• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

CON PARTICOLARE COMPIACIMENTO
Over wijsbegeerte en existentialisme - Tot de deelnemers aan het Internationaal Congres voor Wijsbegeerte

Op 21 November 1946 heeft Z. H. Paus Pius XII talrijke deelnemers aan het Internationaal Congres voor Wijsbegeerte, dat in de voorafgaande dagen te Rome was gehouden, in particuliere audiëntie ontvangen. Bij die gelegenheid heeft de H. Vader gesproken over de taak der wijsbegeerte en over haar waarde voor het menselijk leven. Wij laten deze rede hier in onverkorte vorm volgen.

Het doet Ons bijzonder genoegen, geëerde hoogleraren en uitstekende beoefenaars der edelste en hoogste menselijke wetenschap, u rond Ons geschaard te zien, nadat gij uit naburige en verre landen in de Eeuwige Stad bijeengekomen, u in een Internationaal Congres voor Wijsbegeerte aan de bespreking van enige der grote vraagstukken gewijd hebt, die op het ogenblik de menselijke gedachte bekommeren.
Het komt Ons voor, dat er een bijzondere overeenkomst te erkennen valt tussen uw gestadige arbeid en Onze apostolische zending: overeenkomst die u nader tot Ons brengt en het Ons aangenamer maakt, u te ontvangen en Ons met u te onderhouden.
Terwijl Wij van Christus de zending ontvangen hebben, om de waarheid aan de wereld te verkondigen, de volkeren te brengen tot de kennis, de liefde en de beoefening dier waarheid, en haar vreedzame verbreiding tot de uitersten der aarde over alle landgrenzen heen te bevorderen: hebt gij u zelf uit eigen vrije keuze en door die liefde voor de natuurlijke waarheid, die in uw harten is ontvlamd, toegelegd op de navorsing der eerste beginselen van het ware op het eigen terrein van het natuurlijk verstand; en dat niet ter wille van een geestesoefening die geen vruchten kan afwerpen, maar omdat gij u innig bewust zijt van de dringende noodzakelijkheid, om de hoogste richtsnoeren, die het zichtbaar heelal regelen, de stof beheersen, en een vasten grondslag aan het leven bieden, voor u zelf en voor anderen in een helder daglicht te stellen.

Het feit, dat gij u vergaderd hebt in dit Rome, van waaruit sinds welhaast twee duizend jaren het nieuwe woord zich verbreidt, dat Christus, de goddelijke Heraut, op aarde is komen brengen, en van waaruit als vanuit een lichtend middelpunt de stralen der natuurlijke en bovennatuurlijke, der redelijke en der geopenbaarde waarheid zich verdelen, dat feit heeft een bijzondere betekenis gekregen. Uw tegenwoordigheid in Onze Stad en in dit Apostolisch Paleis toont aan, hoezeer gij overtuigd zijt van de noodzakelijkheid om de menselijke zorgen los te maken van de vluchtige gebeurlijkheden der wereld, en den geest op te heffen boven de materiële bedrijvigheid, die den geest dreigt te verstrikken en hem weerhoudt in zijn vlucht naar hoger sferen, waar alle dingen door het licht der eeuwigheid gekleurd worden, en waar sterk en machtig het streven zich ontplooit naar een meer volledige, een meer harmonische, en een meer synthetische visie op het individuele en sociale leven. Is soms de wetenschap, die gij beoefent, en waaraan gij de beste krachten van uw verstand en de doordringendste scherpzinnigheid van uw vernuft gewijd hebt, is zij niet uitermate geschikt om langzamerhand de geesten en de gewetens tot die verheffing te brengen, en het menselijk streven naar de voortreffelijkheid dezer hoge idealen te richten? Reeds Plato, volgens het getuigenis van Aelius Aristides Orat. 46, ed. Dindorf, Leipzig 1829, vol. II, p. 408, definieerde de wijsgeren als degenen, die door van de stoffelijke dingen te abstraheren, opstijgen tot de beschouwing der ideeën:

“hoi peri tas ideas pragmatenomenoi kai toon somatoon huperoroontes”

Sinds het eerste ochtendgloren der redelijke bespiegeling, sedert de mens begonnen is over het uiterlijke heelal en over de wereld die hij in zijn binnenste draagt na te denken, heeft de wijsgeer zich nooit tevreden gesteld met de beschouwing van het zichtbare omhulsel der onmiddellijk onder het bereik der zinnen liggende dingen, maar heeft hij zich steeds beijverd, die uiterlijke schaal te breken, door te dringen tot in de ziel der dingen, hun wezen te achterhalen, hun natuur en hun innerlijke samenstelling te raden, om zich zoo een denkbeeld der werkelijkheid te vormen, afgetrokken van de toevallige bijzonderheden, en om aan het zinnelijke in zijn gedachte een geestelijk bestaan te schenken. Terwijl de wijsbegeerte op deze wijze de werkelijkheid vergeestelijkt en veredelt, ontdekt zij bovendien al wat er aan meest redelijks in diezelfde werkelijkheid verborgen is. Dat verstandelijke toch houdt zich schuil voor de zinnen en kan door hun waarneming niet bereikt worden, maar het valt binnen het meest eigen object van den geest, die in staat is, het in een brede en ruime visie te omvatten.
En niet alleen ontdoet de geest alle dingen, om zoo te zeggen, van hun stoffelijke tastbaarheid: hij stelt ze ook in het licht van hun universaliteit, Want evenmin als het menselijk verstand zich kan vergenoegen met uiterlijke schijn, of stil kan blijven staan bij de fenomenen, even weinig kan het er in berusten, enkel de afzonderlijke delen van het heelal fragmentarisch te beschouwen, De geest is eerst voldaan, als hij het verband der delen ziet, hun oorzaken en gevolgen ontdekt, er in slaagt de beginselen op te sporen die ze beheersen, ze aaneenschakelen, ze onder of naast elkaar rangschikken in een volledig plan van harmonische eenheid.
Niemand denkt er hierbij aan, de waarde der analyse, waaraan de moderne vooruitgang zoveel verschuldigd is, te miskennen of in twijfel te trekken. Maar is het dan niet waar, dat de tijd waarin wij leven, vóór alles behoefte heeft aan de synthese? Doet het gevaar zich niet reeds gevoelen, dat de hedendaagse wetenschap bij het bevorderen en beschermen der beschaving, — functie die zij uitoefent en die haar toekomt, — in verval zal raken en onder zal gaan in versnippering, in vernauwing, in de volkomen overheersing van specialisering?
Ziet het opgroeiend geslacht, gij meesters der gedachte. Bekommerd heeft het de ogen op u gericht, omdat het van gevoelen is, van u meer te mogen verwachten dan van zoveel anderen. Het verlangt vurig naar grote gedachten, naar een verstandelijke synthese, die een zin en een ordening aan het leven zal kunnen geven. Na de ontzaglijke verschrikkingen, die deze jeugd in de afgelopen jaren heeft moeten doorstaan, gevoelt zij een hevige behoefte aan een duidelijke en sterke levensopvatting, aan een leer die stevig in den geest geworteld is. Zij is zich bewust, dat zij anders onder zal gaan in een enghartig materialisme, of in het nastreven van zuiver mechanische vooruitgang, of anders in verslagenheid en werkeloosheid.
De onrust, de beklemdheid van den mens, kan voor een ogenblik afgeleid worden door het beschouwen en bestuderen van geleerde en vernuftige systemen; maar als zulk een systeem, hoe handig en hoe ogenschijnlijk evenwichtig overigens ook opgebouwd, niet rust op de rots, dan is die verstrooiing even kortstondig als een droom in een onrustige slaap.
Zolang een leerstelsel geen afdoend en bevredigend antwoord zal geven op de vragen, wat de zin van het leven is, wat de zin van het lijden, de zin van den dood, zolang zal de mens de maar al te gewettigde indruk behouden, geen vaste grond onder de voeten te voelen. Maar welk antwoord kan de wijsbegeerte geven, als zij zelve niet gevestigd is op het absolute, op een persoonlijke God, begin en einde van al wat bestaat? Een zuiver deterministische of materialistische verklaring van het zijn en van de geschiedenis, onverenigbaar met de meest eenvoudige waarheden van ziet en zedenkunde en van de geschiedenis, zou de mens niet kunnen bevredigen, noch hem het geluk en de vrede schenken.
Het Existentialisme

Naar aanleiding van uw congres is er gesproken over het existentialisme, dat de “onheilsfilosofie” werd genoemd, en over een dubbele weerklank van dat stelsel, nl. enerzijds “een zwaarmoedig irrationalisme als reactie op het intellectualisme” en anderzijds “een godsdienstig voluntarisme”. Onheilsfilosofie: het is een toespeling op het “délaissement”, het “geworfen sein”, het zich laten meesleuren van de mens in de draaikolk der wereld, nadat het verstand zijn doel gemist zou hebben, nadat het tevergeefs getracht zou hebben, een vast punt, een zekere grondslag, waarop het leven stevig gebouwd kan worden, te vinden. Het is Onze bedoeling niet hier in een verhandeling over het existentialisme te treden. Wij willen slechts deze vraag stellen: blijft er aan de wijsbegeerte een andere uitweg over dan de wanhoop, als haar vraagstukken hun oplossing niet vinden in God, in de eeuwigheid, en in de persoonlijke onsterfelijkheid? Wij menen, dat de feiten der laatste decennia klemmende taal gesproken hebben ten aanzien van de zoeven door Ons aangestipte problemen! De wijsbegeerte van alle tijden, de “philosophia perennis”, loopt geen enkel gevaar onder te gaan in “een zwaarmoedig irrationalisme”, en nog minder in “een godsdienstig voluntarisme” als reactie op een eenzijdig intellectualisme. Zij kan noch het ene, noch het andere zijn: noch voluntarisme, noch eenzijdig intellectualisme, want daar God de sluitsteen harer gedachte is, vormt zij noodzakelijkerwijze de samenvoeging van wat er in beide gezond is: te weten de samenvoeging van een heldere kennis met een daaruit voortvloeiende sterke wil.

Inderdaad is een vaste wil, in alle omstandigheden van het leven gehandhaafd, ondenkbaar, als hij niet ontspringt aan een diepe intellectuele overtuiging. Zelfs de kostbare schat van eerbiedwaardige tradities, waaraan het klassieke Rome, en bovenal het christelijke Rome, rijker is dan welk ander middelpunt van beschaving ook in de gehele wereld, verliest iedere waarde, als zijn verstandelijke grondslag, nl. de godsdienstige en morele leerstellingen, waaruit die tradities voortkomen, ongelukkigerwijze zouden komen te verdwijnen. In de onvoorwaardelijke bevestiging van het bestaan van een persoonlijke God, eigen aan de ware wijsbegeerte, vinden alle dingen hun verklaring en hun duurzaamheid.
Daar volgt uit, dat die wijsbegeerte niet enkel wetenschap der gedachte, maar ook wetenschap des levens is. Zij is een meesteres, die de mens leert, welke de levensbeginselen zijn, die het meest met zijn geestelijke en verstandelijk natuur stroken; welke de plichten, die voor hem uit zijn bijzondere en bevoorrechte plaats te midden der andere wezens, die beneden hem staan; welke de zending, die hij geroepen is uit te voeren, en waaraan hij verplicht is al zijn feitelijke werkzaamheid ondergeschikt te maken. Ten slotte voltrekt de wijsbegeerte dat verheven werk van zedelijke verbetering, zowel in het intellectuele als in het sociale leven, door overal het vruchtbare zaad uit te strooien van een gedachte die de geesten aantrekt, iedere verkeerde ontwikkeling in de juiste baan terugleidt, en den weg wijst op het niet steeds gemakkelijk begaanbare pad van een persoonlijke en collectieve opklimming, die niet louter een ijdele glans van technische vooruitgang moet zijn, maar een wezenlijke morele en juridische verbetering van de mensheid.
Hooggeachte heren, uw congres dat vandaag gesloten wordt en waaraan uitstekende geleerden van vele talen en volkeren deelgenomen hebben, is een bewijs, dat de mannen der wijsgerige gedachte gedreven worden door het edelmoedige voornemen, om met de pen en van ‘t leergestoelte samen te werken tot de uitdoving van haat, tot de verzoening der volkeren en tot de bevestiging van den vrede. Voedt de nieuwe geslachten op tot gevoelens van ware menselijkheid. Laten de jongeren als heilig beschouwen al wat menselijk aanzien heeft: heilig zij hun het huisgezin, heilig ieder volk en iedere natie, zoals hun het eigen volk en het vaderland heilig is. Zij hun geest gevestigd in God, ons aller gemeenschappelijke Vader, in wien de wijsbegeerte haar verheven einddoel en haar hoogste rechtvaardiging vindt.
Dankbaar voor uw tegenwoordigheid, volgen Wij daarom uwe studies, vol vertrouwen op wat waar en goed is. En over uw arbeid, over het inwendige werk van uw geest, over uw gezonde plannen en voornemens, over uw gezinnen, over degenen die luisteren naar uw woord, vrucht van een eerzame en sobere navorsing, roepen Wij de hemelse gunsten af, die uw gedachte en uw leven mogen leiden naar ieders einddoel, vastgesteld door het ondoorgrondelijk raadsbesluit der goddelijke waarheid en liefde. Inmiddels schenken Wij u dan van ganser harte, als onderpand der overvloedigste genaden, aan u en aan alle personen, die u dierbaar zijn, Onze Apostolische Zegen.

Document

Naam: CON PARTICOLARE COMPIACIMENTO
Over wijsbegeerte en existentialisme - Tot de deelnemers aan het Internationaal Congres voor Wijsbegeerte
Soort: Paus Pius XII - Toespraak
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 21 november 1946
Copyrights: © 1946, Katholiek Archief nr. 44 kol. 705-707
Vert.: Katholiek Archief
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam