• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET GEBED VAN JEZUS

Dierbare broeders en zusters,

In de laatste catecheses hebben wij nagedacht over bepaalde vormen van gebed in het Oude Testament; vandaag zou ik mijn blik willen beginnen richten op Jezus, op Zijn gebed, dat heel Zijn leven doorloopt als een verborgen kanaal dat het bestaan, de relaties en handelingen bevloeit, dat Hem met toenemende vastberadenheid naar de totale gave van Zichzelf leidt, overeenkomstig het liefdesplan van God de Vader. Jezus is ook de Meester van ons gebed, Hij is er zelfs de actieve en broederlijke ondersteuning van telkens we ons tot de Vader richten. Het is waar, zoals een titel uit het Catechismus-Compendium
Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk
(28 juni 2005)
samenvat, “In Jezus wordt het gebed ten volle geopenbaard en verwerkelijkt” Catechismus-Compendium, Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk (28 juni 2005), 541-547. Op Hem willen wij in de volgende catecheses onze blik richten.

Een uiterst belangrijk moment op Zijn weg is het gebed dat volgt op het doopsel waaraan Hij zich in de Jordaan onderwerpt. De evangelist Lucas benadrukt dat Jezus, nadat Hij met heel het volk het doopsel ontvangen heeft uit de handen van Johannes de Doper, dat Hij een zeer persoonlijk en lang gebed begint: “Terwijl al het volk zich liet dopen, en Jezus na zijn doop in gebed was, geschiedde het dat de hemel openging en de heilige Geest, in lichamelijke gedaante als een duif, over Hem neerdaalde” (Lc. 3, 21-22). Het is precies dit gebed, deze dialoog met de Vader, die de handeling belicht die Hij voltrekt met een groot deel van Zijn volk dat toegestroomd was op de oevers van de Jordaan. Zijn gebed geeft een exclusief en persoonlijk merkteken aan de handeling van Zijn doopsel.

Johannes de Doper had een krachtige oproep gedaan om werkelijk als “zoon van Abraham” te leven, door zich tot het goede te bekeren en vruchten voort te brengen die deze verandering waardig zijn Vgl. Lc. 3, 7-9 . En een groot aantal Israëlieten had zich daartoe op weg begeven, zoals de evangelist Marcus schrijft: “Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden” (Mc. 1, 5). Johannes de Doper bracht echt iets nieuw: zich aan het doopsel onderwerpen moest duiden op een definitieve wending, een gedrag achterwege laten dat aan zonde gebonden is en een nieuw leven beginnen. Ook Jezus neemt deze uitnodiging op en maakt deel uit van deze grijze menigte van zondaars die op de oevers van de Jordaan wacht. Maar ook wij stellen ons zoals de eerste Christenen de vraag: waarom onderwerpt Jezus zich vrijwillig aan dit doopsel van boete en bekering? Hij had geen enkele zonde te belijden, Hij had geen zonde, Hij had dus geen bekering nodig. Waarom voltrekt Hij dan dit gebaar? De evangelist Matteüs schrijft over de verwondering van Johannes de Doper die zegt: “Ik heb uw doopsel nodig, en Gij komt tot mij?” (Mt. 3, 14) en Jezus antwoordt: “Laat nu maar; want zo past het ons al wat is vastgesteld te volbrengen” (Mt. 3, 15). In de Bijbelse wereld betekent “gerechtigheid” Noot van de redactie: hier “het past ons”, het is passend; in de oorspronkelijke tekst “gerechtigheid” Gods wil volledig aanvaarden. Jezus toont Zijn nabijheid aan het deel van Zijn volk dat Johannes de Doper volgt en dat daarmee erkent dat het onvoldoende is zich als zonen van Abraham te beschouwen, dat het Gods wil volbrengen wil, dat het met zijn gedrag een trouw antwoord wil geven aan het verbond dat God in Abraham heeft aangeboden. Door af te dalen in de Jordaan, toont Jezus die zonder zonde is, zich solidaritair met degenen die hun zonden erkennen, die ervoor kiezen berouw te tonen en hun leven te veranderen. Tot Gods volk behoren, betekent een nieuwe kijk op het leven, leven volgens God.

In dat gebaar anticipeert Jezus het kruis, Hij begint Zijn werk door de plaats in de nemen van de zondaars, door het gewicht van de zonde van heel de mensheid op Zijn schouders te nemen, door de wil van de Vader te doen. Door zich terug te trekken in gebed, toont Jezus de innige band met de Vader in de hemel, ervaart Hij Diens vaderschap, verstaat Hij de veeleisende schoonheid van Zijn liefde; in de dialoog met de Vader ontvangt Hij de bevestiging van Zijn zending. De woorden uit de hemel Vgl. Lc. 3, 22 anticiperen op het paasmysterie, op het kruis en de verrijzenis. De Goddelijke stem noemt Hem “mijn Zoon, mijn veelgeliefde”, wat doet denken aan Isaak, de veelgeliefde zoon, die zijn vader Abraham bereid was te offeren overeenkomstig Gods gebod Vgl. Gen. 22, 1-4 . Jezus is niet alleen de Zoon van David, een Koninklijke Messiaanse afstammeling, of de Dienaar, in wie God zich verheugt, maar Hij is ook de enige Zoon, veelgeliefd, gelijkend op Isaak, die God de Vader geeft voor het heil van de wereld. Op het ogenblik waarop Jezus door het gebed Zijn kindschap en Gods vaderschap ten diepste ziet Vgl. Lc. 3, 22. b , daalt de Heilige Geest neer Vgl. Lc. 3, 22. a die Hem in Zijn zending leidt en die Jezus op het kruis zal manifesteren Vgl. Joh. 1, 32-34 Vgl. Joh. 7, 37-39 opdat de Heilige Geest het werk van de Kerk zou verlichten. In het gebed is Jezus ononderbroken in contact met de Vader om Diens liefdesplan met de mensen ten einde toe te verwerkelijken.

Tegen de achtergrond van dit buitengewoon gebed situeert zich heel het leven dat Jezus geleid heeft in een familie die diep verbonden was met de religieuze traditie van het volk Israël. Dat tonen de verwijzingen aan die wij in het Evangelie vinden: Zijn besnijdenis Vgl. Lc. 2, 21 en Zijn opdracht in de Tempel Vgl. Lc. 2, 22-24 , evenals de opvoeding en opleiding in Nazareth, in het heilig huisgezin Vgl. Lc. 2, 39-40.51-52 . Het gaat om “ongeveer dertig jaar” (Lc. 3, 23), een lange tijd van verborgen leven en werk, waarin Hij echter ook heeft deelgenomen aan gemeenschappelijke religieuze uitdrukkingsvormen zoals de bedevaarten naar Jeruzalem Vgl. Lc. 2, 41 . Door ons de gebeurtenis te vertellen van de twaalfjarige Jezus in de Tempel, te midden van de leraars Vgl. Lc. 2, 42-52 , laat de evangelist Lucas doorschemeren dat Jezus, die na het doopsel in de Jordaan bidt, reeds lang gewoon is om innig met God de Vader te bidden, een gebed dat geworteld is in de traditie, in de stijl van Zijn familie, in doorslaggevende ervaringen die Hij in de schoot van Zijn familie beleefd heeft. Het antwoord van het twaalfjarige Kind aan Maria en Jozef wijst reeds op het Goddelijk kindschap dat de hemelse stem na het doopsel openbaart: “Wat hebt ge toch naar Mij gezocht? Wist ge dan niet, dat Ik in het huis van mijn Vader moest zijn?” (Lc. 2, 49). Het is niet wanneer Jezus opstijgt uit de Jordaan, dat Hij met bidden begint; Hij zet integendeel Zijn bestendige, gebruikelijke relatie met de Vader verder; en het is in deze innige relatie dat Hij de overgang voltrekt van het verborgen leven in Nazareth naar Zijn openbaar optreden.

Jezus’ onderricht over het gebed komt zeker uit Zijn manier van bidden die Hij thuis geleerd heeft, maar het heeft ook een diepe en wezenlijke oorsprong in Zijn conditie van Zoon Gods, in Zijn unieke verhouding met God de Vader. Het Catechismus-Compendium
Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk
(28 juni 2005)
geeft op de vraag “van wie heeft Jezus leren bidden?” als antwoord: “Jezus heeft, wat zijn menselijk hart betreft, leren bidden van zijn Moeder en van de joodse traditie. Maar zijn gebed ontspringt aan een geheimvoller bron, omdat Hij de eeuwige Zoon van God is, die in zijn heilige mensheid tot zijn Vader het volmaakte kinderlijke gebed richt” Catechismus-Compendium, Compendium van de Catechismus van de Katholieke Kerk (28 juni 2005), 541. Ook in ons gebed moeten wij steeds meer leren binnentreden in deze heilsgeschiedenis waarvan Jezus het hoogtepunt is, en ten overstaan van God onze persoonlijke beslissing hernieuwen om open te staan voor Zijn wil, Hem de sterkte vragen om heel ons leven onze wil af te stemmen op de Zijne, gehoorzaam aan Zijn liefdesplan voor ons.

Het gebed van Jezus raakt alle fasen en alle dagen van Zijn zending. De moeilijkheden zijn geen hindernis. De Evangelies laten zelfs een glimp zien van Jezus’ gewoonte om een deel van de nacht in gebed door te brengen. De evangelist Marcus vertelt over één van die nachten, na de zware dag van de broodvermenigvuldiging en hij schrijft: “Onmiddellijk hierop dwong Hij zijn leerlingen in de boot te gaan en alvast naar de overkant te varen, naar Betsaïda, terwijl Hij het volk naar huis zou zenden. Na afscheid van hen genomen te hebben ging Hij de berg op om te bidden. Toen de avond viel, bevond de boot zich midden op het meer en was Hij alleen aan land” (Mc. 6, 45-47). Wanneer de beslissingen dringender en ingewikkelder worden, duurt Zijn gebed langer en wordt het intenser. Bijvoorbeeld in het vooruitzicht van de keuze van de twaalf apostelen, benadrukt Lucas het lange nachtelijk gebed van Jezus als voorbereiding daarop: “In die dagen ging Hij naar het gebergte om te bidden en bracht de nacht door in gebed tot God. Bij het aanbreken van de dag riep Hij zijn leerlingen bij zich en koos er twaalf uit, aan wie Hij tevens de naam van apostel gaf” (Lc. 6, 12-13).
Als we Jezus’ gebed van nabij bekijken, moet in ons een vraag opkomen: en ik, hoe bid ik? Hoe bidden wij? Hoeveel tijd besteed ik aan mijn relatie met God? Voedt men vandaag voldoende op tot gebed? En wie kan het aanleren? In de apostolische exhortatie “Paus Benedictus XVI - Postsynodale Apostolische Exhortatie
Verbum Domini
Over de Heilige Schrift - naar aanleiding van de Bisschoppensynode 2008 Het Woord van God in het leven en de zending van de Kerk
(30 september 2010)
” heb ik gesproken over het belang van het biddend lezen van de Heilige Schrift. Bij het verzamelen van wat in de bisschoppensynode naar voor gekomen was, heb ik bijzondere nadruk gelegd op de “lectio divina”. Luisteren, mediteren, de stilte bewaren tegenover de Heer die spreekt, is een kunst die men leert door ze standvastig te beoefenen. Het gebed is zeker een gave, die echter vraagt om ontvangen te worden; het is Gods werk, maar het vereist van onzentwege inzet en continuïteit; vooral continuïteit en standvastigheid zijn belangrijk. De voorbeeldige ervaring van Jezus toont juist dat Zijn gebed, bezield door Gods vaderschap en door de gemeenschap met de Geest, een langdurige en trouwe oefening geworden is, tot in de Hof van Olijven en tot op het kruis. Vandaag zijn de christenen geroepen om getuigen van gebed te zijn, juist omdat onze wereld dikwijls gesloten is voor Gods horizon en voor de hoop die naar de ontmoeting met God leidt. In de diepe vriendschap met Jezus en door in Hem en met Hem de kinderlijke relatie met de Vader te beleven langsheen ons trouw en standvastig gebed, kunnen wij de vensters van Gods hemel openen. Door de weg van het gebed te gaan, zonder menselijk opzicht, kunnen wij anderen op die weg helpen: wat het christelijk gebed betreft, is het tevens waar dat door op weg te gaan, andere wegen zich openen.
Dierbare broeders en zusters, voeden wij onszelf op tot een innige relatie met God, tot een gebed dat niet toevallig is maar standvastig, vol vertrouwen, in staat ons leven te verlichten, zoals Jezus het ons leert. En vragen we Hem dat we onze naasten, degenen die wij op onze weg ontmoeten, de vreugde te kunnen meedelen van de ontmoeting met de Heer, Licht voor ons bestaan.

Document

Naam: HET GEBED VAN JEZUS
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 30 november 2011
Copyrights: © 2011, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 29 augustus 2016

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2017, Stg. InterKerk, Schiedam