het geloof aan de wetenschap

Men zou echter een grote vergissing begaan indien men van mening was dat geloof en wetenschap op geen enkele wijze van elkaar afhankelijk zouden zijn. Wat de wetenschap betreft is dat zo. Met het geloof is het evenwel anders gesteld. Het is niet in één, maar in drievoudig opzicht ondergeschikt aan de wetenschap.

Vooreerst moet men opmerken dat in elk godsdienstig feit, de Goddelijke realiteit waarvan de gelovige de bekende ervaring heeft buiten beschouwing gelaten, al het overige, vooral de godsdienstige formuleringen, binnen het gebied der verschijnselen valt en dus ook voorwerp is van wetenschap. Als een gelovige dat wenst kan hij de wereld verlaten, maar zolang hij in de wereld is zal hij, mét of tegen zijn zin, nooit kunnen ontkomen aan de wetten, het toezicht en de oordelen van de wetenschap.

Als God verder, zoals gezegd, alleen het voorwerp is van het geloof moet dit wel worden toegegeven voor de goddelijke realiteit, niet echter voor het godsbegrip. Dit valt onder de wetenschap. Het wijsgerig denken behandelt naar hun zeggen in de logische orde ook het absolute en het gedachtelijke. De wijsbegeerte of wetenschap heeft dus het recht dat Godsidee kenmatig te onderzoeken, leiding te geven bij verdere evolutie en het te zuiveren van ingeslopen vreemde bijvoegsels.

Vandaar de modernistische uitspraak: "De godsdienstige ontwikkeling moet zowel aan de zedelijke als aan de verstandelijke aangepast zijn". Dit betekent - aldus een van hun leiders - dat het godsdienstige onderworpen is aan het verstandelijke. Daar komt tenslotte nog bij dat de mens geen innerlijke dualiteit heeft. Daarom ondervindt de gelovige een innerlijke drang om geloof en wetenschap met elkaar zodanig in overeenstemming te brengen, dat het geloof niet afwijkt van het door de wetenschap algemeen aanvaarde wereldbeeld. Hieruit volgt dan dat de wetenschap helemaal vrij staat van het geloof, maar dat het geloof, ook al zegt men dat het vrij is, toch aan deze wetenschap onderworpen is.

Dit alles, eerbiedwaardige Broeders, is helemaal in strijd met wat onze voorganger, Pius IX, geleerd heeft: "In alles wat de godsdienst betreft komt het aan de wijsbegeerte niet toe te overheersen, maar om te dienen; niet om voor te schrijven wat men geloven moet, maar om met redelijke volgzaamheid te aanvaarden en niet om de diepte van Gods geheimenissen te willen doorgronden, maar om deze in vroomheid en nederigheid te vereren". Paus Pius IX, Breve aan de Bisschop van Breslau, 15 juni 1857 Z. Paus Pius IX, Brief, Aan Kardinaal-Aartsbisschop Johannes von Geissel van Keulen - Dwalingen van Anton Günther worden veroordeeld, Eximiam tuam (15 juni 1847), 1. (DS 1655 / DH 2828

De modernisten draaien de rollen helemaal om. Daarom is op hen van toepassing wat onze andere voorganger, Gregorius IX, over sommige theologen van zijn tijd schreef: "Men vindt er onder u, die gedreven door hoogmoed opgeblazen, de grenzen door de Vaders gesteld met profane nieuwigheid trachten te verleggen. Het begrip van de H.Schrift ... schikken zij (naar een wijsgerige leerstelling met vertoon van een wetenschap die niet dienstig is voor de toehoorders .... Door verschillende en valse opvattingen misleid keren zij alles om en willen de koningin dienstbaar maken aan de dienstmaagd". Paus Gregorius IX, Aan de magisters van de theologie te Parijs - Over het onderhouden van de theologische terminologie en traditie, Ab Aegyptiis Argentea (7 juli 1228). (DS 442 / DH 824)

4. Hun opvattingen belicht door hun handelwijze

Dit alles wordt een toeschouwer nog duidelijker als hij ziet hoe de modernisten precies in overeenstemming met hun leer handelen. Veel geschreven of gesproken stellingen van hen schijnen immers met elkaar in strijd, zodat men hen gemakkelijk als weifelend en onzeker zou kunnen beschouwen. Zij doen dat echter opzettelijk en wel overwogen. Die handelwijze komt voort uit hun mening dat geloof en wetenschap van elkaar totaal gescheiden zijn. Daarom treffen wij in hun boeken bepaalde gedachten aan die een katholiek kan aannemen. Maar op de andere kant van de bladzijde krijgt men de indruk dat ze gedicteerd is door een rationalist. Als zij geschiedenis schrijven vermelden zij niets over de Godheid van Christus; bij hun preken in de kerken benadrukken zij deze echter zeer sterk. Zo ook als zij het hebben over geschiedenis, de Concilies, de Vaders. Daar besteden zij niet veel ruimte aan. In de catechese zijn ze echter vol lof voor dat alles. Vandaar dat zij ook de theologische en pastorale verklaring van de Heilige Schrift scheiden van de wetenschappelijke en historische exegese.

Zo leren zij ook, overeenkomstig het beginsel, dat de wetenschap in geen enkel opzicht afhangt van het geloof, als zij kritisch over wijsbegeerte en geschiedenis handelen. Zij aarzelen hier niet Luther te volgen, Paus Leo X, Bul, Over de dwalingen van Martin Luther, Exsurge Domine (15 juni 1520), 29 spreken hun onverholen afkeer uit over katholieke voorschriften, van de heilige Vaders, de oecumenische Concilies, van het kerkelijk leergezag. Worden zij daarover berispt dan beweren zij dat hen de vrijheid ontnomen wordt.

En als zij tenslotte belijden dat het geloof onderworpen moet zijn aan de wetenschap verwijten zij de Kerk steeds en openlijk dat zij haar dogma's stijfkoppig weigert te onderwerpen en aan te passen aan wijsgerige meningen. Als zij tot dit doel de oude theologie hebben opgeruimd willen zij een nieuwe invoeren, die gewillig de ongerijmdheden der wijsgeren zal volgen.

Document

Naam: PASCENDI DOMINICI GREGIS
Over de leerstellingen van het modernisme
Soort: H. Paus Pius X - Encycliek
Auteur: H. Paus Pius X
Datum: 8 september 1907
Copyrights: © 1975, Stichting tot Behoud van het R.K. Leven, Tilburg
Bewerkt: 10 september 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam