• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

"STA OP, O HEER, RED MIJ!" - OVER PSALM 3

Dierbare broeders en zusters,

Vandaag gaan wij verder met de audiënties op het Sint-Pietersplein. In de “gebedsschool” die we samen in deze woensdagcatecheses doorlopen, zou ik willen beginnen met het overwegen van bepaalde Psalmen die, zoals ik in de Paus Benedictus XVI - Audiëntie
De Psalmen om door Christus tot God te bidden
7e catechese in de reeks over het christelijk gebed
(22 juni 2011)
, het “gebedenboek” bij uitstek zijn. De eerste Psalm waarbij ik stilsta is een klaag- en smeekpsalm, doordrongen van diep vertrouwen, waarin de zekerheid van Gods aanwezigheid de basis vormt van het gebed dat opwelt in de uiterste nood waarin de bidder zich bevindt. Het gaat om Psalm 3, door de traditie toegeschreven aan David, op het ogenblik waarop hij vlucht voor zijn zoon Absalom Vgl. Ps. 3, 1 : het gaat om één van de meest dramatische en pijnlijke situaties uit het leven van de koning, wanneer zijn zoon onrechtmatig aanspraak maakt op zijn koningstroon en hem dwingt Jeruzalem te verlaten om zijn leven te redden. Het gevaar en de angst die David voelt, maken dus de achtergrond uit van dit gebed en helpen de situatie te begrijpen, die geëigend is voor een dergelijke Psalm. In de kreet van de Psalmist kan elke mens deze gevoelens van pijn, bitterheid en tegelijk van vertrouwen op God herkennen die volgens het Bijbelverhaal gepaard gingen met Davids vlucht uit zijn stad.

De Psalm begint met een aanroeping van de Heer:

“Heer, hoe talrijk zijn mijn belagers,
Hoe talrijk, die tegen mij opstaan;
Hoe velen, die van mij zeggen:
Voor hem geen heil bij zijn God!” (Ps. 3, 2-3).

De beschrijving die de bidder van zijn situatie geeft is dus getekend door sterk dramatische toonaarden. Tot drie keer, wordt de idee herhaald van de velen – “talrijk”; in de oorspronkelijke Hebreeuwse tekst wordt de immensiteit van het gevaar nog meer en herhaaldelijk, bijna verontrustend beklemtoond. Deze nadruk op het aantal en de menigte vijanden, wil tot uitdrukking brengen dat de Psalmist de absolute wanverhouding waarneemt die bestaat tussen hem en zijn vervolgers, een wanverhouding die de noodzaak rechtvaardigt en fundeert van zijn vraag om hulp: de verdrukkers zijn talrijk, zij hebben de bovenhand, terwijl de bidder alleen en zonder verweer is, ten prooi van zijn aanvallers. En toch is het eerste woord van de Psalmist: “Heer”; zijn kreet begint met een aanroeping van God. Een menigte nadert en komt tegen hem in opstand, wat een angst veroorzaakt die de bedreiging nog erger maakt door ze groter en angstaanjagender voor te stellen; maar de bidder laat zich niet overwinnen door deze dodelijke kijk op de zaak, hij houdt sterk vast aan zijn relatie met de God van het leven en richt zich eerst tot Hem om hulp. Doch de vijanden proberen ook deze band met God te breken evenals het geloof van hun slachtoffer. Zij insinueren dat de Heer niet kan optreden en beweren dat zelfs God hem niet kan redden. De aanval is dus niet alleen fysiek, maar raakt de geestelijke dimensie: “voor hem geen redding bij God”, zeggen zij – de diepste kern van de ziel van de Psalmist moet getroffen worden. Het is de extreme bekoring waaraan de gelovige onderworpen wordt, de bekoring om het geloof, het vertrouwen in Gods nabijheid, te verliezen. De rechtvaardige komt de laatste beproeving te boven, hij blijft sterk in het geloof, in de zekerheid van de waarheid en in het volle vertrouwen in God, en juist zo vindt hij het leven en de waarheid. Het lijkt mij dat de Psalm ons hier heel persoonlijk raakt: in de vele problemen zijn wij geneigd te denken dat zelfs God mij niet redt, mij niet kent, dat Hij er misschien de mogelijkheid niet toe heeft; de bekoring tegen het geloof is de laatste aanval van de vijand en daar moeten wij weerstand aan bieden, dan zullen wij God en het leven vinden.

De bidder van onze Psalm wordt dus opgeroepen om met het geloof een antwoord te geven op de aanvallen van de boosdoeners: de vijanden – zoals ik zei – ontkennen dat God hem kan helpen; hij daarentegen roept Hem aan, roept Hem bij Zijn Naam, “Heer”, en spreekt Hem vervolgens aan met “Gij”, wat een stabiele, solide verhouding uitdrukt, en wat de zekerheid in zich draagt van het Goddelijke antwoord:

“Toch Gij zijt, Heer, het schild dat mij dekt,
Mijn glorie en trots!
Ik behoef maar tot de Heer te roepen,
Dan verhoort Hij mij van zijn heilige berg.” (Ps. 3, 4-5).

Nu verdwijnen de vijanden, zij hebben niet gewonnen, want degene die in God gelooft, is zeker dat God zijn vriend is: het enige dat rest, is het “Gij” van God; tegenover de "velen" staat nu één enkele Persoon, doch veel groter en machtiger dan vele vijanden. De Heer is hulp, verdediging, redding; als een schild beschermt Hij degene zich aan Hem toevertrouwt en Hij laat hem het hoofd heffen, een gebaar van triomf en overwinning. De mens is niet meer alleen, zijn vijanden zijn niet onoverwinnelijk zoals aanvankelijk leek, want de Heer hoort de kreet van de verdrukte en geeft antwoord vanuit de plaats van Zijn aanwezigheid, Zijn heilige berg. De mens roept bij angst, gevaar, pijn; de mens vraagt hulp en God geeft antwoord. Deze mengeling van de menselijke kreet en het Goddelijk antwoord is de dialectiek van het gebed en de leessleutel van heel de heilsgeschiedenis. De kreet drukt de nood aan hulp uit en doet beroep op de trouw van de Andere; roepen is een gebaar van geloof in de nabijheid en beschikbaarheid van God die luistert. Het gebed drukt de zekerheid uit van een Goddelijke aanwezigheid die reeds ervaren werd en waarin men gelooft en die zich ten volle manifesteert in het heilbrengende antwoord van God. Dit is belangrijk: dat we in ons gebed zeker zijn van Gods aanwezigheid. Zo belijdt de Psalmist die zich belaagd voelt door de dood, zijn geloof in de God van het leven, die hem met onkwetsbare bescherming omhult als een schild; degene die reeds dacht verloren te zijn, kan het hoofd opheffen, want de Heer redt hem; de bidder, bedreigd en bespot, bevindt zich in de glorie want God is zijn glorie.

Het Goddelijk antwoord dat het gebed opneemt, geeft de Psalmist totale zekerheid; de angst is verdwenen en de kreet wordt bedaard tot vrede, tot een diepe innerlijke rust:

“Ik leg mij neer, slaap rustig in,
Ontwaak, want de Heer beschut mij.
Zo vrees ik de duizenden niet,
Die van alle kant mij omringen.” (Ps. 3, 6-7)

De bidder kan rustig inslapen, al bevindt hij zich te midden van het gevaar en de strijd, in een ondubbelzinnige houding van vertrouwende overgave. Zijn vijanden stellen hun kamp op rondom hem, belagen hem, zij zijn talrijk, ze stellen zich tegen hem op, drijven de spot met hem en proberen hem te doen vallen, doch hij daarentegen, ligt neer en slaapt rustig en sereen, zeker van Gods aanwezigheid. Ook bij zijn ontwaken vindt hij God aan zijn zijde, als een waker die niet slaapt Vgl. Ps. 121, 3-4 , die hem ondersteunt, hem bij de hand houdt, hem nooit in de steek laat. De angst voor de dood wordt overwonnen door de aanwezigheid van Degene die niet sterft. Precies de nacht, gevuld met erfelijke angsten, de pijnlijke nacht van eenzaamheid en angstvallig afwachten, wordt nu getransformeerd: wat de dood oproept, wordt aanwezigheid van de Eeuwige.

Tegenover het zichtbare aspect van de vijandige, grootschalige, indrukwekkende aanval stelt zich de onzichtbare aanwezigheid op van God, met heel haar onoverwinnelijke macht. En het is tot Hem dat de Psalmist, na zijn uitingen van vertrouwen, opnieuw zijn gebed richt:

“Sta op, o Heer. Red mij, mijn God!” (Ps. 3, 8, a)

De aanvallers “staan op” tegen hun slachtoffer Vgl. Ps. 3, 2 . Doch Hij die “opstaat” is de Heer en Hij zal ze verslaan. God zal hem redden, als antwoord op zijn kreet. Daarom eindigt de Psalm met de bevrijding van het dodelijke gevaar en van de bekoring die iemand kan doen ten onder gaan. Na de vraag tot de Heer, dat Hij zou verrijzen om hem te redden, beschrijft de bidder de zege van God: de vijanden die met hun onrechtvaardige en wreedaardige verdrukking, het symbool zijn van al wat tegen God en Zijn heilsplan gekant is, zijn overwonnen. Op de mond geslagen, zullen zij niet meer kunnen aanvallen met hun vernietigende gewelddadigheid en niet meer het kwaad insinueren van de twijfel aan Gods aanwezigheid en werking: hun dwaas en godslasterend woord zal definitief weerlegd en tot zwijgen gebracht worden door het heilbrengend optreden van de Heer Vgl. Ps. 3, 8. bc . Zo kan de Psalmist zijn gebed eindigen met liturgische connotaties die de God van het leven, dankbaar en lovend bezingen:

“Bij U, Heer, is redding;
Op uw volk rust uw zegen.” (Ps. 3, 9)

Dierbare broeders en zusters, Psalm 3 biedt ons een smeekbede vol vertrouwen en bemoediging. Bij het bidden van deze Psalm kunnen we ons de gevoelens eigen maken van de Psalmist, die de rechtvaardige voorstelt, die verdrukt wordt en in Jezus zijn vervulling vindt. Bij pijn, gevaar, bitterheid door onbegrip en belediging, openen de woorden van de Psalm ons hart voor de bemoedigende zekerheid van het geloof. God is altijd nabij – zelfs bij moeilijkheden, bij problemen, in de duisternis van het leven – Hij luistert, geeft antwoord en redt op Zijn manier. Doch men dient Zijn aanwezigheid te herkennen en Zijn wegen te aanvaarden, zoals David bij zijn vernederende vlucht voor zijn zoon Absalom, zoals de verdrukte rechtvaardige in het Boek Wijsheid en ten langen leste zoals de Heer Jezus op Golgotha. En wanneer God in de ogen van de boosdoeners niet lijkt op te treden en de Zoon sterft, is het juist dan, dat de ware glorie en definitieve verwezenlijking van het heil zich manifesteert voor wie gelooft. Moge de Heer ons geloof geven, moge Hij onze zwakheid te hulp komen en ons in staat maken te geloven en te bidden bij elke angst, in de pijnlijke nachten van twijfel en de lange dagen van leed, door ons met vertrouwen aan Hem over te leveren, Hij die ons schild is en onze glorie.

Zie ook:

Samenvatting

Document

Naam: "STA OP, O HEER, RED MIJ!" - OVER PSALM 3
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 7 september 2011
Copyrights: © 2011, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam