• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
a. Een, onverdeeld, zichtbaar

Dat de Kerk een lichaam is, verkondigen de uitspraken van de H. Schrift dikwijls. "Christus" zegt de apostel, "is het Hoofd van het Lichaam, de Kerk." (Kol. 1, 18) Indien de Kerk een lichaam is, dan moet zij ook iets zijn, dat één en onverdeeld is, volgens het woord van Paulus: "Wij vormen in Christus met velen één lichaam." (Rom. 12, 5) En niet slechts moet zij iets zijn, dat één is en onverdeeld, maar tevens iets concreets en zichtbaars, zoals onze voorganger Leo XIII z.g. in zijn encycliek Paus Leo XIII - Encycliek
Satis Cognitum
Over de eenheid van de Kerk (29 juni 1886)
bevestigt: "Omdat de Kerk een lichaam is, daarom is zij met de ogen waarneembaar." Paus Leo XIII, Encycliek, Over de eenheid van de Kerk, Satis Cognitum (29 juni 1886), 12 Daarom dwalen diegenen van de goddelijke waarheid af, die zich de Kerk zo voorstellen, dat zij met de zintuigen niet waarneembaar of zichtbaar is, maar slechts iets "pneumatisch",waardoor de verschillende christelijke kerkgenootschappen, ofschoon in het geloof van elkander gescheiden, toch onderling verbonden worden, al ontbreekt ook een zichtbare band.

Een lichaam echter vereist ook een veelheid van ledematen, die onderling zo verbonden zijn, dat zij elkander helpen. En zoals in ons sterfelijk wezen alle overige ledematen, wanneer één lidmaat lijdt, delen in de pijn en de gezonde ledematen bijstand verlenen aan de zieke: zo leven ook in de Kerk de afzonderlijke ledematen niet uitsluitend elk voor zich, maarzij helpen ook de andere, en allen bewijzen elkander hulpbetoon, zowel tot onderlinge vertroosting als tot steeds verdere opbouw van het gehele lichaam.

b. Organisch, hiƫrarchisch verbonden

Daarenboven, gelijk in de natuur niet uit ieder willekeurig bijeenplaatsen van ledematen een lichaam ontstaat, maar daartoe een samenstel vereist wordt van organen, dat wil zeggen ledematen, die niet alle hetzelfde werk verrichten en die op geschikte wijze zijn geordend: zo ook moet men de Kerk voornamelijk daarom een lichaam noemen, omdat haar eenheid ontstaat uit de juiste en doelmatige verhouding en samenvoeging van de delen, en omdat zij voorzien is van ledematen, die, hoewel verschillend, toch bij elkander passen. Ook de apostel beschrijft de Kerk niet anders, wanneer hij zegt: "Zoals... wij in één lichaam vele ledematen hebben, en toch al die ledematen niet hetzelfde werk verrichten, zo zijn wij, ofschoon velen, in Christus één lichaam, maar ieder afzonderlijk zijn wij ledematen ten opzichte van elkander." (Rom. 12, 4)

Men moet echter volstrekt niet menen, dat deze geordende of zogenaamde "organische" bouw van het lichaam der Kerk alleen bestaat uit de graden der hiërarchie en zich tot haar beperkt; of dat zij, zoals de tegenovergestelde mening houdt, uitsluitend bestaat uit charismatisch begaafden, hoewel deze, met wonderbare gaven uitgeruste leden, nooit in de Kerk zullen ontbreken. Zeker, men moet er onvoorwaardelijk aan vasthouden, dat degenen, die in zulk een lichaam een gewijde macht bezitten, tot de aanzienlijkste en voornaamste ledematen behoren, omdat in hen, krachtens de opdracht zelf van de goddelijke Verlosser, de ambten van Christus-leraar, -koning en -priester bestendigd worden. Maar wanneer de kerkvaders breedvoerig de bedieningen, graden, beroepen, standen, rangen en ambten van dit lichaam verheerlijken, dan hebben zij zeer terecht niet slechts hen op het oog, die de heilige wijdingen ontvangen hebben; maar ook hen, die, de evangelische raden volgen en ofwel onder de mensen een werkzaam, ofwel in stilte een verborgen leven leiden, of die beide volgens de eigen aard van hun instituut trachten te verwezenlijken; en ook hen, die hoewel in de wereld levend, zich toch ijverig wijden aan de werken van geestelijke en lichamelijke barmhartigheid; en ten slotte ook hen, die door een rein huwelijk zijn verbonden. Ja, zelfs moet er de aandacht op gevestigd worden, dat juist in de huidige omstandigheden de huisvaders en de huismoeders, alsook depeters en de meters en met name diegenen onder de leken, die de kerkelijke hiërarchie behulpzaam zijn bij de uitbreiding van het rijk van de goddelijke Verlosser, een eervolle, zij het ook dikwijls nederige plaats innemen in de christelijke gemeenschap; en dat ook zij, onder de stuwing van Gods genade, kunnen opklimmen tot de hoogste heiligheid, die volgens de beloften van Jezus Christus nooit in de Kerk zal ontbreken.

c. Toegerust met "levengevende organen" of sacramenten

Zoals echter het menselijk lichaam met eigen werktuigen voorzien is om te zorgen voor het leven, de gezondheid en de groei van zichzelf en van de afzonderlijke ledematen: zo heeft ook de Zaligmaker van het menselijk geslacht in Zijn oneindige goedheid op wonderbare wijze zorg gedragen voor Zijn mystiek lichaam, en het met de sacramenten verrijkt, waardoor de ledematen als langs even zovele ononderbroken treden van genade vanaf de wieg tot aan de laatste ademtocht ondersteund zouden worden en waardoor tevens rijkelijk zou worden voorzien in de sociale behoeften van het gehele lichaam.

Zij immers, die voor dit sterfelijk leven worden geboren, worden niet slechts door middel van het bad van het doopsel uit de dood der zonde herboren en tot ledematen der Kerk gemaakt, maar hun wordt ook een geestelijk merkteken ingedrukt, waardoor zij in staat worden gesteld en de geschiktheid krijgen om de overige sacramenten te ontvangen. Door de zalving van het vormsel wordt de gelovige nieuwe kracht ingestort om de Moederkerk en het van haar ontvangen geloof moedig te beschermen en te verdedigen. Het sacrament van de biecht verschaft aan de ledematen van de Kerk, die in zonde gevallen zijn, een heilzaam geneesmiddel, dat niet alleen hun eigen zieleheil ten goede komt, maar waardoor ook van de andere ledematen van het mystieke lichaam het gevaar voor besmetting wordt verwijderd en hun bovendien de aansporing van het goede voorbeeld wordt gegeven. Meer nog: door de H. Eucharistie worden de gelovigen door één en dezelfde spijze gevoed en gesterkt en onderling en met het goddelijk Hoofd van het gehele lichaam verbonden door een onuitsprekelijke en goddelijke band. En wanneer ten slotte iemand dodelijk ziek is, dan staat aan het ziekbed de Moederkerk; want al verleent zij door het heilig oliesel niet altijd de gezondheid van dit sterfelijk lichaam, daar God anders beschikt, zo schenkt zij toch een bovennatuurlijk geneesmiddel aan de gewonde zielen om zo nieuwe burgers, die haar tot nieuwe beschermers zullen zijn, ten hemel te zenden, waar zij in alle eeuwigheid de goddelijke goedheid zullen genieten.

Verder voorzag Christus in de sociale behoeften van de Kerk nog op bijzondere wijze door de instelling van twee sacramenten. Want het huwelijk, waardoor de echtgenoten voor elkander bedienaren van genade zijn, voorziet in de uitwendige en regelmatige groei van de christelijke gemeenschap; en, wat van groter belang is, het voorziet ook in een goede en godsdienstige opvoeding van de kinderen, zonder welke dit mystieke lichaam zeer ernstig in gevaar zou komen. Door het heilig priesterschap vervolgens worden tot Gods eigendom gewijd degenen, die bestemd zijn om het eucharistisch offer op te dragen, de gelovigen te voeden met het Brood der engelen en het voedsel van de leer, hen te leiden door goddelijke voorschriften en raadgevingen en ten slotte hen door de overige bovennatuurlijke gaven te versterken.

Daarbij valt op te merken, dat, zoals God in het begin van de tijd de mens met het lichaam als met een prachtig werktuig toerustte, opdat hij daarmede al het geschapene aan zich zou onderwerpen, zich zou vermenigvuldigen en de aarde vervullen, Hij eveneens in het begin van het christelijk tijdperk de Kerk met de nodige hulpmiddelen heeft voorzien, opdat zij de bijna ontelbare gevaren te boven zou komen en niet alleen de gehele wereld, maar ook het hemelrijk zou bevolken.

d. Bestaande uit bepaalde leden

Men moet echter alleen hen werkelijk tot de ledematen der Kerk rekenen, die het bad van de wedergeboorte hebben ontvangen en het ware geloof belijden, en niet zichzelf ongelukkig van het lichaam hebben losgescheurd of om zware misdrijven door het wettig gezag uitgesloten zijn. De Apostel zegt: "Allen toch, Joden of heidenen, slaven of vrijen, allen zijn wij in één Geest tot één lichaam gedoopt." (1 Kor. 12, 13) Zoals er dus in de ware gemeenschap der christengelovigen slechts één lichaam is, één Geest, één Heer en één doopsel, zo kan er ook maar één geloof zijn. Vgl. Ef. 4, 5 Ja, ook hij, die weigert naar de Kerk te luisteren, moet volgens het bevel van de Heer beschouwd worden als een heiden en tollenaar. Vgl. Mt. 18, 17 En daarom kunnen zij, die onderling verdeeld zijn, doordat zij niet hetzelfde geloof of hetzelfde gezag erkennen, niet in dit éne mystieke lichaam noch uit zijn éne goddelijke Geest leven.

e. De zondaren niet uitgesloten

Ook moet men, om het feit dat het lichaam der Kerk Christus' naam voert, niet menen, dat het, ook gedurende de tijd van zijn aardse pelgrimstocht, slechts bestaat uit ledematen, die in heiligheid uitmunten, of dat het uitsluitend gevormd wordt door de groep, die door God tot de eeuwige zaligheid is voorbestemd. Want het is aan de oneindige barmhartigheid van onze Zaligmaker te danken, dat Hij hier in Zijn mystieke lichaam ook hun een plaats niet ontzegt, die Hij eens aan het gastmaal geen plaats weigerde. Vgl. Mt. 9, 11 Vgl. Mc. 2, 16 Vgl. Lc. 15, 2 Immers, niet ieder misdrijf, ook al is het een zware zonde, is van die aar Vgl. Mt. 9, 11 dat het - zoals scheurmakerij of ketterij of afval - uiteraard de mens van het lichaam der Kerk uitsluit. Ook is nog niet alle leven geweken uit degenen, die, ofschoon ze door te zondigen de liefde en de goddelijke genade verloren en dus niet meer in staat zijn tot bovennatuurlijke verdiensten, toch het geloof en de christelijke hoop behouden en onder de verlichting van het hemels licht in het diepst van hun ziel door de aandrang van de Heilige Geest tot heilzame vrees worden geprikkeld en door God worden aangezet tot gebed en tot berouw over hun val.

Dat allen dus een afschrik hebben voor de zonde,waardoor de mystieke ledematen van de Verlosser besmet worden; wie echter jammer genoeg misdeed maar zich de gemeenschap der christengelovigen niet door hardnekkigheid onwaardig maakte, worde met grote liefde opgenomen, en men zie in hem met dadenrijke liefde een ziek lidmaat van Jezus Christus. Want zoals de bisschop van Hippo opmerkt, het is beter"genezen te worden binnen het verband der Kerk,dan van haar lichaam afgesneden te worden als ongeneeslijke ledematen." St. Augustinus, Epist. , 157, 3, 22; Migne PL 33, 686 "Want men behoeft niet te wanhopen aan de genezing van wat nog met het lichaam verbonden is; maar wat afgesneden is, kan niet verzorgd noch geheeld worden." St. Augustinus, Sermones 137, 1; Migne PL 38, 754

Document

Naam: MYSTICI CORPORIS CHRISTI
Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus
Soort: Paus Pius XII - Encycliek
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 29 juni 1943
Copyrights: © 1961, Ecclesia Docens 0164, uitg Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam