• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De geloofskennis hangt samen met het verbond van een trouwe God, die een liefdesrelatie aanknoopt met de mens en zijn woord tot hem richt. Daarom wordt ze in de Heilige Schrift voorgesteld als een luisteren en geassocieerd met het gehoorzintuig. De heilige Paulus gebruikt een formulering die klassiek geworden is: fides ex auditu - ‘het geloof is uit het gehoor’ (Rom. 10, 17). Omwille van de band met het woord is kennen altijd een persoonlijk kennen dat de stem herkent, zich in vrijheid voor haar openstelt en haar in gehoorzaamheid navolgt. Daarom heeft de heilige Paulus gesproken over de ‘gehoorzaamheid van het geloof’ Vgl. Rom. 1, 5 Vgl. Rom. 16, 26 Vgl. 2 Kor. 10, 5-6 . 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 5. ‘Aan de openbarende God moet de mens ‘de gehoorzaamheid van het geloof’ (Rom. 16, 26) betonen, waardoor hij zich vrijelijk geheel aan God toevertrouwt, door volledige onderdanigheid van verstand en wil jegens de openbarende God te bewijzen en vrijwillig in te stemmen met de door God geschonken openbaring. Om dit geloof te kunnen geven, is de voorkomende en helpende genade van God nodig en de innerlijke bijstand van de Heilige Geest, die het hart moet bewegen en tot God bekeren, de ogen van de geest openen en aan allen smaak geven om met de waarheid in te stemmen en erin te geloven. Dezelfde Heilige Geest vervolmaakt voortdurend het geloof door zijn gaven om het begrip van de openbaring aanhoudend te verdiepen’. Bovendien is het geloof een vorm van kennis die gebonden is aan de loop van de tijd, die het woord nodig heeft om uitgesproken te worden: het is een kennis die men enkel via de weg van de navolging van de Meester verwerft. Luisteren helpt ons om op een juiste wijze de samenhang tussen kennis en liefde voor te stellen.

Met betrekking tot de kennis van de waarheid is het horen vaak tegenover het zien geplaatst, dat eigen zou zijn aan de Griekse cultuur. Enerzijds maakt het licht de beschouwing van het geheel mogelijk, iets wat de mens altijd heeft nagestreefd. Anderzijds lijkt het licht geen ruimte te laten voor de vrijheid, omdat het vanuit de hemel schijnt en direct het oog bereikt zonder een reactie te verwachten. Bovendien lijkt het licht uit te nodigen tot een statische beschouwing, los van het concrete moment in de tijd waarin de mens vreugde en leed ervaart. Volgens deze opvatting zou de Bijbelse voorstelling van kennis tegengesteld zijn aan de Griekse. Op zoek naar een omvattend begrip van de werkelijkheid werd in het Griekse denken kennis met zien verbonden.

Het is echter duidelijk dat deze vermeende tegenstelling niet overeenstemt met de Bijbelse gegevens. Het Oude Testament heeft beide vormen van kennis met elkaar verenigd. Met het horen van het Woord Gods gaat immers de wens gepaard om zijn gelaat te aanschouwen. Hierdoor kon er een dialoog met de hellenistische cultuur ontstaan; deze dialoog behoort tot de kern van de Schrift. Het horen getuigt van de persoonlijke roeping en de gehoorzaamheid, evenals van het gegeven dat de waarheid zich openbaart in de tijd; het zien geeft overzicht over de gehele weg en maakt het voor de mens mogelijk om te zien welke plaats hij inneemt in het hele plan van God; zonder dit zien zouden we enkel beschikken over losse fragmenten van een onbekend geheel.

De verbinding van het zien met het horen als organen van de geloofskennis, komt het duidelijkst naar voren in het Johannesevangelie. Volgens het vierde Evangelie betekent geloven horen en zien tegelijk. Het horen van het geloof geschiedt in overeenstemming met de vorm van kennis die eigen is aan de liefde: het is een persoonlijk horen dat de stem onderscheidt en die van de goede Herder herkent Vgl. Joh. 10, 3-5 ; een horen dat aanzet tot navolging, zoals bij de eerste leerlingen: zij ‘hoorden Hem dat zeggen en gingen Jezus achterna’ (Joh. 1, 37). Anderzijds wordt het geloof ook met het zien geassocieerd. Soms wordt het geloof voorafgegaan door het zien van de tekens die Jezus stelt, zoals bij de joden na de opwekking van Lazarus, toen zij ‘zagen wat Hij gedaan had’ en ‘geloofden in Hem’ (Joh. 11, 45). Op andere momenten is het het geloof dat tot een dieper zien voert: ‘dat gij Gods heerlijkheid zult zien als gij gelooft’ (Joh. 11, 40). Tenslotte hebben geloven en zien soms een wisselwerking met elkaar: ‘Wie in Mij gelooft, gelooft (...) in Hem die Mij gezonden heeft en wie Mij ziet, ziet Hem die Mij gezonden heeft’ (Joh. 12, 44-45). Dankzij deze eenheid met het horen wordt het zien een gelofte tot navolging van Christus en het geloof verschijnt als een groeiproces van het zien, waarbij de ogen eraan wennen in de diepte te schouwen. Deze ontwikkeling zien we op Paasmorgen, te beginnen met Johannes, die - nog in de duisternis - bij het lege graf ‘zag en geloofde’ (Joh. 20, 8). Vervolgens is er Maria Magdalena die Jezus reeds ziet Vgl. Joh. 20, 14 en Hem wil vasthouden, maar gemaand wordt Jezus te aanschouwen in zijn opgaan naar de Vader. Tenslotte is er de volledige belijdenis van diezelfde Maria Magdalena tegenover de leerlingen ‘dat zij de Heer gezien had’ (Joh. 20, 18).

Hoe komen we tot deze synthese van horen en zien? Ze wordt mogelijk vanuit de concrete persoon van Jezus, die men ziet en hoort. Hij is het Woord dat vlees geworden is, wiens heerlijkheid we hebben aanschouwd. Vgl. Joh. 1, 14 Het licht van het geloof is dat van een gelaat waarin men de Vader ziet. In het vierde Evangelie is de waarheid die door het geloof begrepen wordt, inderdaad de openbaring van de Vader in de Zoon. In zijn lichaam en in zijn aardse werken – een waarheid die men omschrijven kan als het ‘van licht vervulde leven’ (gelichtete Leben) van Jezus. Vgl. Heinrich Schlier, Meditationen über den Johanneischen Begriff der Wahrheit, in: Id., Besinnung auf das Neue Testament. Exegetische Aufsätze und Vorträge 2, Freiburg/Basel/ Wien 1959, 272 Dit betekent dat de geloofskennis ons niet uitnodigt om een louter innerlijke waarheid te aanschouwen. De waarheid waartoe het geloof ons de toegang verschaft, is een waarheid die gericht is op de ontmoeting met Christus, op de beschouwing van zijn leven en de waarneming van zijn aanwezigheid. In deze zin spreekt de heilige Thomas van Aquino over het oculata fides van de apostel - een geloof dat ziet! - met betrekking tot de lichamelijke verschijning van de Verrezene. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. III, q. 55, a. 2, ad 1 Ze hebben de verrezen Jezus met eigen ogen aanschouwd en ze hebben geloofd, dat wil zeggen: ze konden in de diepte doordringen van wat ze zagen, om zo de Zoon van God die aan de rechterhand van de Vader zit, te belijden.

Alleen op deze wijze, door de incarnatie, door het delen van ons menselijk bestaan, kon de vorm van kennis die eigen is aan de liefde, tot haar voltooiing komen. Het licht van de liefde komt tot leven wanneer we in het hart geraakt worden en zo in ons de innerlijke tegenwoordigheid van de geliefde ontvangen, die het ons mogelijk maakt zijn mysterie te kennen. Zo begrijpen we ook Waarom voor de heilige Johannes het geloven horen en zien, maar ook een kwestie van aanraken is, zoals hij in zijn eerste brief schrijft: ‘We hebben het gehoord en met eigen ogen gezien; we hebben het aanschouwd en onze handen hebben het aangeraakt - dáárover spreken wij, over het Woord dat leven is’ (1 Joh. 1, 1). Door zijn menswording, door feit dat Hij in ons midden gekomen is, heeft Jezus ons aangeraakt en ook door de sacramenten raakt Hij ons vandaag eveneens aan. Op deze manier, door ons hart om te vormen, heeft Hij het ons mogelijk gemaakt en maakt Hij het ons nog steeds mogelijk Hem te herkennen en te belijden als Zoon van God. Door het geloof kunnen we Hem aanraken en de kracht van zijn genade ontvangen. De heilige Augustinus zegt in zijn uitleg van het verhaal over de vrouw die aan bloedvloeiingen lijdt en die Jezus aanraakt om genezen te worden Vgl. Lc. 8, 45-46 : ‘aanraken met het hart, dat is geloven’. H. Augustinus, Preken, Sermones. 229/L, 2: PLS 2, 576: ‘Tangere autem corde, hoc est credere De menigte verdringt zich om Jezus, maar raakt Hem niet met de persoonlijke beroering van het geloof dat zijn geheim herkent: dat Hij de Zoon is door Wie de Vader wordt geopenbaard. Slechts wanneer we gelijkvormig worden aan Jezus, ontvangen we ogen die in staat zijn om Hem te zien.

Document

Naam: LUMEN FIDEI
Licht van het geloof
Soort: Paus Franciscus - Encycliek
Auteur: Paus Franciscus
Datum: 29 juni 2013
Copyrights: © 2013, Libreria Editrice Vaticana / Betsaïda.org (2e druk)
Vert. vanuit het Duits, controle met Franse, Engelse en Italiaanse versie: F. De Rycke
Imprematur: Mgr. A.L.M. Hurkmans
Bewerkt: 4 augustus 2020

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam