• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Dat dit mystieke lichaam, dat is de Kerk, de naam van Christus draagt, volgt op de tweede plaats hieruit, dat Hij werkelijk door allen als haar Hoofd moet worden beschouwd. Paulus zegt: "Hij is het Hoofd van het lichaam, de Kerk." (Kol. 1, 18) Hij is het Hoofd, waardoor heel het lichaam in de juiste samenstelling wordt bijeengehouden en toeneemt en zijn groei voltrekt tot eigen opbouw. Vgl. Ef. 4, 16 Vgl. Kol. 2, 19

Gij zijt er van op de hoogte, eerbiedwaardige broeders, welk een helder licht de uitspraken uitstralen van de meesters der scholastieke theologie, en vooral van de engelachtige en algemene leraar, in hun uiteenzettingen hierover; en het is u ongetwijfeld bekend, dat de bewijzen, die hij naar voren brengt, getrouw overeenstemmen met de opvattingen der heilige Vaders, die overigens slechts de uitspraken van de H. Schrift weergaven en nader verklaarden.
a. Op grond van Zijn verhevenheid

Gaarne gaan wij er echter tot aller nut in het kort op in.

Vooreerst is het duidelijk, dat de Zoon van God en van de heilige Maagd op grond van Zijn bijzondere verhevenheid Hoofd van de Kerk moet worden genoemd. Het hoofd bevindt zich immers op de hoogste plaats. Wie staat er echter hoger dan Christus-God, die als het Woord van de eeuwige Vader, als "Eerstgeborene van heel de schepping" (Kol. 1, 15) moet worden erkend? Wie is er op een verhevener hoogte geplaatst dan Christus-mens, die, geboren uit de onbevlekte Maagd, de ware en natuurlijke Zoon van God is, en die vanwege de wondervolle en glorierijke opstanding, waarmede Hij uit de overwonnen dood verrees, leeft als "de Eerstgeborene der gestorvenen?" (Kol. 1, 18)(Hand. 1, 5) Wie is er ten slotte hoger opgevoerd dan Hij, die als "de éne... middelaar tussen God en de mensen" (1 Tim. 2, 5) op waarlijk wonderbare wijze de aarde met de hemel verbindt; die, omhoog geheven aan het kruis, als op een troon van barmhartigheid, alles tot Zich heeft getrokken Vgl. Joh. 12, 32 ; en die, de Zoon des mensen uit duizenden uitverkoren, meer dan alle mensen, alle engelen en alle schepselen door God wordt bemind? Vgl. H. Cyrillus van Alexandrië, Commentaar op het Evangelie volgens Johannes, Commentarium in Joannis Evangelium. 1, 4; Migne PG 73, 69 Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I, q. 20, a. 4 ad 1

b. Op grond van Zijn bestuur

Daar nu Christus een zo verheven plaats inneemt, is Hij alleen met volle recht de leider en bestuurder van de Kerk; en derhalve moet Hij ook om deze reden met een hoofd worden vergeleken. Zoals immers het hoofd - om de woorden van Ambrosius te gebruiken - de "koninklijke burcht" van het lichaam is H. Ambrosius van Milaan, Hexameron. 6, 55; Migne PL 14, 265 en door het hoofd, dat immers met verhevener gaven is bedacht, alle ledematen, waarboven het is geplaatst om voor hun welzijn te zorgen Vgl. H. Augustinus, De Agon. Christum. 20, 22; Migne PL 40, 301, van nature geleid worden, zo heeft ook de goddelijke Verlosser het roer van de gehele gemeenschap der christenen in handen. Daar nu evenwel de leiding hebben van een groep mensen niets anders betekent dan hen met vooruitziende zorg, met de geëigende middelen en op de juiste wijze tot het vastgestelde doel te voeren Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. I q. 22, a. 1-4 , is het gemakkelijk in te zien, dat onze Zaligmaker, die het lichtend voorbeeld der goede herders is Vgl. Joh. 10, 1-18 Vgl. 1 Pt. 5, 1-5 , dit alles op volstrekt wonderbare wijze verwerkelijkt.

Want toen Hij nog op aarde verbleef, heeft Hij ons Zijn wetten, raadgevingen en vermaningen medegedeeld in woorden, die nooit voorbij zullen gaan en die voor de mensen van alle tijden geest en leven zullen zijn. Vgl. Joh. 6, 63 En daarenboven gaf Hij aan Zijn apostelen en aan hun opvolgers een drievoudige macht, namelijk om te onderwijzen, om te besturen en om de mensen tot de heiligheid te voeren; en deze macht omschreef Hij met bijzondere voorschriften, rechten en verplichtingen en maakte ze tot grondwet van de gehele Kerk.

Maar onze goddelijke Zaligmaker leidt en bestuurt ook rechtstreeks en persoonlijk de gemeenschap, die Hij heeft gesticht. Hij heerst immers in de geesten en de harten der mensen en buigt en dwingt zelfs hun weerbarstige wil volgens Zijn welbehagen. "Het hart van een koning is in de hand van de Heer, Hij leidt het waarheen Hij wil." (Spr. 21, 1) En door die inwendige leiding draagt Hij niet alleen als "herder en leidsman van onze zielen" Vgl. 1 Pt. 2, 25 zorg voor de enkelingen, maar ook voor de gehele Kerk, wanneer Hij namelijk haar bestuurders verlicht en versterkt om de hun opgedragen taak getrouw en met vrucht te volbrengen; ofwel wanneer Hij - vooral in moeilijke tijdsomstandigheden - uit de schoot van de Kerk mannen en vrouwen, opwekt, die uitblinken in glans van heiligheid, om aan de overige christengelovigen tot voorbeeld te dienen tot grotere wasdom van Zijn mystiek lichaam. Hier komt nog bij, dat Christus vanuit de hemel op Zijn ongerepte bruid, die hier op aarde in ballingschap zwoegt, steeds met een heel bijzondere liefde neerziet. Want wanneer Hij haar in gevaar bemerkt, redt Hij haar uit de golven van de storm, ofwel met eigen hand, ofwel door middel van Zijn engelen Vgl. Hand. 8, 26 Vgl. Hand. 9, 1-19 Vgl. Hand. 10, 1-7 Vgl. Hand. 12, 3-10 , ofwel door middel van Zijn Moeder, die wij aanroepen als de hulp der christenen, of ook door andere hemelse patronen. En na het woelen van de zee te hebben gestild, troost Hij haar met die vrede, "die ieder begrip te boven gaat." (Fil. 4, 7)

Men moet echter niet menen, dat Zijn bestuur zich enkel op onzichtbare Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de eenheid van de Kerk, Satis Cognitum (29 juni 1886), 75 wijze of in buitengewone gevallen uit, daar de goddelijke Verlosser immers ook op zichtbare wijze en in de gewone gang van zaken Zijn mystiek lichaam door middel van Zijn plaatsbekleder op aarde bestuurt. Gij weet toch, eerbiedwaardige broeders, dat Christus de Heer, na gedurende Zijn sterfelijk bestaan "de kleine kudde" (Lc. 12, 32) persoonlijk, op zichtbare wijze te hebben geleid, kort voordat Hij deze wereld zou verlaten en naar de Vader zou terugkeren, het zichtbare bestuur van de' door Hem gestichte gemeenschap aan het hoofd der apostelen heeft toevertrouwd. In Zijn hoogste wijsheid kon Hij immers het maatschappelijk lichaam van de Kerk, dat Hij had ingericht, niet zonder zichtbaar hoofd achterlaten. Tegen deze waarheid kan men niet aanvoeren, dat door de instelling van het jurisdictie primaat in de Kerk, het mystieke lichaam een dubbel hoofd zou hebben ontvangen. Petrus is immers, op grond van zijn primaat, niets anders dan plaatsbekleder van Christus, en zo is er slechts één primair hoofd van dit lichaam, namelijk Christus. Deze houdt niet op, de Kerk op verborgen wijze persoonlijk te besturen, maar leidt die Kerk toch op zichtbare wijze door hem, die op aarde Zijn plaats inneemt; zij is immers na Christus' glorievolle hemelvaart niet meer op Hem alleen, maar ook op Petrus als zichtbaar fundament gebouwd. Dat Christus en Zijn plaatsbekleder slechts één hoofd vormen, heeft onze voorganger z.g. Bonifatius VIII door zijn apostolische brief Paus Bonifatius VIII - Bul
Unam Sanctam (18 november 1302)
plechtig geleerd, Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917). Extr. Comm. 1, 8, 1 en na hem hebben zijn opvolgers nooit opgehouden dit te herhalen.

Derhalve verkeren diegenen in een gevaarlijke dwaling, die menen, dat zij Christus als Hoofd van de Kerk kunnen aanhangen, zonder Zijn plaatsbekleder op aarde getrouw te volgen. Want door het wegnemen van dit zichtbare hoofd en het verbreken van de zichtbare eenheidsbanden, verduisteren en misvormen zij het mystieke lichaam van de Verlosser zozeer, dat zij, die de haven van het eeuwig heil zoeken, dit lichaam niet meer kunnen onderscheiden en vinden.

Wat wij echter hier over de algemene Kerk hebben gezegd, geldt ook voor de bijzondere gemeenschappen der christenen, zowel de Oosterse als de Latijnse, waaruit de éne katholieke Kerk bestaat en wordt opgebouwd, daar ook zij elk afzonderlijk door Christus Jezus door middel van de stem en de macht van haar eigen bisschop worden bestuurd. Daarom moeten de bisschoppen niet alleen als de meest uitstekende leden van de algemene Kerk worden beschouwd, daar zij door een volstrekt enige band met het goddelijk Hoofd van het gehele lichaam zijn verbonden, en dus met recht worden genoemd "de eersten der ledematen van de Heer" H. Paus Gregorius de Grote, Moreel commentaar op (het boek) Job, Moralia in Job. 14, 35. 43; Migne PL 75, 1062, maar wat zijn eigen bisdom betreft, weidt en bestuurt ieder van hen de hem bijzonder aangewezen kudde in naam van Christus als ware herder. Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 4e Zitting - Dogmatische Constitutie over de Kerk van Christus, Pastor Aeternus (18 juli 1870), 10-15 Bij de uitoefening van deze taak zijn zij echter niet volkomen onafhankelijk, maar staan zij onder het bindend gezag van de paus van Rome, ofschoon zij in het bezit zijn van de gewone jurisdictiemacht, die hun onmiddellijk door de paus wordt medegedeeld. Zij moeten derhalve, als de door God gewilde opvolgers van de apostelen Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 329. 1, door het volk worden geëerbiedigd; en meer nog dan op de bestuurders van deze wereld, zelfs op de allerhoogsten onder hen, slaat op de bisschoppen, gezalfd als zij zijn door de Heilige Geest, dit woord van de H. Schrift: "Wilt niet raken aan mijn gezalfden." (1 Kron. 16, 22)(Ps. 104, 15)

Wij worden dan ook zeer smartelijk getroffen door de berichten, dat niet weinigen van onze broeders in het episcopaat, om het feit dat zij in waarheid het voorbeeld van hun kudde zijn geworden Vgl. 1 Pt. 5, 3 en het hun toevertrouwde heilige "pand van het geloof" Vgl. 1 Tim. 6, 20 , zoals het behoort, krachtig en getrouw behoeden; om het feit dat zij aandringen op de onderhouding van de heilige wetten, die in de harten der mensen zijn gegrift en de hun toevertrouwde kudde naar het voorbeeld van de opperste Herder tegen de roofzuchtige wolven verdedigen, niet alleen te lijden hebben van vervolgingen en kwellingen tegen hun persoon, maar - wat voor hen nog wreder is en zwaarder te dragen valt - ook tegen de schapen, die aan hun zorgen zijn toevertrouwd, de medewerkers in de apostolische arbeid, tot zelfs de Godgewijde maagden. Een dergelijk onrecht achten wij onszelf aangedaan en wij herhalen de verheven woorden van onze voorganger z.g. Gregorius de Grote: "Onze eer is de eer van de gehele Kerk; onze eer is de hechte voorspoed van onze broeders; en eerst dan worden wij naar waarheid geëerd, wanneer aan geen van hen de toekomende eer wordt geweigerd." Vgl. H. Paus Gregorius de Grote, Epistolae. Ad. Eulog., 30; Migne PL 77, 933

c. Op grond van de behoefte aan elkaar bij hoofd en ledematen

Men moet echter niet denken, dat, aangezien Christus het Hoofd op zo'n verheven hoogte is geplaatst, Hij de hulp van het lichaam niet zou behoeven. Want ook van dit mystieke lichaam geldt, wat Paulus over het menselijk wezen zegt: "Het hoofd kan niet tot de voeten zeggen: ik heb u niet nodig." (1 Kor. 12, 21) Het is natuurlijk overduidelijk, dat de christengelovigen de hulp van de goddelijke Verlosser absoluut nodig hebben, daar Hij zelf heeft gezegd: "Zonder Mij kunt gij niets doen" (Joh. 15, 5), en daar, volgens de verklaring van de Apostel, iedere toename van dit mystieke lichaam tot zijn eigen opbouw afhangt van Christus het Hoofd. Vgl. Ef. 4, 16 Vgl. Kol. 2, 19 Maar ook hieraan moet men vasthouden, hoe verwonderlijk het ook schijnen moge, dat Christus zijn leden nodig heeft. En wel op de eerste plaats in zover de Paus de plaats bekleedt van Jezus Christus, en deze, om niet onder de last van zijn herderlijk ambt te bezwijken, op anderen, niet weinigen, een deel van zijn zorgen moet overdragen, en dagelijks ondersteund moet worden door het gezamenlijk gebed van heel de Kerk. Daarenboven wil onze Zaligmaker, voor zover Hij zelf persoonlijk op onzichtbare wijze de Kerk bestuurt, door de leden van Zijn mystiek lichaam geholpen worden in de uitvoering van Zijn verlossingswerk. Dit vindt zijn reden echter niet in Zijn ongenoegzaamheid of zwakheid, maar hierin, dat Hij zelf tot meerdere eer van Zijn ongerepte bruid het zo heeft beschikt. Al heeft Hij immers door Zijn dood aan het kruis de onmetelijke schat der Verlossing aan Zijn Kerk zonder haar medewerking geschonken, bij de uitdeling van die schat vraagt Hij niet alleen de medewerking van Zijn onbesmette bruid tot het werk der heiliging, maar wil Hij zelfs, dat haar werking er op zekere wijze de oorsprong van vormt. Waarlijk een huiveringwekkend en nooit voldoende te overwegen geheim: dat namelijk het heil van velen afhangt van de gebeden der leden van het mystieke lichaam van Jezus Christus en van de vrijwillige verstervingen, die zij tot dit doel op zich nemen, en tevens van de medewerking der herders en der gelovigen, vooral ook van de vaders en moeders in hun gezin! Zij allen toch moeten de goddelijke Zaligmaker in een ware zin behulpzaam zijn.

Aan de zo juist aangehaalde redenen, waaruit bleek, dat Christus de Heer het Hoofd moet worden genoemd van Zijn maatschappelijk lichaam, zijn nog drie andere toe te voegen, die wederom onderling allernauwst samenhangen.

d. Op grond van hun gelijkvormigheid

Als uitgangspunt nemen wij die gelijkvormigheid,die wij waarnemen tussen hoofd en lichaam: zij zijn immers van eenzelfde natuur. Waarbij moet worden opgemerkt, dat, hoewel onze natuur lager staat dan die van de engelen, zij toch door Gods goedheid de natuur van de engelen te boven gaat: "Christus immers", zoals de Aquiner zegt, "is het Hoofd van de engelen, want Christus is Heer van de engelen, ook volgens Zijn mensheid... Eveneens omdat Hij ook als mens de engelen verlicht en invloed op hen uitoefent. Wat echter de gelijkvormigheid van natuur betreft, is Christus niet het Hoofd van de engelen, daar Hij niet hun natuur heeft aangenomen, maar - volgens de Apostel - het zaad van Abraham." H. Thomas van Aquino, Comm. in Ep. ad Eph.. cap. 1, lect. 8 Vgl. Hebr. 2, 16.17 En Christus heeft niet alleen onze natuur aangenomen, maar is ook onze bloedverwant geworden in een broos, lijdelijk en sterfelijk lichaam. Maar indien het Woord "zichzelf ontledigd heeft, de gedaante van een slaaf aannemend" (Fil. 2, 7), dan heeft Het dit ook hierom gedaan, om Zijn broeders naar het vlees deelgenoten te maken van Zijn goddelijke natuur Vgl. 2 Pt. 1, 4 , zowel in deze aardse ballingschap door de heiligmakende genade, als in het hemels vaderland door het bereiken van de eeuwige zaligheid. Daarom immers wilde de Eengeborene van de eeuwige Vader zoon des mensen zijn, opdat wij gelijkvormig zouden worden aan het beeld van de Zoon van God Vgl. Rom. 8, 29 , en vernieuwd zouden worden volgens het beeld van Hem, die ons geschapen heeft. Vgl. Kol. 3, 10 Allen dus, die er zich op beroemen christen te zijn, moeten niet alleen in onze goddelijke Zaligmaker het verheven en volmaaktste voorbeeld van alle deugden zien, maar Zijn leer en leven door het zorgvuldig vluchten van de zonde en de ijverige beoefening van de heiligheid zó in hun gedrag uitdrukken, dat zij, als de Heer zal verschijnen, Hem gelijk worden in glorie, doordat zij Hem zien zoals Hij is. Vgl. 1 Joh. 3, 2

Zoals nu Christus verlangt, dat de afzonderlijke ledematen op Hem gaan gelijken, zo wenst Hij dit ook van het gehele lichaam der Kerk. Dit geschiedt, als zij op het voorbeeld van haar Stichter leert, bestuurt en het goddelijk offer opdraagt. Daarenboven beeldt zij door de onderhouding van de evangelische raden de armoede, gehoorzaamheid en maagdelijkheid van de Verlosser in zich uit. Door de veelvuldige en veelsoortige instellingen, waarmede zij als met bruidsjuwelen is versierd, geeft zij als het ware Christus weer, zoals Hij op de berg in beschouwing bad, ofwel predikte tot het volk, ofwel de zieken en ongelukkigen genas en de zondaren tot een beter leven bekeerde, ofwel zoals Hij allen weldeed. Het is dus ook volstrekt niet te verwonderen, dat zij, zolang zij hier op aarde verblijft, in navolging van Christus vervolgingen en kwellingen en pijnen lijdt.

e. Op grond van Zijn volheid

Vervolgens moet Christus ook hierom als het Hoofd van de Kerk worden beschouwd, omdat Hij met de volheid en de volmaaktheid der hemelse goederen is uitgerust, en Zijn mystiek lichaam uit deze volheid put. Zoals immers - hetgeen meerdere Vaders opmerkten - het hoofd van ons sterfelijk lichaam drager is van alle zintuigen, terwijl de overige delen van ons stoffelijk wezen slechts van de tastzin zijn voorzien, zo ook schitteren alle deugden, die men in de christengemeenschap kan vinden, alle gaven en charismata op de volmaaktste wijze in haar Hoofd Christus. "In Hem heeft de ganse volheid van God willen wonen." (Kol. 1, 19) Hij is immers gezalfd met die hemelse gaven, die de hypostatische vereniging met zich meebrengt; in Hem toch woont de Heilige Geest met een genadevolheid, die niet groter gedacht kan worden. Hem is gegeven "de macht over alle vlees" Vgl. Joh. 17, 2 ; overvloedig zijn in Hem aanwezig "alle schatten van wijsheid en wetenschap." (Kol. 2, 3) Ook de kennis, die men de Godsaanschouwing noemt, bezit Hij in zo hoge mate, dat zij zowel in omvang als in helderheid dat soort zalige kennis van alle heilige hemelingen volstrekt overtreft. En ten slotte, Hij is zo vol van genade en waarheid, dat wij allen uit Zijn onuitputtelijke volheid ontvangen. Vgl. Joh. 1, 14-16

f. Op grond van Zijn inwerking

Deze woorden van de leerling, die Jezus met een heel bijzondere liefde beminde, brengen ons tot de laatste reden, die wij wilden aangeven, waaruit op heel eigen wijze blijkt, dat Christus de Heer het Hoofd van Zijn mystiek lichaam moet worden genoemd. Zoals er namelijk vanuit het hoofd naar alle ledematen van ons lichaam zenuwen uitgaan, die hun de kracht om te voelen en zich te bewegen overbrengen, zo doet ook onze Zaligmaker Zijn sterkte en kracht in de Kerk overgaan, en stelt de christengelovigen in staat het goddelijke helderder te kennen en vuriger na te streven. Uit Hem ontvangt het lichaam van de Kerk alle licht, waardoor de gelovigen op goddelijke wijze worden verlicht, en iedere genade, waardoor zij heilig worden, zoals Hij zelf heilig is.

Christus verlicht Zijn gehele Kerk; dit blijkt werkelijk uit bijna ontelbare plaatsen van de H. Schrift en van de heilige Vaders. "Niemand heeft God ooit gezien: de eengeboren Zoon, die in de schoot van de Vader is, Hij zelf heeft Hem verkondigd." Vgl. Joh. 1, 18 De Leraar, van God gekomen Vgl. Joh. 3, 2 om getuigenis te geven voor de waarheid Vgl. Joh. 18, 37 , heeft de jonge apostolische Kerk zo met Zijn licht overstraald, dat het hoofd der apostelen uitriep: "Heer, tot wie zullen wij gaan? Gij hebt woorden van eeuwig leven." (Joh. 6, 68) De evangelisten stond Christus zo uit de hemel bij, dat zij als Zijn ledematen, neerschreven wat hun door ingeving van het Hoofd werd meegedeeld. Vgl. H. Augustinus, De consensu Euangelistarum libri quattuor (1 jan 400). 1, 35.54 ; Migne PL 34, 1070 En ook heden is Hij voor ons, die in deze aardse ballingschap verblijven, de bewerker van het geloof, zoals Hij er de voltooier van zal zijn in het vaderland. Vgl. Heb. 12, 2 Hij is het, die de gelovigen het licht van het geloof instort; Hij is het, die op hemelse wijze de herders en leraars, op de eerste plaats Zijn stedehouder op aarde, met hemelse gaven van wetenschap, verstand en wijsheid verrijkt, opdat zij de schat van het geloof getrouw bewaren, krachtig verdedigen, godvruchtig en ijverig verklaren en bevestigen; Hij is het eindelijk die, ofschoon onzichtbaar, de concilies der Kerk voorzit en voorlicht. Vgl. H. Cyrillus van Alexandrië, Epistulae. 55 de Symb.; Migne PG 77, 293

Christus is de oorsprong en de bewerker van de heiligheid. Er kan immers geen enkele tot heil strekkende daad worden gesteld, die niet uit Hem, als uit haar hemelse bron, haar oorsprong heeft. "Zonder Mij", zo zeide Hij, "kunt gij niets doen." Vgl. Joh. 15, 5 Als wij, door droefheid en berouw over onze zondeschuld bewogen, ons uit kinderlijke vrees en hoop tot God bekeren, is het steeds Zijn kracht, die ons daartoe brengt. Genade en glorie ontspringen aan Zijn onuitputtelijke volheid. Vooral de voornamere leden van Zijn mystiek lichaam overstelpt onze Zaligmaker onophoudelijk met gaven van raad, sterkte, vrees en godsvrucht, opdat het gehele lichaam van dag tot dag steeds groeie in heiligheid en ongereptheid. En wanneer de sacramenten van de Kerk met uitwendig ritueel worden toegediend, verwekt Hij zelf hun vrucht in de zielen. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. III q. 64, a. 3 Ook is Hij het, die de verlosten met Zijn eigen Lichaam en Bloed voedt, om daardoor de opgezweepte en woelige hartstochten van de ziel te bedaren; Hij is het, die daardoor de genaden vermeerdert en de toekomstige heerlijkheid van de zielen en de lichamen voorbereidt. En de uitdeling van al die schatten der goddelijke goedheid aan de leden van Zijn mystiek lichaam moet niet alleen daarom aan Hem toegeschreven worden, dat Hij ze als eucharistisch offer op aarde en als verheerlijkt slachtoffer in de hemel van Zijn eeuwige Vader afsmeekt door het tonen van Zijn wonden en het aanbieden van Zijn gebeden; maar ook daarom, dat Hij voor de afzonderlijke mensen de afzonderlijke genaden "volgens de maat, die Christus heeft toegemeten" (Ef. 4, 7), uitkiest, bepaalt, uitdeelt. Waaruit volgt, dat uit de goddelijke Verlosser, als uit de voornaamste bron, "het ganse lichaam, samengevoegd en samengehouden door de steun van ieder gewricht en door de eigen werking van ieder lichaamsdeel, zijn eigen groei voltooit in liefde." (Ef. 4, 16) Vgl. Kol. 2, 19

Document

Naam: MYSTICI CORPORIS CHRISTI
Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus
Soort: Paus Pius XII - Encycliek
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 29 juni 1943
Copyrights: © 1961, Ecclesia Docens 0164, uitg Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam