• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Wie zich opengesteld heeft voor de liefde van God, wie Gods stem heeft vernomen en zijn licht heeft ontvangen, kan deze gave niet voor zichzelf houden. Omdat het geloof een horen en zien is, wordt het ook als woord en licht doorgegeven. Wanneer hij zich richt tot de Korintiërs, gebruikt de apostel Paulus precies deze beide beelden. Enerzijds zegt hij: ‘Maar wij bezitten die geest van geloof waarvan de Schrift zegt: ‘Ik heb geloofd, daarom heb ik gesproken’. Ook wij geloven en daarom spreken wij’ (2 Kor. 4, 13). Het woord van God dat we ontvangen hebben, wordt tot een antwoord en tot een belijdenis. Zo weerklinkt het ook voor andere mensen en nodigt hen uit tot geloof te komen. Anderzijds verwijst Paulus ook naar het licht: ‘Ons allen is het gegeven met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen en herschapen te worden tot steeds heerlijker gelijkenis met Hem’ (2 Kor. 3, 18). Het gaat om een licht dat zich van aangezicht tot aangezicht weerspiegelt, net zoals Mozes bekleed was met de glans van de heerlijkheid van God, nadat hij met de Heer gesproken had: ‘(God) is als een licht in onze harten opgegaan, om de kennis te doen stralen van zijn heerlijkheid, die ligt over het gelaat van Christus’. (2 Kor. 4, 6). Het licht van Jezus valt op het gelaat van de christen als de weerkaatsing op een spiegel. Op deze manier verbreidt het zich en komt het tot ons, opdat ook wij deel kunnen hebben aan dit schouwen en tegenover andere mensen Gods licht weerspiegelen, zoals in de Paasliturgie het licht van de paaskaars vele andere kaarsen doet ontvlammen. Het geloof wordt zo doorgegeven in het contact van persoon tot persoon, zoals de ene vlam door de andere wordt aangestoken. De christenen zaaien in hun armoede een zaad dat zo vruchtbaar is, dat het uitgroeit tot een grote boom die in staat is de wereld te vullen met vruchten.

De overdracht van het geloof, dat straalt voor alle mensen op alle plaatsen, gaat ook door de tijd van generatie op generatie. Omdat het geloof voortkomt uit een ontmoeting die plaatsvindt in de geschiedenis en onze weg door de tijd verlicht, moet het geloof ook door de eeuwen heen worden doorgegeven. Via een ononderbroken keten van getuigenissen komt de persoon van Jezus tot ons. Hoe is dat mogelijk? Hoe kunnen we er zeker van zijn dat we, door alle eeuwen heen, teruggaan tot de ‘ware Jezus’? Indien de mens een geïsoleerd wezen zou zijn, als we enkel zouden willen uitgaan van het individuele ‘ik’ dat de zekerheid van zijn kennen in zichzelf zou willen zoeken, zou deze zekerheid onmogelijk zijn. Vanuit mijzelf kan ik niet aanschouwen wat er gebeurd is in een tijdperk dat zo ver van mij verwijderd ligt. Dit is echter niet de enige manier waarop de mens kennis verwerft. De mens leeft steeds in relaties. Hij komt voort uit andere mensen, behoort aan anderen toe, en zijn leven wordt rijker door de ontmoeting met medemensen. Zelfs onze kennis, ons zelfbewustzijn is relationeel van karakter en staat in verbinding met andere mensen die ons zijn voorgegaan - in de eerste plaats onze ouders, die ons het leven geschonken hebben en ons een naam gaven. De taal zelf, de woorden waarmee we ons leven en de werkelijkheid om ons heen benoemen, is langs andere mensen tot ons gekomen: zij werd bewaard in de levende herinnering van anderen. Zelfkennis is slechts mogelijk, wanneer we deelhebben aan een meer omvattende herinnering. Zo gaat het ook met het geloof, dat de menselijke wijze van verstaan tot voltooiing brengt. Het verleden van het geloof, de liefdesdaad van Jezus die in de wereld een nieuw leven heeft voortgebracht, komt tot ons door de herinnering van anderen, van getuigen. Zo blijft het verleden levend in het unieke subject van herinnering, dat de Kerk vormt. De Kerk is een moeder die ons de taal van het geloof leert spreken. De heilige Johannes heeft in zijn Evangelie dit aspect beklemtoond door geloof en herinnering met elkaar in verbinding te brengen en beide te associëren met de werkzaamheid van de Heilige Geest, die - zoals Jezus zegt - ‘u alles in herinnering zal brengen’ (Joh. 14, 26). De Liefde, die de Geest is, en die haar woonplaats heeft in de Kerk, houdt alle tijden met elkaar verenigd en maakt ons tot ‘tijdgenoten’ van Jezus, en leidt zo de pelgrimstocht van ons geloof.

Het is onmogelijk als enkeling te geloven. Het geloof is niet slechts een individuele keuze, die plaatsvindt in het binnenste van de gelovige, het is geen geïsoleerde relatie tussen het ‘ik’ van de gelovige en het goddelijke ‘Gij’, tussen een autonoom subject en God. Van nature opent het geloof zich voor het ‘wij’ en voltrekt het zich altijd in de gemeenschap van de Kerk. De geloofsbelijdenis in dialoogvorm, die tijdens de doopliturgie wordt gebruikt, herinnert ons daaraan. Het geloof drukt zich uit als een antwoord op een uitnodiging, op een woord dat gehoord moet worden en dat niet uit onszelf komt. Het is alleen maar mogelijk om te antwoorden in de eerste persoon, met ‘ik geloof’, omdat men deel uitmaakt van een grotere gemeenschap, omdat wij ook: ‘wij geloven’ zeggen. Deze openheid voor het ‘wij’ van de Kerk geschiedt conform de eigen openheid voor de liefde van God. Gods liefde is immers niet enkel de relatie tussen de Vader en de Zoon, tussen een ‘ik’ en een ‘jij’, maar in de Geest ook als een ‘wij’: een gemeenschap van personen. Om deze reden gaat het gezegde op, dat degene die gelooft, nooit alleen is, en om die reden breidt het geloof zich ook uit en nodigt het ook andere mensen uit tot deze vreugde. Wie het geloof ontvangt, komt tot de ontdekking dat de ruimte van zijn ‘ik’ uitgebreid wordt; in hem groeien nieuwe relaties, die zijn leven verrijken. Tertullianus heeft dit op een treffende manier uitgedrukt, wanneer hij spreekt over de catechumeen die ‘na het bad van de wedergeboorte’ opgenomen wordt in het huis van de moeder, om zijn armen uit te strekken en samen met zijn broeders het Onze Vader te bidden: hij is opgenomen in een nieuwe familie. Vgl. Tertullianus, De Baptismo. 20, 5, in: CCL I, 295

Document

Naam: LUMEN FIDEI
Licht van het geloof
Soort: Paus Franciscus - Encycliek
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 29 juni 2013
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana / Betsaïda.org (2e druk)
Vert. vanuit het Duits, controle met Franse, Engelse en Italiaanse versie: F. De Rycke
Imprematur: Mgr. A.L.M. Hurkmans
Bewerkt: 29 november 2017

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam