• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

JEZUS, DE DEFINITIEVE VERVULLING VAN GODS OPENBARING
God, Vader en Schepper: Catecheses over de Geloofsbelijdenis, deel 1

Zie voor een overzicht van het grotere geheel waarin deze audiëntie-catechese is gehouden: Catecheses van de Paus tijdens de wekelijkse Algemene Audienties
Het geloof dat wat bedoeld wordt met de uitdrukking, "ik geloof" (Credo) is altijd wezenlijk verbonden met de Openbaring. Het antwoord op het feit dat God "zichzelf" aan de mens openbaart en dat Hij tezelfdertijd hem het mysterie van zijn eeuwige wil onthult, namelijk de mens te redden door "hem deelgenoot te maken aan zijn goddelijke natuur", vraagt van de mens de overgave aan God, waardoor hij "gehoorzaamheid van het geloof" betoont. Het geloof betekent gehoorzaamheid van de rede en de wil aan God, die zich openbaart. Die "gehoorzaamheid" bestaat vooral in het aanvaarden van Gods Openbaring "als waarheid". Bij die aanvaarding van de inhoud van de Openbaring blijft de mens in harmonie met zijn redelijke natuur. Maar door het geloof geeft de gehele mens zich over aan God, die zichzelf aan hem openbaart, en terwijl deze de gave van "Boven" ontvangt, geeft hij God zijn antwoord door de overgave van zijn eigen mensheid. Met het gehoorzaam onderwerpen van verstand en wil aan de openbarende God komt de mens op een geheel nieuwe wijze voor God te staan.

De Openbaring en uiteraard ook het geloof "overstijgt de mens, omdat ze voor hem bovennatuurlijke perspectieven opent". Maar juist in die perspectieven vindt de mens de diepste vervulling van zijn verzuchtingen en verlangens, die in zijn geestelijke natuur geworteld zijn: waarheid, goedheid, liefde, vreugde en vrede. Sint-Augustinus heeft die werkelijkheid in een heel bekende zin onder woorden gebracht: "Onrustig is ons hart tot het rust vindt in U". H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. 1,1 Alsof Sint Thomas die gedachte van Sint-Augustinus verder wil uitwerken, wijdt hij de eerste vragen van het tweede deel van zijn theologisch H. Thomas van Aquino
Summa Theologiae ()
aan het bewijs, dat het bereiken van de menselijke volmaaktheid, dus het uiteindelijke doel van de mens, alleen zijn gehele volheid bereikt in de aanschouwing en de liefde van God. Daarom vindt de goddelijke Openbaring in het geloof de transcendente mogelijkheid om de menselijke geest te openen voor het Woord van God.

De Constitutie "2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Dei Verbum
Over de Goddelijke openbaring
(18 november 1965)
" legt er de nadruk op, dat die "economie van de Openbaring" zich ontwikkelt van bij de aanvang van de geschiedenis van de mensheid:
"Deze bedeling van de Openbaring geschiedt door daden en woorden die innerlijk met elkaar verbonden zijn, zodat de werken, door God in de heilsgeschiedenis verricht, de leer en de werkelijkheden, die door de woorden worden betekend, tonen en bevestigen, en de woorden de werken verkondigen en het geheim dat daarin vervat ligt, in het licht stellen". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 2
Men kan zeggen dat de economie van de Openbaring een bijzondere wijze van "goddelijke pedagogie" kent. God deelt zich stap voor stap mee aan de mens, Hij voert de mens geleidelijk binnen in zijn bovennatuurlijke "zelfopenbaring", tot bij het definitieve punt: Jezus Christus.

Tegelijk komt heel de economie van de Openbaring tot stand als heilsgeschiedenis, die duidelijk werd ingezet vanaf het begin van de menselijke geschiedenis.

"God, die door zijn Woord alles schept" Vgl. Joh. 1, 3 en in stand houdt, geeft in zijn schepselen aan de mensen een bestendig getuigenis van zichzelf. Vgl. Rom. 1, 19-20 Bovendien heeft Hij, in de bedoeling de weg van het hemels heil te openen, zichzelf vanaf het begin aan onze stamouders geopenbaard" . 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 3
Zo spreekt dus van de aanvang af "het getuigenis van de geschapen wereld" tot de mens en richt het zijn geest naar de onzichtbare Schepper, terwijl sinds de oorsprong ook Gods zelfopenbaring blijft voortgaan in de geschiedenis van de mens; Hij vraagt daarop een eerlijk antwoord in het "ik geloof" van de mens. Die openbaring werd niet onderbroken door de zonde van de eerste mensen.
"Na hun val echter heeft Hij, door de verlossing te beloven, hen opgericht tot de hoop op het heil Vgl. Gen. 3, 15 , en zonder onderbreking zorg gedragen voor het menselijk geslacht, om eeuwig leven te schenken aan allen die door standvastig het goede te doen, het heil zoeken. Vgl. Rom. 2, 6-7 Op de vastgestelde tijd heeft Hij Abraham geroepen, om hem te maken tot een groot volk Vgl. Gen. 12, 2 , dat Hij na de aartsvaders door Mozes en de profeten heeft onderricht om Hem te erkennen, de ene levende en ware God, de voorzienige Vader en rechtvaardige Rechter, en om de beloofde Heiland te verwachten. Zo heeft Hij door de eeuwen heen de weg voor het Evangelie voorbereid" . 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 3
Het geloof als antwoord van de mens op het woord van de goddelijke Openbaring heeft zijn eindfase bereikt met de komst van Christus, toen God "op het einde der tijden tot ons gesproken heeft door de Zoon" (Heb. 1, 1-2).
"Jezus Christus dus, het vlees geworden Woord, als 'mens tot de mensen' gezonden, 'spreekt Gods eigen woorden' (Joh. 3, 34), en volbrengt het heilswerk dat de Vader Hem te doen gegeven heeft. Vgl. Joh. 5, 36 Vgl. Joh. 17, 4 Hij dus die zegt: 'Wie Mij ziet, ziet de Vader', vervult de Openbaring, brengt haar tot voltooiing en bekrachtigt haar met goddelijk getuigenis door geheel zijn tegenwoordigheid en verschijning, door woorden en werken, door tekenen en wonderen, vooral echter door zijn dood en glorievolle opstanding uit de doden, en tenslotte door de zending van de Geest der waarheid, een waarheid die erin bestaat dat God met ons is om ons te bevrijden uit de duisternis van zonde en dood en ons op te wekken tot het eeuwige leven". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 4

Geloven in christelijke zin betekent: de definitieve zelfopenbaring van God in Jezus Christus aanvaarden en op die openbaring antwoorden met "een overgave aan God"; van die overgave is Christus zelf het fundament, het levend voorbeeld en de zaligmakende middelaar.

Zo'n geloof behelst dus de aanvaarding van heel "de christelijke economie" van het heil als nieuw en definitief verbond dat "nooit zat eindigen". Het Concilie zegt: "Er is geen nieuwe publieke openbaring te verwachten vóór de glorievolle verschijning van onze Heer Jezus Christus" . 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 4

Zo biedt het Concilie ons in de Constitutie 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Dei Verbum
Over de Goddelijke openbaring
(18 november 1965)
op een beknopte wijze de "pedagogie" van de goddelijke Openbaring aan. Tegelijk leert het ons wat het geloof is, wat "geloven" betekent, vooral het "christelijk geloven"; het geeft ons een antwoord op Jezus' verzoek: "Gij gelooft in God, gelooft ook in Mij" (Joh. 14, 1).

Document

Naam: JEZUS, DE DEFINITIEVE VERVULLING VAN GODS OPENBARING
God, Vader en Schepper: Catecheses over de Geloofsbelijdenis, deel 1
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiƫntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 3 april 1985
Copyrights: © 1991, Centrum voor Katholiek Vormingswerk, Lanklaar
Bewerkt: 14 oktober 2020

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam