• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Wij sporen u vervolgens, eerbiedwaardige broeders, krachtig aan om na verwijdering van dwalingen en onjuiste meningen en na verbod van alles, wat de perken van de waarheid en de juiste orde te buiten gaat, alle initiatieven te bevorderen, die tot doel hebben, het volk een grondiger kennis van de heilige Liturgie bij te brengen, zodat het geschikter en gemakkelijker aan de goddelijke riten kan deelnemen in de gesteltenis, die een christen past.
1. Men onderhoude de decreten van het concilie van Trente, van de pausen en van de heilige Congregatie van de Riten.
Op de eerste plaats moet er voor gewerkt worden, dat allen met de verschuldigde eerbied en geloof gehoorzamen aan de decreten, die zijn uitgevaardigd door het concilie van Trente, of door de pausen, of door de heilige Congregatie van de Riten, en aan wat de liturgische boeken met betrekking tot de uitwendige uitoefening van de openbare eredienst hebben bepaald.
In alles, wat tot de Liturgie behoord, moeten vooral deze drie sieraden uitblinken, waarover onze voorganger Pius X spreekt, namelijk heiligheid, die een afschuw moet hebben van alle profane invloed; edele uitbeelding en vormgeving, waartoe echte, hoge kunst moet dienen; universaliteit, die - met behoud van de wettige zeden en gewoonten van de bijzondere streken - de eenheid van de katholieke Kerk moet laten uitkomen. H. Paus Pius X, Motu Proprio, Instructie over de gewijde muziek, Tra le sollecitudini - Inter sollicitudines (20 nov 1903)
2. Aanbeveling van ijver voor het huis van de Heer.
Wij willen echter nog eens met alle aandrang de schoonheid van kerken en altaren aanbevelen. Ieder moet zich bezield voelen door dit goddelijk woord: "De ijver voor Uw huis verteert mij." (Ps. 68, 10)(Joh. 2, 17), en naar vermogen trachten te bereiken, dat alles, hetzij in de heilige gebouwen, hetzij in de gewaden en liturgische voorwerpen, al schittert het ook niet uit door overdadige ruildom en pracht, toch zindelijk en geschikt is, wijl dat alles gewijd is aan de goddelijke Majesteit. Als wij boven onze afkeuring hebben uitgesproken over de verkeerde handelwijze van hen, die onder voorwendsel van terugkeer tot de oudheid de heilige beelden uit de kerken willen weren, hier achten wij het een eis van onze plicht, de ongeregelde godsvrucht te laken van hen, die in de kerken en zelfs op de altaren zonder enige goede reden allerlei beelden en schilderijen ter verering uitstellen; die relikwieën, welke door het wettig gezag niet zijn erkend, ten toon stellen, en die ten slotte sterk aandringen op particulariteiten en kleinigheden, terwijl zij de voornaamste en noodzakelijke dingen verwaarlozen en aldus de godsdienst belachelijk maken en de waardigheid van de eredienst schaden.
3. Onderhouding van het decreet van het H. Officie over het niet invoeren van nieuwe devoties.
Wij herinneren ook aan het decreet "Over het niet invoeren van nieuwe vormen van eredienst of godsvrucht" Heilig Officie, Over het niet invoeren van nieuwe vormen van eredienst of godsvrucht (26 mei 1937). A.A.S. 29 (1937) 304-305 en wij bevelen de stipte onderhouding daarvan aan uw waakzaamheid aan.
4. Zorg voor de gewijde muziek. Aanbeveling van de Gregoriaanse zang ook ten gebruike van het volk.
Wat de muziek betreft, zorge men bij de Liturgie voor de stipte onderhouding van de bepaalde en duidelijke regels, die de Apostolische Stoel gegeven heeft. De Gregoriaanse gezangen beschouwt de Roomse Kerk als haar erfdeel, als van oudsher van het voorgeslacht ontvangen en in de loop der eeuwen door haar zorgvolle bescherming bewaard. Zij stelt die de gelovigen voor als een erfdeel ook van hen en schrijft ze in sommige gedeelten van de Liturgie beslist voor. H. Paus Pius X, Motu Proprio, Instructie over de gewijde muziek, Tra le sollecitudini - Inter sollicitudines (20 nov 1903) Zij maken niet alleen de viering van de heilige geheimen schoner en plechtiger, maar dragen ook zeer veel bij tot vermeerdering van het geloof en de godsvrucht van de aanwezigen. Daarom hebben onze voorgangers Pius X en Pius XI, z.g., bij decreet voorgeschreven - en wij bevestigen dit gaarne met ons gezag -, dat in de seminaries en kloosterinstellingen de Gregoriaanse zang met zorg en ijver beoefend moet worden en dat, ten minste bij de hoofdkerken, de oude schola cantorum zou hersteld worden, wat op verscheiden plaatsen met succes is geschied. H. Paus Pius X, Motu Proprio, Instructie over de gewijde muziek, Tra le sollecitudini - Inter sollicitudines (20 nov 1903) Paus Pius XI, Apostolische Constitutie, Over het gestadig meer bevorderen van de liturgie, de gregoriaanse zang en de gewijde muziek, Divini Cultus Sanctitatem (20 dec 1928)
Bovendien: "Om de gelovigen tot meer daadwerkelijke deelname aan de goddelijke eredienst te brengen, worde de Gregoriaanse zang voor die gedeelten, welke het volk aangaan, bij het volk weder ingevoerd. Het is namelijk zeer noodzakelijk, dat de gelovigen niet slechts als buitenstaanders of stomme toeschouwers, maar, diep getroffen door de schoonheid van de Liturgie, zo bij de heilige plechtigheden tegenwoordig zijn, dat zij overeenkomstig de voorgeschreven regels hun stem laten afwisselen met die van de priester of de schola. Als men hierin slaagt, dan zal het niet meer gebeuren, dat het volk in het geheel niet of slechts door een zacht en diep gebrom nauwelijks antwoordt op de gezamenlijke gebeden in de liturgische taal of in de volkstaal." Paus Pius XI, Apostolische Constitutie, Over het gestadig meer bevorderen van de liturgie, de gregoriaanse zang en de gewijde muziek, Divini Cultus Sanctitatem (20 dec 1928), 17 De menigte, die met aandacht bij het offer van het altaar tegenwoordig is, waarin onze Verlosser tezamen met Zijn kinderen, die door Zijn heilig bloed zijn vrijgekocht, het bruidslied zingt van Zijn onmetelijke liefde, kan ongetwijfeld niet zwijgen, want: "Wie liefheeft, zingt" H. Augustinus, Sermones. 336, n. 1, en, zoals het reeds van oudsher een spreekwoord geworden is: "Wie goed zingt, bidt dubbel." Zo mengt de strijdende Kerk, d.w.z. de geestelijkheid met het volk, haar stem met de gezangen van de zegevierende Kerk en met de koren van de engelen en zingen zij allen tezamen voor de Allerheiligste Drievuldigheid een heerlijke eeuwige hymne volgens het woord: "Aanvaard, bidden wij U, met hun stemmen ook de onze." Missale Romanum, Prefatie
5. Ook de moderne muziek krijge haar plaats.
Toch mag men niet beweren, dat de moderne muziek en zang geheel uit de katholieke eredienst geweerd moeten worden. Integendeel, als die twee niets profaans hebben, of niets wat de heiligheid van de plaats of van de liturgische handeling misstaat, en ook niet voortkomen uit een ijdel bejag op verbazingwekkende en ongewone effecten, dan moeten onze kerken er zeker voor openstaan, daar zij niet weinig kunnen bijdragen tot de luister van de heilige riten, tot verheffing van de geest en tegelijk tot opwekking van ware godsvrucht.
6. De godsdienstige volkszang worde bevorderd.

Ook sporen wij u aan, eerbiedwaardige broeders, tot bevordering van de godsdienstige volkszang en tot zorgvuldige uitvoering daarvan, met behoud van de passende waardigheid, want deze zang kan het geloof en de godsvrucht van de christelijke menigte gemakkelijk aanvuren en doen toenemen. Moge het eenstemmige en machtige gezang van ons volk ten hemel stijgen als het gedruis van de branding van de zee Vgl. H. Ambrosius van Milaan, Hexameron. III, 5,23 en de welklinkende luide uiting zijn van één hart en één ziel Vgl. Hand. 4, 32 , zoals het broeders, kinderen van dezelfde Vader, betaamt.

7. Bouwkunst, beeldhouwkunst en schilderkunst moeten de eredienst op waardige wijze dienen.
Wat wij echter van de muziek gezegd hebben, datzelfde ongeveer moet ook gezegd worden van de andere fraaie kunsten, vooral van de bouwkunst, de beeldhouwkunst en de schilderkunst. De nieuwe beelden en vormen, die meer aangepast zijn aan het moderne materiaal, waaruit zij gemaakt worden, moeten niet naar een generaliserende maatstaf en uit vooroordeel veracht en verworpen worden, maar met bewaren van een wijs en juist evenwicht, dat van de ene kant een puur realisme en van de andere kant een overdreven symbolisme vermijdt en meer let op de behoeften van de christelijke gemeenschap dan op het speciale oordeel van de kunstenaars en de persoonlijke smaak van eenieder, moet die moderne kunst beslist vrije baan hebben, die de gewijde gebouwen en de heilige riten met de gepaste schroom en eerbied dient, zodat ook zij haar stem kan voegen bij dat wonderschone glorielied, dat de grote genieën in de reeds vervlogen eeuwen voor het katholieke geloof hebben gezongen. Wij moeten echter noodzakelijk krachtens bewustzijn van onze ambtsplicht onze droefheid en afkeuring uitspreken over die beelden en voorstellingen, die sommigen nieuw hebben ingevoerd en die een misvorming en ontaarding lijken van de gezonde kunst en somtijds zelfs apert misdoen tegen de betamelijkheid, de christelijke zedigheid en de godsvrucht en jammerlijk het ware godsdienstige gevoel kwetsen. Deze moeten uit onze kerken geheel en al worden geweerd en verwijderd, evenals "in het algemeen alles wat niet strookt met de heiligheid van de plaats." Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 1178
Houdt vast, eerbiedwaardige broeders, aan de richtlijnen en decreten van de pausen en zorgt er nauwkeurig voor om voorlichting en leiding te geven aan de kunstenaars, aan wie in deze tijd de taak moet worden toevertrouwd, zoveel kerken, die door de oorlog zwaar beschadigd of geheel verwoest zijn, te restaureren of geheel nieuw op te bouwen. Mogen zij in staat en ook van wil zijn om uit de godsdienst de plannen en motieven te putten, die het best en het waardigst beantwoorden aan de eisen van de eredienst. Dan zal het gelukkige gevolg zijn, dat de menselijke kunsten, die als een gave uit de hemel zijn, in helder licht stralen, van grote invloed zijn op de burgerlijke beschaving en bijdragen tot de glorie van God en het heil van de zielen. Immers, de kunsten beantwoorden in waarheid aan de godsdienst, wanneer zij "als het ware als edele dienstmaagden in dienst van de goddelijke eredienst staan." Paus Pius XI, Apostolische Constitutie, Over het gestadig meer bevorderen van de liturgie, de gregoriaanse zang en de gewijde muziek, Divini Cultus Sanctitatem (20 dec 1928)
8. De jonge geestelijkheid en het volk moeten met de ware liturgische geest worden bezield.
Maar er is nog iets en van nog groter gewicht, eerbiedwaardige broeders, dat wij op bijzondere wijze aan uw zorg en uw apostolische ijver aanbevelen. Al hetgeen tot de uitwendige eredienst behoort, is zeker van belang, maar het is toch vooral dringend noodzakelijk, dat de christenen het liturgisch leven beleven en de bovennatuurlijke geest er van onderhouden en doen toenemen.
Neemt er dus krachtige maatregelen voor, dat de jonge geestelijkheid naast de ascetische, theologische, juridische en pastorale vorming, en in harmonie daarmede, gevormd wordt tot inzicht in de heilige ceremonies, tot begrip van de grootsheid en schoonheid er van en ook de rubrieken ijverig aanleert. En dat niet alleen om reden van cultuur, ook niet alleen om te maken, dat de seminarist later in staat zal zijn, de godsdienstige functies ordelijk, mooi en waardig te verrichten, maar vooral om te maken, dat hij in innige vereniging met Christus-priester wordt opgevoed en een heilige bedienaar van heiligheid wordt.
Streeft ook uit alle macht door methoden en middelen, die uw verstandig inzicht het meest geschikt daarvoor zal achten, naar het bereiken van grote eenheid van geest en hart tussen geestelijkheid en volk en naar het bereiken van zulk een daadwerkelijke deelname van het christenvolk aan de Liturgie, dat deze werkelijk de heilige handeling wordt, waarbij de priester, vooral die, welke in een hem toevertrouwde parochie de zielzorg uitoefent, verenigd met het volk aan de Heer de verschuldigde eredienst brengt.
9. Zorg voor goede misdienaars.
Om dit te verkrijgen zal het zeker nuttig zijn, uit iedere klasse van burgers met zorg brave en goed onderwezen jongens te kiezen met het doel, dat zij zich spontaan en gaarne beschikbaar stellen om volgens de regels, trouw en ijverig aan het altaar te dienen. Dit ambt moet ook door ouders van hogere stand en hogere ontwikkeling hooggeschat worden. Als deze jongens praktisch worden gevormd en onder de waakzame zorg van de priesters worden opgewekt om de hun toevertrouwde bediening op de gestelde uren eerbiedig en trouw waar te nemen, dan zal het licht gebeuren, dat er uit hen nieuwe kandidaten voor het priesterschap voortkomen en dan zal men niet het ongeluk beleven, waarover de geestelijkheid somtijds zelfs in katholieke streken te klagen heeft, dat er in het geheel niemand is om bij het verheven offer te antwoorden en te dienen.
10. Werken voor deelname van allen aan Misoffer en communie.
Werkt er vooral met uw grootste ijver voor, dat al de gelovigen het eucharistisch offer bijwonen. Om echter te bereiken, dat zij er rijkere vruchten van hebben, wekt ze geregeld op om op al de wettige wijzen, waarover wij boven geschreven hebben, godvruchtig aan het offer deel te nemen. Het verheven offer van het altaar is de voornaamste handeling van de eredienst; het behoort dus ook de bron en als het ware het middelpunt te zijn van de christelijke godsvrucht. Houdt het er voor, dat gij uw apostolische ijver nooit genoegzaam voldaan hebt dan alleen als gij uw kinderen in zeer groten getale ziet naderen tot het hemels gastmaal, dat het geheim van vadergoedheid, het teken van eenheid, de band van liefde is. Vgl. H. Augustinus, In Iohannis Evangelium Tractatus. 26, 18
11. Preken, geschriften, cursussen, liturgische weken.
Om echter te maken, dat het christenvolk in staat is, in steeds rijker overvloed deze bovennatuurlijke gaven te verwerven, moet gij het door daarop berekende preken en vooral door cursussen van conferenties en voordrachten, door studieweken en andere dergelijke middelen met zorg onderrichten over de schatten van godsvrucht, die de heilige Liturgie bevat. Hierbij zullen ongetwijfeld de leden van de Katholieke Actie te uwer beschikking zijn, want dezen zijn altijd bereid om aan de hiërarchie hun medewerking te verlenen ter bevordering van het rijk van Jezus Christus.
12. Waakzaamheid tegen het insluipen van moderne dwa­lingen: mysticisme, quietisme, gnosticisme, vals humanisme.
Maar het is volstrekt noodzakelijk, bij dit alles zeer waakzaam toe te zien, dat de vijand niet op de akker van de Heer komt en onkruid zaait onder de tarwe Vgl. Mt. 13, 24-25 , d.w.z. dat bij uw kudden niet binnensluipen die spitsvondige en verderfelijke dwalingen: een vals mysticisme en een schadelijk quietisme, dwalingen, die, zoals gij weet, reeds door ons veroordeeld zijn. Paus Pius XII, Encycliek, Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus, Mystici Corporis Christi (29 juni 1943), 87-88 Evenzo moet gij er voor waken, dat de zielen zich niet laten verleiden door een gevaarlijk humanisme en dat ook niet een valse leer wordt ingevoerd, die tot zelfs de notie van het katholiek geloof vervalst, en evenmin ten slotte een overdreven archeologisme op liturgisch gebied. Waakt met even grote zorg tegen de verbreiding van de valse meningen van hen, die ten onrechte denken en leren, dat de verheerlijkte menselijke natuur van Christus in werkelijkheid en altijd door haar tegenwoordigheid woont in hen "die gerechtvaardigd zijn" of ook, dat één enige en zelfde genade Christus verbindt met de ledematen van Zijn mystiek Lichaam.
Laat u nooit ontmoedigen door de moeilijkheden, die ontstaan, laat nooit uw herderlijke ijver zakken. "Blaast de bazuinen op Sion roept de menigte samen, verzamelt het volk, heiligt de gemeente, roept grijzen en kinderen en zuigelingen op" (l 2, 15-16), en wendt alle middelen aan om te verkrijgen, dat de christenen, die als levende ledematen verbonden zijn met hun goddelijk Hoofd, zich overal verdringen in de kerken en rond de altaren, door de genaden van de sacramenten verkwikt mogen worden en met Hem en door Hem het verheven offer mogen vieren en de verschuldigde eer mogen brengen aan de eeuwige Vader.

Document

Naam: MEDIATOR DEI ET HOMINUM
Over de Heilige Liturgie
Soort: Paus Pius XII - Encycliek
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 20 november 1947
Copyrights: © 1961, Ecclesia Docens 0156, uitg Gooi & Sticht, Hilversum
Vert.: F.A.J. van Nimwegen CssR
Bewerkt: 23 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam