• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"MIJN GOD, MIJN GOD, WAAROM HEBT GIJ MIJ VERLATEN" - OVER PSALM 22
Vaticaan, Aula Paulus VI

Dierbare broeders en zusters,

In de catechese van vandaag zou ik een Psalm willen behandelen met sterk christologische implicaties, die voortdurend terugkeert in de lijdensverhalen van Christus, met zijn dubbele dimensie van vernedering en verheerlijking, van dood en leven. Het gaat om Psalm 22 volgens de Joodse traditie, of 21 volgens de Grieks-Latijnse traditie, een ontroerend smeekgebed, met een menselijke dichtheid en theologische rijkdom die hem tot één van de meest geliefde en bestudeerde Psalmen maakt uit heel het Psalterium. Het is een lange dichterlijke compositie en we zullen in het bijzonder stilstaan bij het eerste deel ervan, geconcentreerd op de klaagzang, waarbij we ons verdiepen in enkele betekenisvolle dimensies van het smeekgebed tot God.

Deze Psalm presenteert de figuur van een onschuldige die gekweld wordt en omgeven is door vijanden die zijn dood willen; hij neemt zijn toevlucht tot God in een pijnlijke klaagzang, die in de zekerheid van het geloof mysterieus tot een loflied open bloeit. In zijn gebed wisselt de angstaanjagende realiteit van het heden af met de opbeurende herinnering aan het verleden, in het pijnlijke besef van zijn hopeloze toestand waarbij hij de hoop echter niet wil opgeven. Zijn eerste kreet is een roep tot een God die ver lijkt, die niet antwoordt en hem blijkbaar verlaten heeft:

“Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten,
ver van mijn roepen om uitkomst,
ver van mijn schreien om hulp.
Bij dag roep ik, mijn God – Gij blijft zwijgen,
bij nacht – en ik word niet gestild” (Ps. 22, 2-3).

God zwijgt en deze stilte verscheurt de ziel van de bidder, die zonder ophouden roept, doch zonder antwoord te vinden. De dagen en nachten volgen elkaar op, in het onvermoeibaar zoeken naar een woord, naar hulp die niet komt; God lijkt zo veraf, zo onoplettend, zo afwezig. Het gebed vraagt om gehoor en een antwoord, het vraagt met aandrang om contact, zoekt een relatie die bemoediging en heil kan brengen. Maar als God niet antwoordt, gaat de roep om hulp in de leegte verloren en wordt de eenzaamheid ondraaglijk. Toch roept de bidder van onze Psalm, in zijn kreet, de Heer drie keer aan als “mijn” God, in een uiterste akte van vertrouwen en geloof. Ondanks alle schijn, kan de Psalmist niet geloven dat de band met de Heer volledig zou verbroken zijn; en terwijl hij naar de reden vraagt van zijn onbegrijpelijke, veronderstelde verlatenheid, beweert hij dat “zijn” God hem niet kan verlaten.

Zoals men weet, wordt de roep bij het begin van de Psalm, “Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten?” door de Evangelies van Matteüs en Marcus weergegeven als de kreet die Jezus slaakt terwijl Hij sterft op het kruis Vgl. Mt. 27, 46 Vgl. Mc. 15, 34 . Deze drukt heel de verlatenheid uit van de Messias, de Zoon van God, die het drama van de dood ervaart, een realiteit die helemaal tegengesteld is aan de Heer van het leven. Door bijna al de Zijnen verlaten, door Zijn leerlingen verraden en verloochend, omringd door degenen die Hem uitschelden, bevindt Jezus zich onder het verpletterende gewicht van een zending die doorheen vernedering en volkomen uitputting moet gaan. Daarom roept Hij tot de Vader en Zijn lijden wordt uitgedrukt door de smartvolle woorden van de Psalm. Doch is Zijn kreet geen wanhopige kreet, evenmin als voor de Psalmist, die in zijn smeekbede een weg van kwelling gaat, maar die op het einde toch uitloopt op een perspectief van lof, vertrouwend op de Goddelijke overwinning. Aangezien volgens joods gebruik, het citeren van het begin van een Psalm, een verwijzing naar heel het gedicht impliceerde, opent Jezus’ verscheurende gebed zich voor de zekerheid van de heerlijkheid, terwijl het toch het gewicht behoudt van onuitsprekelijk leed. “Moest de Messias dat alles niet lijden om in zijn glorie binnen te gaan?”, zal de Verrezene tot de leerlingen van Emmaüs zeggen (Lc. 24, 26). In Zijn lijden, uit gehoorzaamheid aan de Vader, gaat de Heer Jezus doorheen verlatenheid en dood om uit te komen bij het leven en zal Hij het aan alle gelovigen geven.

Op deze kreet aan het begin van het smeekgebed in onze Psalm 22, volgt als een smartvol contrast, de herinnering aan het verleden:

“Op U hebben onze vaderen vertrouwd;
zij vertrouwden en Gij bracht hun uitkomst.
Tot U riepen zij en er kwam redding:
niet beschaamd werden die op U bouwden” (Ps. 22, 5-6).

Deze God die vandaag zo ver lijkt van de Psalmist, is nochtans de barmhartige Heer die Israël in zijn geschiedenis altijd gekend heeft. Het volk waartoe de bidder behoort, is het voorwerp van Gods liefde geweest en kan van Zijn trouw getuigen. Te beginnen bij de aartsvaders, daarna in Egypte en tijdens de lange pelgrimstocht in de woestijn, gedurende het verblijf in het beloofde land en in contact met agressieve en vijandige volken, tot in de duisterheid van de ballingschap; heel de Bijbelgeschiedenis is een geschiedenis van roepen om hulp vanwege het volk en van heilzame antwoorden vanwege God. En de Psalmist verwijst naar het onverwoestbaar geloof van zijn vaders die “vertrouwen” hadden – dit woord wordt drie maal herhaald Red.: in de Nederlandse vertaling, twee maal – zonder ooit ontgoocheld te worden. Nu echter, lijkt het dat deze ketting van vertrouwende aanroepingen en Goddelijke antwoorden onderbroken is; de situatie van de Psalmist lijkt heel de heilsgeschiedenis te ontkennen, wat de huidige realiteit nog pijnlijker maakt.

Maar God kan zichzelf niet tegenspreken, en zie, het gebed beschrijft opnieuw de moeilijke situatie van de bidder, om de Heer tot medelijden te bewegen en te doen optreden zoals Hij in het verleden steeds heeft gedaan. De Psalmist noemt zichzelf:

“een worm en geen mens,
spot der schare, veracht door het volk” (Ps. 22, 7),

hij wordt bespot, gehoond (Ps. 22, 8) en in zijn geloof gekwetst:

“hij wentelt zijn last op de Heer!
die zal hem wel komen verlossen,
die bevrijdt hem: hij staat in zijn gunst!” (Ps. 22, 9),

zeggen zij. Onder de spottende slagen van ironie en misprijzen, lijkt het bijna dat de vervolgde zijn menselijke trekken verliest, zoals de lijdende dienaar uit het Boek Jesaja Vgl. Jes. 52, 14 Vgl. Jes. 53, 2b-3 . Zoals de verdrukte rechtvaardige uit het Boek Wijsheid Vgl. Wijsh. 2, 12-20 en zoals Jezus op Calvarië Vgl. Mt. 27, 39-43 , ziet de Psalmist zijn verhouding met zijn Heer in vraag gesteld door het wreedaardige en sarcastische aanhouden van hetgeen hem doet lijden: de stilte van God, Zijn schijnbare afwezigheid. Toch was God in het leven van de bidder aanwezig door een onweerlegbare aanwezigheid en tederheid. De Psalmist brengt het de Heer in herinnering:

“Gij deed mij de moederschoot uitgaan,
aan haar borst hebt Gij mij gevlijd;
u viel ik toe, nauwelijks geboren” (Ps. 22, 10-11, a).

De Heer is de God van het leven, die laat geboren worden en de pasgeborene onthaalt en er als een vader zorg voor draagt. En als hij voordien herinnerd heeft aan Gods trouw in de geschiedenis van het volk, dan haalt de bidder nu de eigen persoonlijke geschiedenis voor de geest van zijn verhouding met God, teruggaand naar het bijzonder betekenisvol moment waarop zijn leven begon. Daarin erkent de Psalmist, ondanks de verlatenheid van het heden, zo een radicale Goddelijke nabijheid en liefde dat hij voortaan in een belijdenis, vol geloof en oorzaak van hoop, kan uitroepen:

“van mijn oorsprong af zijt Gij mijn God” (Ps. 22, 11, b).

De klacht wordt nu een vurige smeekbede:

“O, blijf dan niet verre van mij:
nu is mij wat dreigde genaderd;
en er is geen mens die mij helpt” (Ps. 22, 12).

De enige nabijheid die de Psalmist bemerkt en die hij vreest, is die van de vijand. Het is dus noodzakelijk dat God Zijn nabijheid laat voelen en hem te hulp komt, want de vijanden omgeven de bidder, zij staan in een kring rond hem, ze zijn als sterke stieren, als leeuwen die hun klauwen uitslaan om te brullen en te verscheuren (Ps. 22, 13-14). De angst wijzigt de waarneming van het gevaar, zij maakt het groter. De tegenstanders lijken onoverwinnelijk, het zijn wilde en heel gevaarlijke dieren geworden, terwijl de Psalmist als een kleine worm is, machteloos, zonder enige verdediging. Maar deze beelden uit de Psalm willen ook zeggen dat wanneer de mens brutaal wordt en zijn broeder aanvalt, iets dierlijks zich van hem meester maakt, hij iedere menselijkheid lijkt te verliezen; geweld heeft in zich altijd iets dierlijks, alleen het reddende optreden van God kan de mens zijn menselijkheid teruggeven. Momenteel lijkt er voor de Psalmist, die het voorwerp is van zo een wrede agressiviteit, geen uitweg meer, de dood begint zich reeds van hem meester te maken:

“als water dat wegloopt verga ik,
(...) een stuk potscherf – zo droog is mijn keel,
en mijn tong voelt gekleefd in mijn mond
(...) zij verdelen samen mijn kleren:
er wordt om mijn mantel geloot” (Ps. 22, 15.16.19).

Met dramatische beelden, die we terugvinden in de lijdensverhalen van Christus, wordt de aftakeling beschreven van het lichaam van de veroordeelde, de ondraaglijke dorst die de stervende kwelt en weerklank vindt in Jezus’ vraag “Ik heb dorst” (Joh. 19, 28), om uiteindelijk bij de beulen te komen die, zoals de soldaten onder het kruis, onder elkaar de kleren verdelen van het slachtoffer, dat reeds beschouwd wordt als dood Vgl. Mt. 27, 35 Vgl. Mc. 15, 24 Vgl. Lc. 23, 34 Vgl. Joh. 19, 23-24 .

Vandaar opnieuw en met aandrang de roep om hulp:

“Gij, o Heer, houd U dan niet ver,
Gij mijn kracht, kom mij ijlings te hulp;
(...) bewaar mij” (Ps. 22, 20.22, a).

Het is een kreet die de hemel een stukje laat opengaan, omdat hij een geloof, een zekerheid belijdt die verder gaat dan elke twijfel, dan alle duisterheid en verlatenheid. En de klacht verandert, maakt plaats voor lof omdat ze ontvankelijk is voor de redding:

“Dat mijn broeders uw naam ik mag melden,
uw lof zingen temidden der schare” (Ps. 22, 23).

Zo opent de Psalm zich voor de werking van de genade, voor de grote finale hymne waarin heel het volk betrokken wordt, de getrouwen van de Heer, de liturgische samenkomst, de toekomstige generaties Vgl. Ps. 22, 24-33 . De Heer is hem te hulp gekomen, Hij heeft de arme gered en heeft hem Zijn barmhartig gelaat getoond. Dood en leven hebben elkaar gekruist in een onafscheidelijk mysterie en het leven heeft overwonnen, de God van het heil heeft zich als de onbetwiste Heer getoond, die alle grenzen der aarde zullen roemen en voor wie alle volken zullen knielen. Het is de overwinning van het geloof, dat de dood kan veranderen tot een gave van leven, de afgrond van smart tot een bron van hoop.

Zeer dierbare broeders en zusters, deze Psalm heeft ons tot op Golgotha gebracht, aan de voeten van Jezus’ kruis, om Zijn lijden opnieuw te beleven en de vruchtbare vreugde van de verrijzenis te delen. Laten wij ons dan in de schijnbare afwezigheid van God, zelfs in de stilte van God, door het licht van het Paasmysterie overweldigen en laat ons zoals de leerlingen van Emmaüs leren de echte werkelijkheid te onderscheiden van de schijn, door de weg van de verheffing precies te herkennen in de vernedering, en de volle manifestatie van het leven in de dood, in het kruis. Door al ons vertrouwen en hoop op God de Vader te stellen, kunnen wij bij elke angst met geloof tot Hem bidden en onze roep om hulp zal in een loflied veranderen.

Document

Naam: "MIJN GOD, MIJN GOD, WAAROM HEBT GIJ MIJ VERLATEN" - OVER PSALM 22
Vaticaan, Aula Paulus VI
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 14 september 2011
Copyrights: © 2011, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 29 november 2017

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam