• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De onfeilbaarheid van het leerambt van de Kerk

Jezus Christus heeft gewild dat het leerambt der herders, aan wie Hij de opdracht gaf om heel zijn en de gehele mensenfamilie het Evangelie te verkondigen, zou zijn uitgerust met een passend charisma van onfeilbaarheid in zaken van geloof en zeden. Aangezien dit niet ontstaat uit nieuwe openbaringen die de opvolger van Petrus of het college van bisschoppen ten deel zouden vallen Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 4e Zitting - Dogmatische Constitutie over de Kerk van Christus, Pastor Aeternus (18 juli 1870), 21 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 25 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 4, ontslaat het hen niet van de zorg om met de juiste middelen de schat van de goddelijke openbaring in de heilige Schrift te onderzoeken, Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 11 waarin onvervalst de waarheid wordt geleerd die God omwille van ons heil wilde doen neerschrijven, evenals in de levende traditie die teruggaat op de apostelen. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 9-10 Bij het vervullen van hun taak mogen de herders der Kerk zich echter verheugen in de bijstand van de heilige Geest, vooral wanneer zij het volk Gods zodanig onderrichten, dat zij volgens de beloften van Christus aan Petrus en de andere apostelen een leer voorhouden die noodzakelijk vrij is van dwaling.

En dit gebeurt wanneer de bisschoppen, over de aarde verspreid, maar in gemeenschap met de opvolger van Petrus, lerend optreden en gezamenlijk een bepaalde leer als definitief verplichtend voorhouden. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 25 Dit vindt nog duidelijker plaats wanneer de bisschoppen als college - zoals op een oecumenisch Concilie samen met hun zichtbare Hoofd een bepaalde leer als verplicht vaststellen, Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 25 en wanneer de bisschop van Rome 'ex cathedra' spreekt, d.w.z. als hij in zijn ambt van herder en leraar van alle christenen, met zijn hoogste apostolische gezag verklaart dat een bepaalde leer met betrekking tot geloof of zeden door de hele Kerk moet worden gehouden'. Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 4e Zitting - Dogmatische Constitutie over de Kerk van Christus, Pastor Aeternus (18 juli 1870), 25

Volgens de katholieke leer strekt de onfeilbaarheid van het kerkelijk leerambt zich niet alleen uit tot het depositum fidei, maar ook tot hetgeen nodig is om dit depositum goed te bewaren en te verklaren. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 25 Dat deze onfeilbaarheid zich uitstrekt tot het depositum fidei zelf, is een waarheid waarvan de Kerk reeds vanaf het begin de overtuiging had dat zij was geopenbaard in de beloften van Christus. Op grond van deze waarheid heeft het Eerste Vaticaans Concilie het object van het geloof aldus omschreven: 'Fide divina et catholica moet worden geloofd alles wat in het geschreven of overgeleverde woord Gods is vervat, en door de Kerk, hetzij door een plechtige afkondiging, hetzij door het gewone en algemene leerambt, als door God geopenbaard te geloven wordt voorgehouden'. Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 13 Deze uitspraken van het katholieke geloof die dogmata worden genoemd - waren altijd en zijn Jezus Christus heeft gewild dat het leerambt der herders, aan wie Hij de opdracht gaf om heel zijn volk en noodzakelijk de onveranderlijke norm zowel voor het geloof als voor de theologie.

De gave van de onfeilbaarheid van de Kerk niet afzwakken

Uit wat gezegd is over de omvang en de voorwaarden van de onfeilbaarheid van het volk Gods en het kerkelijk leerambt, volgt dat het de gelovigen geenszins geoorloofd is om in de Kerk alleen maar een fundamenteel blijven in de waarheid te erkennen, waarvan sommigen beweren dat dat in overeenstemming zou zijn met de dwalingen die hier en daar voorkomen in de uitspraken die het kerkelijk leerambt als definitief verplicht voorhoudt, of in de vaste consensus van het volk Gods aangaande geloof of zeden.

Het is waar dat de mensen zich door het heilzame geloof bekeren tot God, die zich openbaart in zijn Zoon Jezus Christus; maar het is verkeerd om daaruit af te leiden dat men de kerkelijke dogmata over andere mysteries van geringer betekenis zou mogen achten of ontkennen. De bekering tot God in geloof is juist een gehoorzaamheid Vgl. Rom. 16, 26 , die zich aanpast aan de natuur van de goddelijke open baring en de eisen die deze stelt. Deze openbaring ontvouwt in de gehele heilsorde het mysterie van God, die zijn Zoon in de wereld heeft gezonden Vgl. 1 Joh. 4, 14 en leert hoe dit in het leven van de christenen zijn toepassing moet krijgen; en verder vraagt zij dat wij met verstand en wil de God der openbaring volledig gehoorzamen en de boodschap van het heil beamen zoals deze door de herders der Kerk onfeilbaar wordt geleerd. De gelovigen bekeren zich dus zoals het hoort in geloof tot de God die zich in Christus openbaart, door Hem aan te hangen in de hele leer van het katholieke geloof.

Er bestaat zeker een bepaalde orde en hiërarchie in de kerkelijke dogmata, door hun verschillende verhouding tot het fundament van het geloof. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 11 Deze hiërarchie betekent dat bepaalde dogmata berusten op andere nog voornamere, en dat zij van daaruit verduidelijkt worden. Maar alle dogmata die geopenbaard zijn moeten met hetzelfde fide divina worden geloofd.

Het begrip van de onfeilbaarheid van de Kerk niet verdraaien

Het doorgeven van de goddelijke openbaring door de Kerk stuit op verschillende moeilijkheden. Die komen hieruit voort, dat Gods ondoorgrondelijke geheimen 'naar hun wezen het menselijk verstand zozeer te boven gaan, dat als zij geopenbaard worden en in geloof beaamd, zij toch bedekt blijven met de sluier van het geloof en met een bepaalde duisternis'; verder ook nog vanwege de historische bepaaldheid van de uitdrukkingsvormen van de openbaring.

Wat deze historische bepaaldheid betreft moet op de eerste plaats worden opgemerkt, dat de inhoud van de geloofsuitspraken ten dele afhankelijk is van de zeggingskracht van de taal in een bepaalde tijd en een bepaalde situatie. Bovendien komt het voor dat een bepaalde leerstellige waarheid eerst op onvolledige, zij het niet onjuiste wijze wordt uitgedrukt, en later in een ruimere context van geloof en wetenschappen wordt bezien en vollediger en beter wordt verwoord. Vervolgens tracht de Kerk ook door nieuwe uitspraken te bevestigen of te verklaren wat reeds in zekere zin vervat ligt in de heilige Schrift of in voorgaande uitspraken van de overlevering; tegelijk echter denkt zij ook over het oplossen van bepaalde kwesties en het afwijzen van dwalingen; dit alles moet men bedenken, wil men deze uitspraken juist verstaan. En ook al is er onderscheid tussen de waarheden die de kerk door haar dogmatische formuleringen feitelijk wil leren en de veranderlijke idee├źn van een bepaalde tijd, toch kan het gebeuren dat deze waarheden door het heilig leerambt worden uitgedrukt in bewoordingen die daar de kenmerken van dragen.

Na deze uiteenzettingen moet gesteld worden dat de dogmatische formules van het kerkelijk leerambt de geopenbaarde waarheden van het begin af juist hebben weergegeven en, door onveranderd te blijven, dat ook altijd zullen doen voor degenen die ze juist interpreteren. Daaruit volgt echter niet dat elk van deze formuleringen apart dat ook altijd evenzeer heeft gedaan of zal blijven doen. Daarom trachten de theologen nauwkeurig de inhoud te omschrijven van de leer die in deze formules werkelijk vervat ligt, en met deze arbeid bieden zij een waardevolle hulp aan het levende kerkelijke leerambt, waaraan zij ondergeschikt zijn. Om dezelfde reden gebeurt het vaak dat oude dogmatische formuleringen en andere die daarmee in nauw verband staan, in het dagelijks gebruik in de kerk levend en vruchtbaar blijven, maar dan zo dat daar te juister tijd nieuwe uiteenzettingen en uitspraken aan worden toegevoegd, die hun echte inhoud bewaren en duidelijk maken. Soms evenwel kwam het voor dat in dit gewone spraakgebruik van de Kerk bepaalde formuleringen plaats maakten voor nieuwe uitdrukkingswijzen, die voorgesteld of goedgekeurd door het heilig leerambt, dezelfde inhoud duidelijker of vollediger weergaven.

De inhoud echter van de dogmatische formuleringen blijft in de Kerk altijd waar en hetzelfde, ook wanneer hij helderder wordt geformuleerd en dieper verstaan. De gelovigen moeten zich dus afkeren van de mening dat ten eerste dogmatische formuleringen (of bepaalde soorten daarvan) een waarheid niet nauwkeurig kunnen uitdrukken, maar alleen veranderlijke benaderingen ervan zijn die haar in zekere zin aantasten of vervormen; en vervolgens, dat deze formuleringen slechts onduidelijk de waarheid uitdrukken die door benaderende uitspraken voortdurend gezocht moet worden. Wie een dergelijke mening toegedaan zijn ontkomen niet aan een dogmatisch relativisme en verdraaien het begrip van de onfeilbaarheid der kerk, die immers betrekking heeft op een duidelijk te leren en te houden waarheid.

Een dergelijke mening wijkt zeker af van de uitspraken van Vaticanum I, dat zich wel bewust was van de voortgang van de Kerk in het kennen van de geopenbaarde waarheid, maar toch leerde: 'Aan die inhoud van de heilige dogmata moet altijd worden vastgehouden, die de moederkerk eenmaal heeft vastgesteld, en van deze inhoud mag nooit worden afgeweken onder de schijn of in naam van een diepere kennis', en waar de mening veroordeeld werd dat het mogelijk was 'dat de door de kerk voorgehouden dogmata ooit, in verband met de voortgang van de wetenschap, een andere inhoud moest worden gegeven dan die welke de kerk bedoelde en nog bedoelt'. Volgens deze concilie-teksten is de inhoud van de dogmata, die door de Kerk wordt vastgesteld, zonder twijfel nauwkeurig bepaald en onveranderlijk.

Bedoelde mening wijkt ook af van wat paus Johannes XXIII gezegd heeft over de christelijke leer bij de opening van het Tweede Vaticaans Concilie: "Deze vaststaande en onveranderlijke leer, die wij in gelovige gehoorzaamheid moeten aanvaarden, dient te worden bestudeerd en verklaard op de wijze die deze tijd vraagt. Iets anders is het depositum fidei, de waarheden die in de eerbiedwaardige leer vervat liggen, iets anders de wijze waarop zij, met behoud van inhoud en betekenis, worden verkondigd" H. Paus Johannes XXIII, Toespraak, Openingstoespraak Tweede Vaticaans Concilie, Gaudet Mater Ecclesia (11 okt 1962), 30 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 62. Wanneer de opvolger van Petrus hier spreekt over de zekere en onveranderlijke christelijke leer, over het depositum fidei dat hetzelfde is als de waarheden die daarin vervat liggen, en over het bewaren van deze waarheden in dezelfde inhoud, dan is het wel duidelijk dat hij erkent dat wij de inhoud van de dogmata nauwkeurig kunnen kennen, en dat deze waar en onveranderlijk is. De vernieuwing die hij aanbeveelt overeenkomstig de eisen van deze tijd betreft alle en de wijze van bestuderen, uitleggen en verkondigen van die leer, met behoud van de inhoud. Op dezelfde wijze heeft onlangs Paus Paulus VI een aansporing gericht tot de herders der Kerk: "Thans moeten wij ons er vol ijver voor inzetten dat de geloofsleer zijn volle betekenis en gewicht behoudt, al moet zij ook zodanig worden verkondigd dat geest en hart van de mensen tot wie zij wordt gericht, geraakt worden". H. Paus Paulus VI, Apostolische Exhortatie, Bij de vijfde verjaardag van de sluiting van Vaticanum II, Quinque iam anni (8 dec 1970). AAS 63 (1971), p. 100ff

Document

Naam: MYSTERIUM ECCLESIAE
Verklaring ter bescherming van de Katholieke Leer over de Kerk tegen enkele hedendaagse dwalingen
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Franjo Kardinaal Seper
Datum: 24 juni 1973
Copyrights: © 1973, Katholiek Archief, Amersfoort
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam