• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET GEBED VOOR HET AANGEZICHT VAN GOD EN DE GENEZENDE EN HEILZAME WERKING DAARVAN
Vaticaan, Aula Paulus VI

Dierbare broeders en zusters,

Ik zou vandaag willen nadenken over het gebed van Jezus in samenhang met Zijn wonderbare genezingen. In de Evangelies worden verschillende situaties aangebracht waarin Jezus bidt voor de weldaad van de genezing, die God de Vader door Hem bewerkt. Het is een gebed dat, nog eens, de unieke band tot uiting brengt van kennis en gemeenschap met de Vader, wanneer Jezus zich met diep menselijk inleven laat betrekken in het ongeluk van Zijn vrienden, bijvoorbeeld van Lazarus en zijn familie, of van vele armen en zieken die Hij concreet wil helpen.

Een betekenisvol geval is dat van de doofstomme Vgl. Mc. 7, 32-37 . Het verhaal van de evangelist Marcus, dat we zojuist beluisterden, toont dat de genezingen die Jezus verricht, in samenhang zijn met Zijn intense band met de naaste – de zieke – en met de Vader. Het toneel van het wonder wordt zorgvuldig beschreven: “Jezus nam hem terzijde buiten de kring van het volk, stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan. Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel op, zuchtte en sprak tot hem: ‘Effeta’, wat betekent: Ga open.” (Mc. 7, 33-34). Jezus wil dat de genezing gebeurt “terzijde buiten de kring van het volk”. Dat lijkt niet alleen omdat het wonder verborgen moet blijven voor het volk, om te vermijden dat men begrensde of vervormde interpretaties zou geven van Jezus’ persoon. Dat Jezus ervoor kiest de zieke terzijde te nemen, maakt dat Hij en de zieke op het ogenblik van de genezing alleen zijn, en in een bijzondere relatie tot elkaar staan. De Heer raakt de oren en tong van de zieke aan, de plaatsen van zijn gebrek. De intensiteit van Jezus’ aandacht manifesteert zich door de ongewone handelingen voor de genezing: Hij gebruikt Zijn vingers en zelfs Zijn speeksel. En het feit dat de evangelist ook het oorspronkelijke woord vermeldt dat de Heer uitspreekt – “Effeta”, wat betekent: ga open – wijst op de bijzondere aard van deze scène.

Maar de kern van deze gebeurtenis, is het feit dat Jezus op het ogenblik van de genezing, Zijn band met de Vader zoekt. Het verhaal zegt namelijk dat Hij de ogen ten hemel sloeg en zuchtte Vgl. Mc. 7, 34 . Jezus’ aandacht voor de zieke, Zijn bezorgdheid voor hem, zijn verbonden aan een diepe gebedshouding tot God. En het slaken van een zucht wordt beschreven met een werkwoord dat in het Nieuwe Testament de verzuchting uitdrukt naar iets goed dat nog ontbreekt Vgl. Rom. 8, 23 . Het geheel van het verhaal toont dat de menselijke betrokkenheid bij de zieke, Jezus in gebed brengt. Opnieuw bloeit Zijn unieke band met de Vader op, Zijn identiteit van enige Zoon. In Hem, door Zijn persoon, manifesteert zich het weldadige genezingswerk van de Vader. Het is geen toeval dat het slotcommentaar van de mensen na het wonder, herinnert aan de evaluatie van de schepping, in het begin van Genesis: “Hij heeft alles wel gedaan” (Mc. 7, 37). Zo treedt het gebed duidelijk binnen in het genezend optreden van Jezus, door Zijn blik die naar de Hemel gericht is. De kracht die de doofstomme genezen heeft, werd zeker opgewekt door Zijn medelijden met hem, maar zij komt voort uit de toevlucht die Hij tot de Vader nam. Deze twee relaties ontmoeten elkaar: de menselijke relatie van medelijden met de mens die in relatie treedt met God en die zo een genezing wordt.
In het verhaal van Johannes over de opwekking van Lazarus, wordt nog meer van deze dynamiek getuigd Vgl. Joh. 11, 1-44 . Ook hier vermengen zich enerzijds de band van Jezus met een vriend en zijn lijden en anderzijds de kinderlijke relatie die Hij heeft met de Vader. De menselijke deelname van Jezus aan het gebeuren met Lazarus heeft bijzondere trekken. In heel het verhaal wordt meerdere keren herinnerd aan Zijn vriendschap voor hem, evenals voor Marta en Maria. Jezus zegt zelf: “Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga er heen om hem te wekken” (Joh. 11, 11). Zijn oprechte genegenheid voor Zijn vriend wordt ook door de zusters van Lazarus in het licht gesteld, evenals door de joden Vgl. Joh. 11, 3 Vgl. Joh. 11, 36 ; zij komt tot uiting in de diepe ontroering die Jezus voelt als Hij het verdriet ziet van Marta en Maria en van al de vrienden van Lazarus, zodanig dat Hij in tranen uitbarst – zo menselijk – op het ogenblik dat Hij bij het graf komt: “Toen Jezus haar (Marta) zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: ‘Waar hebt gij hem neergelegd?’. Zij zeiden Hem: ‘Kom en zie, Heer’. Jezus begon te wenen” (Joh. 11, 33-35).
Deze vriendschapsband, de betrokkenheid en emotie van Jezus ten overstaan van het verdriet van de verwanten en kennissen van Lazarus is in heel het verhaal verbonden met de standvastige en intense band met de Vader. Vanaf het begin, wordt het gebeuren door Jezus gezien in relatie met Zijn identiteit en zending en met de verheerlijking die Hem wacht. Bij het vernemen van de ziekte van Lazarus, zegt Hij trouwens: “Deze ziekte voert niet tot de dood, maar is om Gods glorie, opdat de Zoon Gods er door verheerlijkt moge worden” (Joh. 11, 4). De melding van de dood van Zijn vriend wordt door Jezus ook met diep menselijk verdriet opgenomen, doch verwijst altijd duidelijk naar de relatie met God en met de zending die Hij Hem toevertrouwd heeft. Hij zegt: “Lazarus is gestorven, en omwille van u verheug Ik Mij dat Ik er niet was, opdat gij moogt geloven” (Joh. 11, 14-15). Het ogenblik van het expliciete gebed van Jezus tot de Vader bij het graf is de natuurlijke uitmonding van heel het gebeuren, dat tussen het dubbele register hangt van de vriendschap voor Lazarus en de kinderlijke band met God. Ook hier gaan de twee relaties samen: “Jezus sloeg de ogen ten hemel en sprak: ‘Vader, Ik dank U dat Gij Mij verhoord hebt” (Joh. 11, 41): het is een eucharistie. De zin onthult dat Jezus Zijn gebed om Lazarus het leven te geven, geen ogenblik onderbroken heeft. Dit standvastig gebed heeft de band met de vriend verstevigd en heeft tegelijk Jezus’ vastbeslotenheid bevestigd om in overeenstemming te blijven met de wil van de Vader, met Zijn liefdesplan, waarin de ziekte en dood van Lazarus moeten beschouwd worden als de plaats waar Gods glorie getoond wordt.
Dierbare broeders en zusters, als we dit verhaal lezen, wordt ieder van ons opgeroepen om te begrijpen dat wij ons in het smeekgebed van Jezus niet moeten verwachten aan een onmiddellijke vervulling van wat wij vragen, van onze wil, maar dat wij ons eerder moeten toevertrouwen aan de wil van de Vader en elke gebeurtenis zien in het perspectief van Zijn heerlijkheid, Zijn liefdesplan, dat in onze ogen dikwijls mysterieus is. Daarom zouden smeking, lof en dank zich in ons gebed moeten vermengen, ook wanneer het lijkt dat God onze concrete verwachtingen niet beantwoordt. Zich overgeven aan Gods liefde die ons altijd voorgaat en begeleidt, is één van de basishoudingen van onze dialoog met Hem. De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
geeft deze commentaar bij het gebed van Jezus in het verhaal van de opwekking van Lazarus: “Zodoende openbaart het gebed van Jezus, gedragen door de dankzegging, ons hoe we moeten vragen: voordat de gave gegeven wordt, stemt Jezus in met Hem die geeft en in zijn gaven zichzelf geeft. De gever is kostbaarder dan de verleende gave, Hij is de ‘schat’, en in hem is het hart van zijn Zoon; de gave wordt ‘erbij’ gegeven. Vgl. Mt. 6, 21.33 Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2604. Dat lijkt mij heel belangrijk: voordat de gave gegeven wordt, instemmen met degene die geeft; degene die geeft is kostbaarder dan de gave. Bijgevolg is, naast hetgeen God ons geeft wanneer we Hem aanroepen, de grootste gave die Hij ons kan geven, Zijn vriendschap, Zijn aanwezigheid, Zijn liefde. Hij is de kostbare schat die altijd moet gevraagd en bewaard worden.
Het gebed dat Jezus uitspreekt op het ogenblik waarop de steen van Lazarus’ graf weggenomen wordt, geeft een bijzondere en onverwachte ontwikkeling. Inderdaad, na God de Vader gedankt te hebben, voegt Hij erbij: “Ik wist wel dat Gij Mij altijd verhoort, maar omwille van het volk rondom Mij heb Ik dit gezegd, opdat zij mogen geloven, dat Gij Mij gezonden hebt” (Joh. 11, 42). Door Zijn gebed wil Jezus tot geloof brengen, tot totaal vertrouwen in God en in Zijn wil, en wil Hij tonen dat deze God die de mens en de wereld zozeer bemind heeft dat Hij Zijn enige Zoon gezonden heeft Vgl. Joh. 3, 16 , de God is van het leven, de God die hoop geeft en die bekwaam is situaties die menselijk onmogelijk zijn, om te keren. Het vertrouwend gebed van een gelovige is dan een levend getuigenis van deze aanwezigheid van God in de wereld, van Zijn belangstelling voor de mens, van Zijn optreden om Zijn heilsplan te verwezenlijken.
De twee gebeden van Jezus die we zojuist overwogen hebben en die de genezing van de doofstomme en de opwekking van Lazarus begeleiden, onthullen dat de diepe band tussen de liefde voor God en de liefde voor de naaste ook in ons gebed moet aanwezig zijn. De aandacht voor de andere – bijzonder wanneer deze in nood is en lijdt – en het feit zich te ontroeren ten overstaan van het verdriet van een bevriende familie, brengen Jezus – waarachtig God en waarachtig mens - ertoe zich tot de Vader te richten, in deze fundamentele relatie die heel Zijn leven leidt. Maar ook omgekeerd: de gemeenschap met de Vader, de standvastige dialoog met Hem, stuwt Jezus om op een unieke manier aandacht te hebben voor de concrete situaties van de mens om hem de troost en liefde van God te brengen. De relatie met de mens brengt ons naar de relatie met God, en de relatie met God brengt ons opnieuw bij de naaste.
Dierbare broeders en zusters, ons gebed opent de deur voor God, die ons leert om voortdurend uit onszelf te treden zodat we naar de anderen kunnen gaan, vooral in ogenblikken van beproeving, om hun troost, hoop en licht te brengen. Moge de Heer ons bekwaam maken om steeds intenser te bidden, teneinde onze persoonlijke band met God de Vader te verstevigen, ons hart te openen voor de noden van wie naast ons staat en de schoonheid te ervaren van samen, met talrijke broeders “kinderen” te zijn “in de Zoon”.

Document

Naam: HET GEBED VOOR HET AANGEZICHT VAN GOD EN DE GENEZENDE EN HEILZAME WERKING DAARVAN
Vaticaan, Aula Paulus VI
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 14 december 2011
Copyrights: © 2011, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 30 augustus 2013

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam