• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

VESPERS MET DE PRIESTERS, RELIGIEUZEN, DIAKENS EN SEMINARISTEN
Basiliek van Mariazell, Oostenrijk

Vereerde en geliefde medebroeders in de priesterlijke dienst!
Geliefde mannen en vrouwen van het godgewijde leven!
Geliefde vrienden!

We hebben ons in de eerbiedwaardige Basiliek van onze “Magna Mater Austriae” in Mariazell verzameld. Sinds vele generaties bidden hier de mensen om bijstand van de Moeder Gods. Wij doen dit ook vandaag. Wij willen met haar de goedheid van God prijzen en aan de Heer onze dank uitspreken voor weldaden die wij hebben ontvangen, in het bijzonder voor het grote geschenk van het geloof. Wij willen haar ook zeggen wat ons nauw aan het hart gaat: haar bescherming voor de Kerk afsmeken, haar voorspraak voor het geschenk van goede roepingen voor onze bisdommen en kloostergemeenschappen inroepen, bidden voor haar bijstand voor alle gezinnen en voor haar erbarmend gebed voor alle mensen die een uitweg uit de zonde en een ommekeer zoeken, en tot slot alle zieken en ouderen aan haar moederlijke zorg toevertrouwen. Moge de grote Moeder van Oostenrijk en van Europa ons allen een innige vernieuwing van geloof en leven bezorgen.

Geliefde vrienden, als priester en kloosterling zijn jullie dienaars en dienaressen van de zending van Jezus Christus. Zoals tweeduizend jaar geleden Jezus mensen tot de navolging van Hem geroepen heeft, zo volgen ook vandaag jonge mannen en vrouwen Zijn roepstem en begeven zich op weg, begeesterd door Jezus en bewogen door het verlangen hun leven ten dienste van de Kerk te stellen en tot hulp van de mensen over te geven. Zij wagen de navolging van Jezus Christus en willen Zijn getuigen zijn. Het leven van de navolging is inderdaad een waagstuk omdat wij voortdurend bedreigd zijn door zonde, onvrijheid en afvalligheid. Daarom hebben wij allen nood aan Zijn genade, zoals Maria deze ten volle gekregen heeft. Wij leren, zoals Maria, om altijd onze blik op Christus te richten en Hem tot maatstaf te nemen. Wij mogen aan de universele heilszending van de Kerk, waarvan Hij het hoofd is, deelnemen. De Heer roept priesters, kloosterlingen en leken om in de wereld met al haar verscheidenheid te gaan en daar mee te werken aan de opbouw van het Rijk Gods. Zij doen dit op zeer verschillende manieren: in de verkondiging, in de opbouw van gemeenschappen, in de verschillende pastorale diensten, in de daadwerkelijke liefde en geleefde ‘caritas’, in het onderzoek en de wetenschap die geleid wordt door een apostolische geest, in de dialoog met de omringende cultuur, in de bevordering van de door God gewilde rechtvaardigheid en niet minder in de teruggetrokken beschouwing van de Drie-ene God en de gemeenschappelijke lof van God in hun gemeenschap.
De Heer nodigt jullie uit tot de pelgrimstocht van de Kerk “op haar weg doorheen de tijd”. Hij nodigt jullie uit mee te gaan op Zijn pelgrimsweg en deel te hebben aan Zijn leven, een leven dat ook vandaag nog een kruisweg en een weg van de Verrezene is doorheen het Galilea van ons leven. Het is echter altijd de éne Heer die ons door het éne doopsel tot één geloof roept. De deelname aan Zijn weg betekent dus beiden: de dimensie van het kruis – met mislukkingen, lijden, onbegrip, ja zelfs verachting en vervolging – maar ook de ervaring van een diepe vreugde in Zijn dienst te zijn en de ervaring van grote troost die volgt uit de ontmoeting met Hem. Zoals voor de Kerk ligt de oorsprong van de zending van de afzonderlijke gemeenschappen en van elke gedoopte christen in de ervaring van de gekruisigde en verrezen Christus.
Het hart van de zending van Jezus Christus en van alle christenen ligt in de verkondiging van het Rijk Gods. Deze verkondiging in naam van Christus betekent voor de Kerk, de priesters, de kloosterlingen en alle gedoopten in de wereld aanwezig zijn als Zijn getuigen. Want het Rijk Gods is God zelf, die aanwezig komt en in ons midden en door ons heerst. Daarom wordt het Rijk Gods opgebouwd wanneer God in ons leeft en wij God in de wereld uitdragen. Jullie doen dit doordat jullie getuigenis afleggen van een zinvolheid die geworteld is in de scheppende liefde Gods en zich stelt tegenover alle onzin en vertwijfeling. Jullie staan aan de kant van allen die op zoek zijn naar deze zinvolheid, die aan het leven een positieve betekenis willen geven. Door jullie gebed en voorspraak zijn jullie de voorsprekers van hen die God zoeken, van hen die naar God onderweg zijn. Jullie leggen getuigenis af van een hoop die, tegen alle stille en luide vertwijfeling in, verwijst naar de trouw en erbarmen van God. Zo staan jullie aan de kant van allen wiens rug gekromd is door drukkende gebeurtenissen en niet kunnen loskomen van hun lasten. Jullie leggen getuigenis af van de liefde die zich geeft aan de mensen en zo de dood overwonnen heeft. Jullie staan aan de kant van diegenen die nooit liefde ervaren hebben, die niet meer in het leven kunnen geloven. En dus kanten jullie zich tegen de veelvoudige wijzen van verborgen en openlijke ongerechtigheid als ook tegen de toenemende verachting voor de mens. Zo dient geheel jullie bestaan, geliefde broeders en zusters, te zijn als dat van Johannes de Doper: één grote en levendige verwijzing naar Jezus Christus, de mensgeworden Zoon Gods. Jezus noemde Johannes een brandende en lichtende lamp Vgl. Joh. 5, 35 . Wezen ook jullie zulke lampen! Laat jullie licht schijnen in onze maatschappij, in de politiek, in de economie, de cultuur en het onderzoek. Zelfs indien het ook maar een klein licht is te midden van vele dwaallichten, dan nog verkrijgt het zijn kracht en glans van de grote morgenster, de verrezen Christus, wiens licht schittert – en wil door ons heen schitteren – en dat niet zal ondergaan.
Christus navolgen – wij willen Christus navolgen – betekent in de gezindheid van Christus, in de levensstijl van Christus binnen groeien, zo zegt ons de Filippenzenbrief: “Die gezindheid moet onder u heersen welke ook Christus Jezus bezielde” (Fil. 2, 5). Het motto van deze dagen is: “naar Christus kijken”. In het kijken naar Hem, de grote Leraar van het leven, heeft de Kerk drie opvallende kenmerken van de gezindheid van Jezus Christus ontdekt. Deze drie kenmerken, die wij in de Overlevering de evangelische raden noemen, zijn de bepalende elementen geworden van een leven in de radicale navolging van Christus: armoede, kuisheid en gehoorzaamheid. Laten we in dit uur wat nadenken over deze kenmerken.
Jezus Christus, die rijk was met de gehele rijkdom Gods, is om onzentwillen arm geworden, zo zegt ons Sint-Paulus in de Tweede Korinthiërbrief (2 Kor. 8, 9); het is woord dat niet te doorgronden is maar waarover wij altijd opnieuw moeten nadenken. En in de Filippenzerbrief staat: “Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en … was gehoorzaam tot de dood aan het kruis” (Fil. 2, 6-8). Hij, die arm was, heeft de armen zaliggesproken. De heilige Lucas toont ons in zijn versie van de zaligsprekingen dat deze uitspraak – de zaligspreking van de armen – zeker verwijst naar de armen, de werkelijk arme mensen van het Israël van zijn tijd, waar er een sterke tegenstelling bestond tussen rijken en armen. Maar de heilige Mattheüs, in zijn versie van de zaligspreking, verklaart ons dat de louter materiële armoede als zodanig niet verzekert van Gods nabijheid. Want het hart kan hard zijn en vol van de begeerte naar rijkdom. Net zoals de gehele Heilige Schrift laat hij ons echter zien dat God in elk geval op bijzondere wijze de armen nabij is. Zo wordt duidelijk: de christen ziet in de armen Christus, die op hen wacht en op hun inzet. Wie Christus radicaal wil navolgen, moet afstand doen van materiële goederen. Maar hij moet deze armoede beleven vanuit Christus, als een inwendig vrij worden voor de naaste. De vraag van de armoede en de armen moet voor alle christenen, maar in het bijzonder voor ons priesters en kloosterlingen, zowel voor de enkeling als voor de kloostergemeenschappen, altijd opnieuw inhoud zijn van een ernstig gewetensonderzoek. Bijzonder in onze situatie, denk ik, waar het ons niet slecht gaat, waar wij niet arm zijn, moeten wij in het bijzonder erover nadenken hoe wij deze roeping eerlijk kunnen beleven. Dit zou ik jullie willen aanraden voor jullie, voor ons, gewetensonderzoek.
Om juist te verstaan wat kuisheid moeten wij vertrekken vanuit de positieve inhoud ervan. En deze inhoud vinden wij enkel wanneer wij kijken naar Jezus Christus. Jezus heeft geleefd met een dubbele aandacht: voor de Vader en voor de mensen. In de Heilige Schrift leren wij Jezus kennen als diegene die bidt, die nachten doorbrengt in tweegesprek met de Vader. In het bidden neemt Hij Zijn mens-zijn en ons aller mens-zijn mee in de relatie van Zoon tot de Vader. Deze dialoog met de Vader wordt vervolgens altijd opnieuw tot zending naar de wereld, naar ons toe. Zijn zending leidde Hem tot een zuivere en ongedeelde aandacht voor de mensen. In de getuigenissen van de Heilige Schrift is er op geen enkel ogenblik van zijn leven in de omgang met de mensen een vermenging met eigen interesse en nut te vinden. Jezus heeft de mensen in de Vader, vanuit de Vader bemind en op deze wijze beminde hij de mensen in hun eigen bestaan en realiteit. Het intreden in deze gezindheid van Jezus Christus – in dit geheel zijn met de levendige God en in dit zuivere zijn met de mensen, geheel tot hunner beschikking – dit intreden in de gezindheid van Jezus Christus heeft Paulus geïnspireerd tot een theologie en een praktijk van leven die wil antwoorden op Jezus’ woord over het ongehuwd zijn omwille van het rijk des hemelen Vgl. Mt. 19, 12 . Priesters en kloosterlingen leven niet zonder relaties. Kuisheid betekent integendeel – en dit wilde ik als vertrekpunt nemen – een intensieve relatie, is positief een relatie tot de levendige Christus en van daaruit tot de Vader. Daarom beloven wij middels de gelofte van ongehuwde kuisheid niet individualistisch of zonder relaties te leven, maar wij beloven de intensieve relaties, waartoe wij in staat zijn en waarmee wij begiftigd zijn, geheel en zonder voorbehoud ten dienste te stellen van het Rijk Gods en zo ten dienste van de mensen. Op deze wijze worden priesters en kloosterlingen zelf mensen van hoop: wanneer zij geheel inzetten op God en daardoor tonen dat God voor hen een werkelijkheid, scheppen zij ruimte voor Zijn aanwezigheid - het Rijk Gods - in de wereld. Geliefde priesters en kloosterlingen, jullie leveren een grote bijdrage: te midden van alle hebzucht, van al het egoïsme van het niet-kunnen-wachten, van de honger naar consumptie, te midden van de cultus van de individualiteit, proberen wij een liefde tot de mensen te beleven die niet tot ons eigen nut strekt. We beleven een hoop die aan God de vervulling overlaat omdat wij geloven dat Hij vervulling schenkt. Wat zou er gebeurd zijn indien Hij ons deze wegwijzers in de geschiedenis van het christendom niet had gegeven? Wat zou er van onze wereld worden indien er niet die priesters, die vrouwen en mannen in de ordes en gemeenschappen van godgewijd leven, zouden zijn, die die hoop op een grotere vervulling van de menselijke wensen en de ervaring van de liefde Gods, die alle menselijke liefde overstijgt, voorleven.
Laten we nu dan spreken over de gehoorzaamheid. Jezus heeft zijn gehele leven, vanaf de stille jaren in Nazareth tot in het ogenblik van de dood aan het kruis, geleefd in het horen naar de Vader, in gehoorzaamheid aan de Vader. Kijken wij bijvoorbeeld naar de nacht op de Olijfberg: “Niet Mijn wil geschiede, maar Uw wil”. In dit gebed neemt Jezus al onze tegendraadse eigenzinnigheid op in Zijn wil van de Zoon, hij verandert onze rebellie om tot Zijn gehoorzaamheid. Jezus was een man van gebed. Maar in dit gebed was Hij tegelijk iemand die luistert en gehoorzaamt: “Gehoorzaam geworden tot de dood, tot de dood aan het kruis” (Fil. 2, 8). De christenen hebben altijd ervaren dat zij zich niet verliezen door zich over te geven aan de wil van de Heer, maar dat zij zichzelf zo ontdekken, hun diepste identiteit en innerlijke vrijheid. In Jezus hebben zij ontdekt dat wie zich wegschenkt, zich vindt en dat wie zich bindt in een gehoorzaamheid die op God gegrondvest is en Hem zoekt, vrij wordt. Luisteren naar God en Hem gehoorzamen heeft niets van doen uitwendige bepaling en verliezen van zichzelf. Het is maar door het binnentreden in de wil van God dat wij pas onze ware identiteit bereiken. Het getuigenis van deze ervaring heeft de wereld van vandaag, te midden van haar verlangen naar ‘zelfverwerkelijking’ en ‘zelfbepaling’, juist nodig.

Romano Guardini vertelt in zijn Romano Guardini
Autobiografie ()
hoe, op een kritisch moment van zijn weg, toen het geloof van zijn kinderjaren problematisch was geworden, aan hem de fundamentele beslissing van geheel zijn leven – zijn bekering – geschonken werd door de ontmoeting met het woord van Jezus dat enkel wie zich verliest, zichzelf vindt Vgl. Mc. 8, 34 Vgl. Joh. 12, 25 ; dat zonder zichzelf los te laten, zonder zich te verliezen er geen vinden van zichzelf, geen zelfverwerkelijking kan zijn. Maar dan rees bij hem de vraag: Aan wie kan ik mezelf verliezen? Aan wie mij geven? Het werd hem duidelijk dat wij ons enkel dan weggeven kunnen wanneer wij in Gods handen vallen; enkel aan Hem kunnen wij ons uiteindelijk verliezen en enkel in Hem kunnen wij ons vinden. Maar dan kwam de vraag: Wie is God? Waar is God? En dan begreep hij dat de God aan wie wij ons kunnen verliezen, enkel die God is die in Jezus Christus concreet en dichtbij gekomen is. Maar tot slot rees er nog een vraag: Waar kan ik Jezus Christus vinden? Hoe kan ik mij aan Hem werkelijk geven? Het antwoordt dat Guardini in zijn zoeken vond, is: Concreet tegenwoordig is ons Jezus Christus enkel in Zijn lichaam, de Kerk. Daarom moet gehoorzaamheid aan Gods wil, gehoorzaamheid aan Jezus Christus heel concreet en praktisch zijn een deemoedig gehoorzaamheid aan de Kerk. Ik denk dat wij ook hierover altijd opnieuw ons geweten moeten onderzoeken. Dit alles wordt samengevat in het gebed van de heilige Ignatius van Loyola, een gebed dat mij steeds weer zodanig overweldigend lijkt dat ik het bijna niet durf bidden maar dat wij desondanks steeds dienen te herhalen: “Neem, Heer, en ontvang mijn gehele vrijheid, mijn geheugen, mijn verstand en geheel mijn wil, alles wat ik heb en bezit. Gij hebt het mij gegeven; U, Heer, geef ik het terug. Alles behore U toe, beschik erover naar Uw wil. Geef mij enkel Uw liefde en Uw genade; dan ben ik rijk genoeg en verlang ik niets meer” H. Ignatius van Loyola, Geestelijke Oefeningen. 234.

Geliefde broeders en zusters! Jullie gaan nu weer terug naar jullie leven, naar de plaats waar jullie kerkelijk, pastoraal, geestelijk en als mens actief zijn. Moge onze grote Voorspreeksters en Moeder Maria haar beschermende hand over jullie en jullie werk uitspreiden. Moge zij bij haar Zoon, onze Heer Jezus Christus, voorspreken. Met mijn dank voor jullie gebed en jullie werk in de wijngaard van de Heer verbind ik mijn innig gebed tot God voor de bescherming en welzijn van jullie allen, voor de mensen - en in het bijzonder de jongeren – hier in Oostenrijk en in de verschillende landen waar velen van jullie vandaan komen. Van hart begeleid ik jullie met mijn zegen.

Document

Naam: VESPERS MET DE PRIESTERS, RELIGIEUZEN, DIAKENS EN SEMINARISTEN
Basiliek van Mariazell, Oostenrijk
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 8 september 2007
Copyrights: © 2007, Libreria Editrice Vaticana
© 2011, Vert. uit het Duits: Drs. J. Vijgen; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 30 augustus 2013

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam