• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
1. Het agnoticisme
Beginnen Wij bij de wijsbegeerte: Het fundament van de godsdienst-wijsbegeerte leggen de modernisten in het zo genaamde "Agnosticisme". Krachtens deze leer is het menselijk verstand helemaal begrensd door verschijnselen, d.w.z. door klaarblijkelijke dingen en alleen in de gedaante waarin ze zich aan het verstand voordoen. De rede heeft noch het recht noch het vermogen om de grenzen daarvan te overschrijden. Daarom kan het verstand niet opstijgen tot God en zijn bestaan niet aantonen en door het waargenomene kennen. Hieruit leidt men af dat God nooit als zodanig voorwerp van wetenschap kan zijn; geschiedkundig gezien kan God geen historische persoon zijn, geen onderwerp van geschiedenis.

Na deze vooropstelling kan iedereen gemakkelijk zien wat er nog overblijft van de natuurlijke Godsleer, van de geloofsmotieven, van de uiterlijke Openbaring. Dit alles wordt door de modernisten heel en al ter zijde geschoven en overgelaten aan het intellectualisme: een, naar men zegt, belachelijk stelsel, een systeem dat al lang dood is. Zij worden in het geheel niet weerhouden door het feit dat de enormiteiten van deze dwalingen zo scherp mogelijk door de Kerk veroordeeld zijn. Het Vaticaans Concilie deed dit met de uitspraak: "Indien iemand zegt, dat de ene en ware God, onze Schepper en Heer, uit het geschapene met het natuurlijk licht van het menselijk verstand niet met zekerheid gekend kan worden, hij zij in de ban". 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 28 Eveneens: "Indien iemand zegt dat het niet mogelijk is of van geen nut, dat de mens door goddelijke openbaring over God en de Hem te brengen eredienst wordt onderricht, hij zij in de ban". 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 29 En ten slotte: "Als iemand zegt dat de goddelijke openbaring door uiterlijke tekenen niet geloofwaardig kan worden gemaakt, en dat derhalve alleen door een individuele ervaring of persoonlijke inspiratie de mensen tot het geloof bewogen moeten worden, hij zij in de ban". 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 34

Op grond van welke reden de modernisten van uit het agnosticisme, dat alleen bestaat uit "niet weten" overgaan tot een wetenschappelijk en historisch atheïsme, dat alleen berust op ontkenning - hoe men derhalve, juist redenerend, uit "niet-weten" of God in de geschiedenis der mensheid al of niet heeft ingegrepen - niettemin diezelfde geschiedenis wil verklaren met algehele uitschakeling van God, alsof Hij in feite niet heeft ingegrepen, moet ieder die het kan maar zien te begrijpen. Toch staat het voor hen onomstotelijk vast dat de wetenschap, zoals ook de geschiedenis, Godloos moet zijn. Binnen hun grenzen kan er alleen maar plaats zijn voor "verschijnselen"; God en al wat goddelijk is zijn er totaal uit verbannen. Wij zullen aanstonds zien wat men in deze uiterst onzinnige leer moet denken van de allerheiligste Persoon van Christus, van de geheimenissen van zijn leven en dood, van zijn verrijzenis en hemelvaart.

2. De vitale immanentie

In de leer der modernisten moet dit agnosticisme uitsluitend als een negatief deel gezien worden. Het positief deel bestaat naar hun zeggen in een "vitale immanentie". Om van het negatieve tot het positieve deel te komen gaan zij als volgt te werk.

De godsdienst, hetzij natuurlijk of bovennatuurlijk, of welk feit dan ook, moet een of andere verklaring toelaten. Men zoekt echter tevergeefs naar een verklaring buiten de mens, als met ter zijde stellen van de natuurlijke theologie de toegang tot de Openbaring gesloten is vanwege het verwerpen van de geloofwaardigheidargumenten en ook elke uiterlijke openbaring wordt afgewezen. Een verklaring moet dus in de mens zelf gezocht worden. En aangezien de godsdienst een zekere vorm van leven is, dient men deze uitsluitend te zoeken in het leven van de mens zelf. Met dit beginsel heeft men het beginsel van de "godsdienstige immanentie".

3. Het aanvoelen, oorsprong van de godsdienst

De eerste drijfveer van elk levensverschijnsel en ook, zoals gezegd is, van de godsdienst, dient men te zoeken in een zekere behoefte of drang. Het eerste beginsel is te vinden - als wij in meer strikte zin over het leven spreken - in een zekere beweging des harten, die "aanvoelen" (sensus) wordt genoemd. Omdat God het voorwerp is van de godsdienst moeten wij dus wel aannemen, dat het geloof, de aanvang en het fundament van elke godsdienst, gezocht moet worden in een bepaald innerlijk "aanvoelen" dat ontstaat uit een behoefte aan het goddelijke. Deze "behoefte" aan het goddelijke kan evenwel niet behoren tot het gebied van het bewustzijn. Die behoefte wordt immers uitsluitend ervaren in bepaalde, passende en samengestelde gevallen. Aanvankelijk ligt deze behoefte verborgen beneden de grens van het bewustzijn, of, om de moderne wijsgerige benaming te gebruiken, in het onderbewustzijn. Daar ligt ook de wortel ervan verborgen en blijft onopgemerkt.

Nu kan men vragen: hoe wordt deze behoefte aan het goddelijke dat de mens in zich ervaart uiteindelijk tot Godsdienst? Hierop geven de modernisten het volgend antwoord: De wetenschap en de geschiedenis hebben een tweevoudige beperking: De ene grens ligt buiten de mens. Zij wordt gevormd door de waarneembare wereld; de andere grens is innerlijk: het bewustzijn. Als deze grenzen eenmaal bereikt zijn kan men niet meer verder. Men staat dan voor het "onkenbare". Geconfronteerd met dit "onkenbare", of dit nu buiten de mens ligt en uitgaat boven de waarneembare natuur, ofwel verborgen ligt in zijn onderbewustzijn, dáár is het waar men aan het punt komt waar de behoefte aan Godsdienst naar boven komt. Dit gebeurt zonder een voorafgaand verstandelijk oordeel, zoals het "fideïsme" leert. Dit "aanvoelen" omvat in zich zowel de goddelijke realiteit als voorwerp, alsook de diepste en innerlijke oorzaak van de mens. Dit nu bewerkt in zekere zin een band tussen de mens en God. Hier hebben we dit "aanvoelen" dat door de modernisten "geloof" wordt genoemd. Voor hen is dit het beginsel van godsdienst.

De Openbaring

Maar aldus filosoferend, of beter gezegd raaskallend, zijn zij nog niet aan het einde.

Want onder dit "aanvoelen" Red.:"ervaren" zegt men in 1975 verstaan de modernisten niet alleen het "geloof". Met dit geloof en in dit geloof, zoals zij het dan opvatten, houden zij bovendien vast, dat daarin ook de "openbaring" ligt opgesloten. Wat zou men inderdaad nog meer voor een "openbaring" kunnen wensen? Noemen we het godsdienstig "aanvoelen", dat in het bewustzijn naar boven komt niet in bepaalde zin "openbaring" of tenminste het begin daarvan? Zou men dit opkomend godsdienstig "aanvoelen" - al is het vaag - zelf niet als een openbaring van God aan de mensen kunnen beschouwen? De modernisten stellen het nu verder zo: daar God zowel de oorzaak als het voorwerp is van het geloof, is deze openbaring omtrent God ook van God afkomstig. De openbaring heeft God zowel als de zich openbarende als de geopenbaarde tot inhoud. Vandaar, eerbiedwaardige Broeders, het absurde van de stelling der modernisten, dat elke godsdienst van verschillend standpunt bezien zowel natuurlijk als bovennatuurlijk genoemd moet worden. Daar vandaan de verwisselbare betekenis van bewustzijn en openbaring. Beide woorden zijn synoniem en kunnen dus hetzelfde betekenen. Vandaar ook dat het "godsdienstig-bewustzijn" als algemene wet gegeven heel en al samenvalt met de openbaring, waaraan alles moet worden ondergeschikt gemaakt, zowel het hoogste kerkelijk gezag, het leergezag, als de regeling van de eredienst en de kerkelijke tucht.

5. Het geloof tegenover de verschijnselen

Doch bij deze gedachtegang waaruit - naar modernistische opvatting - geloof en openbaring voortvloeien, moeten wij een belangrijk punt niet uit het oog verliezen. Het is van groot belang om de historisch-kritische gevolgtrekkingen, die zij daaruit trekken, te voorschijn te halen.

Het "onkenbare", waarover zij spreken, doet zich aan het geloof niet voor als een losstaand of apart gegeven, in tegendeel: als innig samenhangend met een verschijnsel, dat ofschoon behorend tot het gebied van wetenschap en geschiedenis, toch in bepaald opzicht buiten dit gebied valt. Dat verschijnsel kan van natuurlijke aard zijn en iets verborgens in zich hebben. Het kan ook wel een bijzonder mens zijn, wiens buitengewone aanleg, daden en woorden niet te verenigen zijn met de gewone wetten der geschiedenis. Het geloof nu, opgeroepen door het "onkenbare" en verbonden met dat "verschijnsel" doordrenkt het in zekere mate met zijn eigen leven. Hieruit vloeien twee dingen voort: vooreerst een zekere "gedaanteverandering" van het "verschijnsel", dat namelijk door een verheffing boven zijn ware aard geschikt wordt gemaakt om drager of subject te zijn van een goddelijke vorm. Deze wordt door het geloof aangebracht in het "verschijnsel". Op de tweede plaats - zo mag men het wel noemen - treedt een bepaalde "vervorming" van hetzelfde verschijnsel op. Dat komt omdat het geloof aan het verschijnsel, ontdaan van plaatselijke en tijdelijke bijkomstigheden, daaraan iets toevoegt, wat er in wezen niet bijhoort. Dit heeft in het bijzonder plaats als het gaat over verschijnselen uit het verleden en dit te meer naarmate zij dieper in het verleden liggen. Dit tweevoudig gebeuren wordt door de modernisten uitgedrukt in twee nieuwe wetmatigheden. Met de eerste wet, welke het agnosticisme reeds bracht, vormen deze twee nieuwe wetten samen de grondslag van de geschiedkundige kritiek. Ter verduidelijking hier een voorbeeld, wij nemen daarvoor de Persoon van Christus. Wetenschap en geschiedenis, zeggen de modernisten, ontdekken in de Persoon van Christus niets anders dan een mens. Daarom moeten wij, overeenkomstig de eerste wet van het agnosticisme, uit geschiedkundig oogpunt alles uitschakelen wat op iets goddelijks zou wijzen. Maar volgens de tweede wet is de Persoon van Christus door het geloof van gedaante veranderd; men moet deze Persoon dus ontdoen van alles wat boven zijn historische werkelijkheid uitgaat. Door een derde wet is de Persoon van Christus enigszins vervormd door het geloof. Wij moeten derhalve van zijn Persoon alle woorden en daden losmaken; in één woord alles, wat niet overeenstemt met zijn aanleg, staat, opvoeding, omstandigheden van tijd en plaats. Dat is wel een heel vreemde vorm van redeneren, maar zo is nu eenmaal de modernistische "kritiek".

6. De verschillende godsdiensten en het christendom

Het "godsdienstig aanvoelen" dat door de "vitale immanentie" uit de schuilhoeken van het onderbewustzijn te voorschijn komt is de kiem van elke godsdienst en tevens de reden van alles wat ooit in welke godsdienst dan ook geweest is of later zijn zal. Dit "aanvoelen" was aanvankelijk nog vrij vaag en vormeloos. Geleidelijk aan en beïnvloed door dat geheimzinnig beginsel waaruit het voortkwam, is het tot verdere ontwikkeling gekomen, samen met de vooruitgang van het menselijk leven, waarvan het, zoals gezegd, een zeker vormgevend beginsel is.

Hier hebben wij dus de oorsprong van elke godsdienst, of hij nu bovennatuurlijk is of niet. Alle godsdiensten zijn immers slechts pure ontplooiingen van een "godsdienstig aanvoelen" (godsdienstige ervaring). Nu moet niemand denken dat het katholicisme daarop een uitzondering maakt. In tegendeel: daarmee is het precies zo gesteld als met de andere godsdiensten: deze godsdienst is immers opgekomen in het bewustzijn van Christus, een man met uitzonderlijke begaafdheid, zoals er nooit een geweest is noch ooit gevonden zal worden: en dat alles alleen door de ontplooiing van de "vitale immanentie".

Velen die dit horen zullen verbaasd staan en met verbijstering kennis nemen van deze ongehoorde en schandelijke heiligschennis! En toch, eerbiedwaardige Broeders, zijn dit niet alleen vermetele uitingen van ongelovigen; Katholieken, zelfs meerdere priesters, hebben dit openlijk verkondigd. En zij verbeelden zich nog dat zij met deze waanzin vernieuwers zijn van de Kerk. Het gaat hier niet meer om een oude dwaling, welke de bovennatuurlijke verheffing van de mens als een zeker hem toekomend recht beschouwde. Hier is men veel verder gegaan: zij beweren dat onze allerheiligste godsdienst in de mens Christus, zoals ook bij ons, spontaan en van nature is opgekomen. Er bestaat zeker niets dat meer geschikt is om elke bovennatuurlijke orde weg te vagen. Daarom heeft het Vaticaans Concilie met het volste recht gesproken en vastgesteld: "Indien iemand beweert dat de mens door God niet verheven kan worden tot een kennisoen volmaaktheid, welke zijn natuur te boven gaat en hij door gestadige vooruitgang en inspanning tot volledig bezit van alle waarheid en goedheid kan komen en moet komen: hij zij in de ban". 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 30

7. De rol van het verstand

Tot nu toe, eerbiedwaardige Broeders, hebben Wij nog geen aandacht besteed aan het verstand. Ook dit heeft echter, naar de leer der modernisten, zijn aandeel in de geloofsdaad. Daarom hierover enige opmerkingen.

In het reeds genoemde "aanvoelen" ("ervaring") zeggen zij - omdat het "aanvoelen" en geen kennis is - plaatst God zich weliswaar tegenover de mens, maar zo vaag en zozeer vermengd, dat Hij door het gelovig subject nauwelijks of niet wordt opgemerkt. Het is dus noodzakelijk dat dit zelfde aanvoelen door een of ander licht verhelderd wordt, waarin God dan duidelijker te voorschijn komt en beter onderscheiden wordt. Dit nu behoort tot het gebied van het verstand, welks taak het is te denken en te analyseren. Door het verstand vat de mens zijn levensverschijnselen eerst in begrippen samen. Daarna drukt hij deze begrippen in woorden uit. Vandaar de bekende uitspraak der modernisten: "De godsdienstige mens moet het geloof in zijn denken omzetten".

De geest neigt zich behulpzaam naar dit "aanvoelen" en gaat daar te werk als een schilder die in een dof geworden schilderij de lijnen naspeurt en scherper naar voren haalt. Op ongeveer deze wijze legt een modernistisch geleerde deze zaak uit. Bij deze bezigheid gaat het verstand op tweevoudige wijze te werk. Eerst wordt, door een natuurlijke en spontane denkact, een zaak op een eenvoudige en populaire wijze uitgedrukt. Daarna graaft het verstand dieper, of, zoals zij zeggen: door zijn denken te verfijnen en het overdachte in wel overwogen zinnen te formuleren, drukt het verstand zich nu nauwkeuriger uit. Dit dieper denken is wel afgeleid uit het eerste eenvoudige denken, maar het is nauwkeuriger en scherper. Als deze secundaire gedachten uiteindelijk door het hoogste leergezag der Kerk worden erkend, dan is een dogma tot stand gekomen.

8. Oorsprong en wezen van het dogma

In de leer der modernisten is men hier bij een der hoofdpunten terechtgekomen: de oorsprong en het wezen van het dogma zelf. De oorsprong van het dogma ligt immers volgens hen in die aanvankelijk eenvoudige uitdrukkingen, die in zekere zin noodzakelijk zijn voor het geloof. Want wil men kunnen spreken van een openbaring dan is een duidelijke kennis van God in het bewustzijn noodzakelijk. Een dogma zelf schijnen zij echter te zoeken in de secundaire, de uitgedachte formuleringen.

Om het wezen van het dogma te vatten moet men allereerst nagaan welke betrekking bestaat tussen godsdienstige formuleringen en het godsdienstig "aanvoelen" door de ziel. Men zal dit gemakkelijk inzien als men overtuigd is dat het doel van die godsdienstige formules van deze soort niets anders is dan de gelovige het middel te verschaffen waarmee hij zich rekenschap geeft van zijn geloof. Wat hun betrekking tot het geloof aangaat zijn het geen volledige kenmerken van het geloofsvoorwerp. Zij worden meestal symbolen genoemd. Wat de gelovige betreft zijn ze (de dogma's) louter hulpmiddelen.

Betreffende deze hulpmiddelen kan verstandelijk op geen enkele wijze worden aangetoond dat zij absolute waarheid bevatten. Als symbolen zijn het immers alleen maar afbeeldingen van de waarheid en moeten derhalve aangepast zijn aan het godsdienstig "aanvoelen" ("ervaren") in zover dit betrekking heeft op de mens. Als instrumenten zijn de dogma's voertuigen van de waarheid en moeten dus ook aangepast zijn aan de mens waar deze betrokken is bij het godsdienstig "aanvoelen".

Het voorwerp echter van het godsdienstig "aanvoelen" heeft, het absolute bevattende, een onbeperkt aantal aspecten, waarvan nu eens dit, dan weer een ander op de voorgrond kan treden. Evenzo kan de gelovige mens telkens in andere omstandigheden geraken. Daarom moeten ook de formules, die wij dogma's noemen, aan deze wisselvalligheid onderworpen zijn en derhalve ook vatbaar zijn voor verandering. Zodoende ligt de weg open voor de innerlijke evolutie van het dogma.

Dit is waarlijk een eindeloze opeenhoping van drogredenen, die elke godsdienst aantast en ten gronde richt!

9. Veranderlijkheid van het dogma

Dat het dogma niet alleen een evolutie kan doormaken en veranderlijk is, doch dat zulks ook moet gebeuren, dit is een stelling die de modernisten uitdrukkelijk vasthouden. Het is de consequentie van hun leer. Tot hun voornaamste stellingen behoort immers wat zij afleiden uit het beginsel van de "vitale immanentie". De godsdienstige formules moeten, willen zij werkelijk godsdienstig zijn en niet alleen verstandelijke verzinsels ook werkelijk levend zijn en deelnemen aan het leven van het godsdienstig "aanvoelen". Men moet dit niet zo verstaan als zouden deze formules - vooral als ze zuiver imaginair zijn - speciaal voor het godsdienstig "aanvoelen" zijn uitgedacht. Hun oorsprong, aantal en kwaliteit doen weinig ter zake. Het moet echter zó zijn dat het "godsdienstig aanvoelen" deze formules, desnoods enigszins gewijzigd, in zijn "levenssfeer" betrekt. Anders gezegd: het is noodzakelijk dat de oorspronkelijke formulering door het hart wordt aanvaard en bevestigd. Onder leiding van het hart moet ook het werk verricht worden waardoor de secundaire of doordachte redeneringen tot stand komen. Vandaar dat deze formules, willen zij vitaal zijn, aan de gelovigen moeten zijn aangepast en dat ook moeten blijven. Als derhalve om een of andere reden deze aanpassing ophoudt, dan verliezen de formules hun aanvankelijke betekenis en moeten dus veranderd worden.

Daar nu de kracht en het lot van de dogmatische formules zo onstandvastig zijn, is het niet verwonderlijk dat zij voor de modernisten zozeer een voorwerp vormen van spot en minachting. Zij spreken daarentegen over niets anders en met meer lof dan over het "godsdienstig aanvoelen" en godsdienstig leven. Vandaar ook dat zij de Kerk de grofste verwijten maken alsof deze de verkeerde weg heeft ingeslagen, dat zij de godsdienstige en zedelijke kracht allerminst onderscheidt van de innerlijke betekenis der formuleringen en door koppig vast te houden aan zinledig geworden formules de oorzaak is dat de godsdienst zelf te gronde gaat.

Het zijn "blinden" en ook "leiders van blinden", die opgeblazen van hoogmoed in naam van de wetenschap zoveel dwaasheden uitkramen dat zij het eeuwig begrip der waarheid en de zuivere zin van godsdienstigheid vervalsen. Met hun zelfbedachte vinding, "waarmee zij met hun verzinsel en met een blinde begeerte naar nieuwigheden de waarheid niet zoeken waar deze te vinden is, verachten zij de heilige en apostolische tradities en komen met onzinnige, nietswaardige, onzekere, en niet door de Kerk aanvaarde leerstellingen aandragen. En deze verdwaasde lieden menen dan op de waarheid te steunen met hun stelsel en dat de waarheid door hen in stand wordt gehouden". Paus Gregorius XVI, Encycliek, Over de dwalingen van Lammenais, Singulari Nos (25 juni 1834)

Document

Naam: PASCENDI DOMINICI GREGIS
Over de leerstellingen van het modernisme
Soort: H. Paus Pius X - Encycliek
Auteur: H. Paus Pius X
Datum: 8 september 1907
Copyrights: © 1975, Stichting tot Behoud van het R.K. Leven, Tilburg
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam