• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De Kerk verbonden met het priesterschap van Christus

Christus de Heer, hogepriester van een nieuw en eeuwig verbond, heeft het volk dat Hij door zijn bloed heeft verworven, willen verbinden met en gelijkvormig maken aan zijn volmaakt priesterschap Vgl. Hebr. 7, 20-22.26-28 Vgl. Hebr. 10, 14.21 . Daarom heeft Hij zijn Kerk deelachtig gemaakt aan zijn priesterschap, en wel door het algemene priesterschap der gelovigen en het ambtelijke of hiërarchische priesterschap; al verschillen zij ook in rangorde en in wezen, toch staan zij binnen de gemeenschap van de Kerk op elkaar gericht. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 10

Het algemeen priesterschap van de gelovigen, dat terecht ook wel koninklijk wordt genoemd Vgl. 1 Pt. 2, 9 Vgl. Openb. 1, 6 Vgl. Openb. 5, 9v , omdat de gelovigen daardoor als leden van het messiaanse volk verbonden zijn met hun hemelse Koning, wordt geschonken door het sacrament van de doop. Door dit sacrament 'worden de gelovigen in de Kerk ingelijfd en voor de christelijke eredienst opgeroepen', door een onverliesbaar zegel, merkteken genoemd, en 'tot kinderen herboren, moeten zij het geloof dat zij van God door de Kerk verkregen hebben tegenover de mensen belijden'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 11 Wie dus herboren zijn door het Sacrament van de Doop, 'doen door hun koninklijk priesterschap actief mee in de aanbieding van de eucharistische offergave. Zij oefenen het verder uit in het ontvangen van de sacramenten, in het gebed en de dankzegging, in het getuigenis van een heilig leven, en in de onthechting en de daadwerkelijke liefde'. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 10

Daarnaast heeft Christus, het Hoofd van de Kerk die zijn mystieke lichaam is, zijn apostelen aangesteld als bedienaren van zijn priesterschap, om in zijn naam op te treden, en door hen de bisschoppen als hun opvolgers, die het priesterambt dat zij ontvangen hebben weer hebben doorgegeven aan de priesters, in een lagere rang. Zo is in de kerk de apostolische opvolging van het ambtelijke priesterschap ontstaan tot eer van God en ten dienste van zijn volk en van heel de mensenfamilie, die op God gericht moet worden.

Door dit priesterschap worden de bisschoppen en priesters 'in zekere zin uit het volk Gods afgezonderd, maar niet om daarvan of van welke mens dan ook gescheiden te worden, maar om totaal te worden toegewijd aan het werk waartoe God hen geroepen heeft', nl. het werk van heiliging, leren en besturen, de uitvoering waarvan door de hiërarchische gemeenschap nauwkeuriger wordt bepaald. In deze veelzijdige taak is de nooit aflatende verkondiging van het evangelie als het ware het uitgangspunt en het fundament, terwijl het hoogtepunt en de bron van heel het christelijk leven het eucharistisch offer is, dat de priesters als vertegenwoordigers van Christus het Hoofd, in naam van Hem en van de leden van zijn mystieke lichaam in de heilige Geest opdragen aan God de Vader; dit offer wordt voltooid met de heilige maaltijd waardoor de gelovigen deelkrijgen aan het ene lichaam van Christus en allen samen een lichaam worden Vgl. 1 Kor. 10, 16v .

De Kerk heeft het wezen van het ambtelijke priesterschap steeds dieper bestudeerd, en het staat vast dat het vanaf de apostelen steeds door een heilige ritus werd toegediend Vgl. 1 Tim. 4, 14 Vgl. 2 Tim. 1, 6 . Onder leiding van de heilige Geest is zij steeds duidelijker gaan zien dat God haar wilde beduiden dat deze ritus de priesters niet alleen meer genade geeft om hun taak heilig te verrichten, maar ook een onverliesbare bezegeling door Christus, een merkteken, waardoor zij bestemd worden voor hun taak, verrijkt met een passende volmacht die wordt ontleend aan de hoogste volmacht van Christus. Dat dit merkteken dat door de theologen verschillend wordt uitgelegd, blijvend is wordt ons geleerd door het Concilie van Florence en is door het Concilie van Trente in twee decreten bevestigd. Onlangs heeft ook het Tweede Vaticaans Concilie dit meermalen vermeld, en de Tweede Algemene Bisschoppensynode heeft zeer juist gesteld dat het voortbestaan van het priesterlijk merkteken tot de geloofsleer behoort. Dit blijvende priesterlijke merkteken moet door de gelovigen worden erkend en zij moeten daar aandacht aan schenken, om over het wezen van het ambtelijke priesterschap en de passende vormen om dit uit te oefenen juist te kunnen oordelen.

In de lijn van de heilige traditie en van verschillende documenten van het leerambt, leert het Tweede Vaticaans Concilie over de eigen macht van het ambtelijke priesterschap aldus: 'Doch indien om 't even wie hen die geloven mag dopen, aan de priester komt het toe de uitbouw van het lichaam door het eucharistisch offer te voltooien' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 17, en: 'Maar opdat de gelovigen samen zouden groeien tot een lichaam waarin 'niet alle leden dezelfde functie hebben' (Rom. 12, 4), heeft dezelfde Heer sommigen onder hen aangesteld tot bedienaren, die in de gemeenschap der gelovigen de heilige wijdingsmacht zouden bezitten om het offer op te dragen en zonden te vergeven'. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over het leven en dienst van de priester, Presbyterorum Ordinis (7 dec 1965), 2 Op eenzelfde manier stelt de Tweede Algemene Bisschoppensynode terecht dat alleen de priester de plaats van Christus kan innemen bij het voorzitten en voltrekken van de heilige maaltijd, waar het volk Gods door het offer van Christus tot eenheid wordt gebracht. Zonder hier in te gaan op de vraag wie de bedienaar is van de verschillende sacramenten, staat het vast uit het getuigenis van de heilige traditie en de heilige schrift, dat gelovigen die zonder de priesterwijding te hebben ontvangen zich aanmatigen om de eucharistie te voltrekken, dat niet alleen volledig ongeoorloofd doen maar ook ongeldig. Het is wet duidelijk dat waar zulke misbruiken zouden ontstaan, de herders der Kerk die zouden moeten onderdrukken.

Deze verklaring heeft niet ten doel gehad, en mocht dat ook niet hebben, door het bestuderen van de fundamenten van ons geloof te bewijzen.dat de goddelijke openbaring aan de Kerk is toevertrouwd om haar ongeschonden te bewaren in deze wereld. Maar dit dogma, waarop het katholieke geloof berust, werd samen met de andere waarheden die tot het mysterie van de Kerk behoren, in de herinnering geroepen om bij de huidige verwarring der geesten duidelijk te maken welk geloof en welke leer de gelovigen moeten aanhangen.

De Heilige Congregatie voor de Geloofsleer verheugt zich over het feit dat de theologen het mysterie van de Kerk met grote toewijding steeds dieper bestuderen. Zij erkent ook dat zij bij hun werk meermalen stoten op vragen die alleen kunnen worden beantwoord door elkaar aanvullende studies en velerlei pogingen en gissingen. Maar de rechtmatige vrijheid van de theologen moet zich wel steeds houden aan het woord van God, zoals dat in de kerk trouw bewaard en uiteengezet wordt en door het levende leerambt van de herders, en vooral van de herder van het hele volk Gods, wordt geleerd en verklaard.

Dezelfde Heilige Congregatie vertrouwt deze verklaring toe aan de nauwlettende zorg van de bisschoppen en van al degenen die op een bepaalde wijze delen in de taak om het erfgoed van het geloof te beschermen, dat door Christus en de apostelen werd toevertrouwd aan de Kerk. Zij richt deze verklaring tenslotte met vertrouwen aan de gelovigen, en vooral aan de priesters en theologen, vanwege de zware opgave die zij in de kerk hebben, opdat allen eensgezind zijn in het geloof en oprecht met de Kerk verbonden blijven.

Paus Paulus VI, door de goddelijke Voorzienigheid Hoofd van de Kerk, heeft in de audiëntie aan de ondertekenende Prefect van de Heilige Congregatie voor de Geloofsleer van 11 mei 1973, deze Verklaring ter bescherming van de Katholieke Leer over de Kerk tegen enkele hedendaagse dwalingen ondertekend en bevestigd en de publicatie ervan bevolen.

Gegeven te Rome, Heilige Congregatie voor de Geloofsleer, op het feest van de Heilige Johannes de Doper, 24 juni van het jaar onzes Heren 1973

Franjo Kardinaal Seper,
prefect

+ Jerome Hamer,
secretaris

Document

Naam: MYSTERIUM ECCLESIAE
Verklaring ter bescherming van de Katholieke Leer over de Kerk tegen enkele hedendaagse dwalingen
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Franjo Kardinaal Seper
Datum: 24 juni 1973
Copyrights: © 1973, Katholiek Archief, Amersfoort
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam