• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

ELIA - VERKONDIGER VAN DE WAARHEID, VERWIJZEND NAAR DE ENIGE GOD
6e catechese in de reeks over het christelijk gebed

Dierbare broeders en zusters,

In de religieuze geschiedenis van het oude Israël hebben de profeten door hun onderricht en prediking een zeer aanzienlijke rol gespeeld. Onder hen springt de persoon van Elia naar voor, die God had doen opstaan om het volk tot bekering te brengen. Zijn naam betekent “de Heer is mijn God” en het is in overeenstemming met die naam dat heel zijn leven zich afspeelt, dat er helemaal aan gewijd is, in het volk de erkenning te wekken van de Heer als de ene God. Over Elia zegt Jezus Sirach: “Toen stond Elia op, een profeet als een vuur, en zijn woord brandde als een fakkel” (Sir. 48, 1). Met deze fakkel vindt Israël zijn weg naar God terug. In dienst van God, bidt Elia: hij roept de Heer aan opdat hij de zoon van een weduwe die hem onderdak gegeven had, weer tot leven brengt Vgl. 1 Kon. 17, 17-24 , hij schreeuwt tot God zijn ontmoediging en angst uit wanneer hij naar de woestijn vlucht, gezocht en ter dood veroordeeld door koningin Izebel Vgl. 1 Kon. 19, 1-4 , doch het is vooral op de berg Karmel dat hij heel zijn kracht als voorspreker ten toon spreidt: ten overstaan van heel Israël bidt hij de Heer dat Hij zich zou manifesteren en het hart van het volk bekeren. Het is de geschiedenis in hoofdstuk 18 van het Eerste Boek der Koningen, waarbij wij vandaag blijven stilstaan.

We bevinden ons in het Noordrijk, in de IXe eeuw voor Christus, ten tijde van koning Achab, op een ogenblik dat in Israël een toestand van openlijk syncretisme was ontstaan. Naast de Heer, aanbad het volk ook Baäl, de afgod die tot bedaren brengt en die – zo dacht men – regen gaf; om die reden werd hem de macht toegeschreven vruchtbaarheid te geven aan de velden en leven aan mensen en vee. Terwijl het beweerde de Heer te volgen, de onzichtbare en geheimvolle God, zocht het volk ook zekerheid bij een begrijpelijke en voorspelbare god, van wie het dacht vruchtbaarheid en welvaart te verkrijgen in ruil voor offers. Israël gaf toe aan de verleiding tot afgoderij, de voortdurende bekoring voor de gelovige, die de illusie koestert “twee heren” te kunnen “dienen” Vgl. Mt. 6, 24 Vgl. Lc. 16, 13 en de onuitvoerbare wegen van het geloof in de Almachtige te vergemakkelijken door zijn vertrouwen ook te stellen in een machteloze god door mensen gemaakt.

Het is precies om de bedrieglijke dwaasheid van zo een houding te ontmaskeren, dat Elia het volk van Israël laat verzamelen op de berg Karmel en het voor de noodzaak plaatst een keuze te maken: “Als Jahwe God is, volgt Hem dan; is het Baäl, volgt dan Baäl” (1 Kon. 18, 21). En de profeet, die drager is van Gods liefde, laat zijn volk ten overstaan van die keuze niet alleen, maar helpt het met een teken dat de waarheid zal openbaren: hij van de ene kant en de profeten van Baäl aan de andere kant, zullen een offer klaarmaken en bidden en de ware God zal zich manifesteren door met vuur te antwoorden dat het offer zal verteren. Zo begint de confrontatie tussen de profeet Elia en de volgelingen van Baäl, in feite tussen de Heer van Israël, God van heil en leven, en de zwijgende, onbestendige afgod die niets kan, noch ten goede noch ten kwade Vgl. Jer. 10, 5 . Zo begint de confrontatie tussen twee totaal verschillende manieren om zich tot God te richten en te bidden.
De profeten van Baäl roepen namelijk, zij maken zich druk, dansen en springen, zij raken zo in een toestand van vervoering dat zij hun lichaam kerven, “met zwaarden en speren, tot het bloed langs hun lijf droop” (1 Kon. 18, 28). Zij nemen toevlucht tot zichzelf om hun god aan te manen, zij stellen vertrouwen in hun eigen capaciteiten om zijn antwoord uit te lokken. Zo komt de bedrieglijke realiteit van de afgod naar boven: hij is door de mens bedacht als iets waarover men kan beschikken, dat men op eigen krachten kan beheren, waartoe men toegang krijgt vertrekkende van zichzelf en van zijn eigen levenskracht. Een afgod aanbidden sluit de persoon op in het exclusieve en wanhopige zoeken van zichzelf in plaats van diens hart open te stellen voor het Andere, voor een relatie die bevrijdt en uit de enge ruimte van zijn egoïsme doet treden om toegang te krijgen tot dimensies van liefde en wederzijdse gave. Het bedrog is zodanig dat de mens zich bij het aanbidden van een afgod verplicht voelt tot extreme handelingen, in de illusoire poging hem aan zijn eigen wil te onderwerpen. Daarom gaan de profeten van Baal zover dat zij zichzelf pijnigen, hun lichaam verwonden, in een gebaar dat dramatisch ironisch is: om een antwoord te krijgen, een teken van leven vanwege hun god, bedekken zij zich met bloed, bekleden zij zich symbolisch met de dood.
Het is een gebedshouding die zeer verschilt van die van Elia. Hij vraagt het volk naderbij te komen en betrekt het zo in zijn eigen activiteit en smeekgebed. De uitdaging die hij tot de profeten van Baäl gericht heeft, had tot doel het volk dat verdwaald was door afgoden te volgen, terug bij God te brengen: daarom wil hij dat Israël zich met hem verenigt, deelgenoot wordt van zijn gebed en van wat komen gaat. Vervolgens richt de profeet een altaar op, gebruik makend van, zoals de tekst zegt, “twaalf stenen, overeenkomstig het aantal stammen van de zonen van Jakob, tot wie Jahwe gezegd heeft: ‘Israël zult gij heten’.” (1 Kon. 18, 31). Deze stenen vertegenwoordigen heel Israël en zijn de tastbare herinnering aan de geschiedenis van uitverkiezing, voorliefde en heil waarvan het volk het voorwerp geweest was. Het liturgische gebaar van Elia heeft een doorslaggevende draagwijdte; het altaar is de heilige plaats die wijst op de aanwezigheid van de Heer, maar de stenen die het altaar vormen, vertegenwoordigen het volk dat nu, door bemiddeling van de profeet, symbolisch tegenover God geplaatst wordt, dat “altaar” wordt, plaats voor de offergave en het offer.
Doch het symbool moet realiteit worden, Israël moet de ware God erkennen en zijn identiteit als volk van de Heer terugvinden. Daarom vraagt Elia aan God dat Hij zich zou manifesteren. De twaalf stenen die Israël moesten herinneren aan zijn waarheid, dienen eveneens om de Heer te herinneren aan Zijn trouw, die de profeet in zijn gebed inroept. De woorden van zijn aanroeping zijn rijk aan betekenis en geloof: “Jahwe, God van Abraham, Isaak en Israël, toon heden dat Gij God zijt in Israël en dat ik, uw dienaar, dit alles op uw bevel gedaan heb. Geef antwoord Jahwe, geef antwoord, opdat dit volk erkent dat Gij, Jahwe, de ware God zijt, en keer zo hun hart weer tot U” (1 Kon. 18, 36-37) Vgl. Gen. 32, 36-37. Elia richt zich tot de Heer en noemt Hem God van de vaderen, zo maakt hij impliciet allusie op de Goddelijke beloften en de geschiedenis van de uitverkiezing en het verbond die de Heer onlosmakelijk met Zijn volk verenigd heeft. God neemt zodanig deel aan de geschiedenis van de mensen, dat Zijn Naam voortaan onafscheidelijk verbonden is met die van de aartsvaders. De profeet spreekt deze heilige Naam uit opdat God het zich zou herinneren en trouw zou zijn, maar ook opdat Israël zich door die Naam zou aangesproken voelen en zijn trouw zou hervinden. De Goddelijke titel, door Elia uitgesproken, verwondert namelijk een beetje. In plaats van de gewone formule te gebruiken, “God van Abraham, Isaak en Jakob”, gebruikt hij een minder gebruikelijke: “God van Abraham, Isaak en Israël”. Het gebruik van de naam “Jakob” die deze van “Israël” vervangt, doet denken aan de strijd van Jakob aan de Jabbok en aan de naamsverandering waar de verteller expliciet naar verwijst Vgl. Gen. 32, 31 en waarover ik in één van de Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Het gevecht van Jakob met God
4e catechese in de reeks over het christelijk gebed
(25 mei 2011)
gesproken heb. Deze vervanging krijgt in de aanroeping van Elia een belangrijke betekenis. De profeet is aan het bidden voor het volk van het Noordrijk, dat precies Israël heette, en zich onderscheidde van Juda, de naam die verwijst naar het Zuidrijk. En nu wordt dit volk, dat zijn oorsprong en bevoorrechte relatie met de Heer blijkbaar vergeten is, bij zijn naam geroepen terwijl Gods naam genoemd wordt - God van de aartsvader en God van het volk: “Heer, God (...) van Israël, toon heden dat Gij God zijt in Israël”.
Het volk waarvoor Elia bidt, wordt met zijn waarheid geconfronteerd en de profeet vraagt dat ook de waarheid van de Heer zich zou manifesteren, dat Hij zou optreden om Israël te bekeren door het los te maken van het bedrog der afgoderij en het zo naar het heil te leiden. Wat hij nastreeft is dat het volk uiteindelijk ten volle zou weten wie zijn God werkelijk is, en de beslissende keuze zou maken Hem te volgen, Hem alleen, de ware God. Want alleen zo wordt God erkend voor wat Hij is, absoluut en transcendent, zonder dat andere goden naast Hem kunnen staan die Hem niet als absoluut zouden erkennen, die Hem zouden relativeren. Dat is het geloof dat Israël tot volk van God maakt; dat is het geloof dat beleden wordt in de bekende tekst Shema' Israel: “Luister, Israël, Jahwe is onze God, Jahwe alleen! Gij moet Jahwe uw God beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en met al uw krachten” (Deut. 6, 4-5). Op het absolute van God moet de gelovige antwoorden met een absolute, totale liefde die heel zijn leven, al zijn krachten, zijn hart engageert. En het is juist voor het hart van zijn volk, dat de profeet in zijn gebed bekering afsmeekt: “opdat dit volk erkent dat Gij, Jahwe, de ware God zijt, en keer zo hun hart weer tot U” (1 Kon. 18, 37). Elia vraagt God door zijn voorspraak wat God zelf verlangt te doen, zich in heel Zijn barmhartigheid te manifesteren, trouw aan Zijn werkelijkheid als Heer van het leven, die vergeeft, bekeert, omvormt.
En dat is wat gebeurt: “Toen sloeg het vuur van Jahwe neer, verteerde het brandoffer, het hout, de stenen en het stof; het likte zelfs het water in de geul op. Toen de mensen dit zagen, wierpen ze zich voorover op de grond en riepen: ‘Jahwe is de ware God! Jahwe is de ware God!’ “ (1 Kon. 18, 38-39). Het vuur, dat element dat zowel noodzakelijk als verschrikkelijk is, verbonden met de Goddelijke manifestaties van het brandende braambos en de Sinaï, dient nu als teken van Gods liefde die het gebed beantwoordt en zich aan Zijn volk openbaart. Baäl, de zwijgende en machteloze god, had de aanroepingen van zijn profeten niet beantwoord: de Heer daarentegen antwoordt en verteert zonder enige twijfel niet alleen het brandoffer maar gaat zover dat Hij al het water verteert dat rond het altaar uitgegoten was. Israël kan niet meer twijfelen: de Goddelijke barmhartigheid is voorafgegaan aan zijn zwakheid, zijn twijfels, zijn gebrek aan geloof. Nu is Baäl, de ijdele afgod, overwonnen en het volk dat verloren leek, heeft de weg naar de waarheid teruggevonden, het heeft ook zichzelf teruggevonden.
Dierbare broeders en zusters, wat zegt ons deze geschiedenis uit het verleden? In hoever is deze geschiedenis actueel? Voor alles, gaat het over de prioriteit van het eerste gebod: alleen God aanbidden. Daar waar God verdwijnt, vervalt de mens tot slavernij aan afgoden, zoals totalitaire regimes in onze tijd hebben aangetoond en zoals ook verschillende vormen van nihilisme aantonen die de mens afhankelijk maken van idolen, afgoden die hem herleiden tot de toestand van slavernij. Ten tweede, het belangrijkste doel van het gebed is bekering: Gods vuur dat ons hart omvormt en bekwaam maakt God te zien en zo naar God te leven en voor de andere te leven. Ten derde, de Kerkvaders zeggen ons dat deze geschiedenis van een profeet ook profetisch is, indien zij – zo zeggen ze – de voorafschaduwing is van de toekomst, van de toekomstige Christus; het gaat om een stap op weg naar Christus. En zij zeggen ons dat wij hier het ware vuur van God zien: de liefde die de Heer tot op het kruis brengt, tot de totale gave van zichzelf. Ware aanbidding van God is dan zichzelf aan God en aan de mensen geven, ware aanbidding is liefde. En ware aanbidding van God vernietigt niet, doch vernieuwt, transformeert. Zeker, Gods vuur, het vuur van de liefde brandt, transformeert, zuivert, maar juist zo vernietigt het niet doch schept het de waarheid van ons wezen, herschept het ons hart. En zo, echt levend door de genade van het vuur van de Heilige Geest, van de liefde van God, zijn wij aanbidders in geest en waarheid.

Document

Naam: ELIA - VERKONDIGER VAN DE WAARHEID, VERWIJZEND NAAR DE ENIGE GOD
6e catechese in de reeks over het christelijk gebed
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 15 juni 2011
Copyrights: © 2011, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam