• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET GEVECHT VAN JAKOB MET GOD
4e catechese in de reeks over het christelijk gebed

Beste broeders en zusters,

Vandaag wil ik graag met u nadenken over een tekst uit het boek Genesis die een eerder ongewone gebeurtenis uit het leven van de aartsvader Jakob vertelt. Deze passage kan men niet gemakkelijk verklaren, maar ze is wel belangrijk voor ons geloof en gebedsleven. Het gaat om het verhaal van de worsteling met God op de doorwaadbare plaats bij de Yabboq, waarvan we een fragment hebben gehoord.

Zoals u zich zal herinneren, had Jakob aan zijn tweelingbroer Esau het eerstgeboorterecht ontfutseld in ruil voor een bord linzenbrij. Daarna had hij met een list de zegen van zijn bejaarde vader Isaak afgetroggeld door misbruik te maken van diens blindheid. Hij vluchtte voor de woede van Esau en had zijn toevlucht gezocht bij Laban, een bloedverwant. Daar was hij gehuwd, was rijk geworden en ging nu terug naar zijn geboortestreek, bereid om zijn broer te trotseren. Hij was een voorzichtig man en daarom had hij een aantal voorzorgen genomen. Maar als alles klaar is voor die ontmoeting, laat hij zijn hele gezelschap de doorwaadbare plaats bij de bergrivier oversteken, waar die het territorium van Esau afbakende. Jakob blijft alleen achter en wordt plots aangevallen door een onbekende met wie hij een hele nacht worstelt. Juist dit lijf-aan-lijfgevecht - dat we vinden in hoofdstuk 32 van het boek Genesis Vgl. Gen. 32 - wordt voor hem een persoonlijk ervaren van God.

De nacht is de gunstige tijd om iets uit te voeren wat verborgen moet blijven. Voor Jakob is het dus het beste ogenblik om binnen te dringen op het domein van zijn broer zonder te worden gezien. Ongetwijfeld heeft hij ook de illusie Esau bij verrassing te overvallen. Maar hijzelf is het die wordt verrast door een plotse aanval waar hij niet op voorbereid was. Hij had op zeker gespeeld om aan een gevaarlijke situatie te ontsnappen. Hij dacht alles onder controle te kunnen houden. Nu moet hij integendeel een mysterieus gevecht aangaan dat hem in zijn alleen-zijn overvalt en dat hem niet de kans geeft een aangepaste verdediging op te bouwen. Weerloos en bij nacht vecht aartsvader Jakob tegen iemand.De tekst omschrijft de aanvaller niet duidelijk, er wordt een Hebreeuws woord gebruikt dat “een mens” (een soortnaam dus) betekent, een “iemand“. Het gaat dus om een vage aanduiding, niet bepalend, die opzettelijk de aanvaller in het duister houdt. Het is nacht. Jakob slaagt er niet in zijn tegenstander goed te zien. Voor de lezer, ook voor ons dus, blijft hij onbekend. Iemand stelt zich tegenover de aartsvader en dat is de enige zekerheid die de verteller verstrekt. Slechts bij het einde, wanneer het gevecht beëindigd zal zijn en “iemand” verdwenen zal zijn, geeft Jakob hem een naam en zal hij kunnen zeggen dat hij gevochten heeft met God.

De episode speelt zich af in het duister. We kunnen niet alleen moeilijk waarnemen wie de aanvaller van Jakob is, maar evenmin het verloop van het gevecht. Wanneer we de passage lezen, is het niet duidelijk om uit te maken wie van de twee tegenstanders aan de winnende hand is. De gebruikte werkwoorden staan dikwijls zonder onderwerp en de actie speelt zich af op een bijna tegenstrijdige manier. Als men meent dat een van beiden de overhand haalt, spreekt de volgende handeling onmiddellijk de feiten tegen en stelt de andere voor als overwinnaar. Bij de aanvang schijnt Jakob inderdaad de sterkste te zijn en de tegenstander - zegt de tekst - “overmeesterde hem niet”. (Gen. 32, 26) En toch treft hij Jakob aan de spier van het heupgewricht en veroorzaakt daardoor een ontwrichting. Men zou dan denken dat Jakob op het punt staat te bezwijken, maar integendeel, het is de andere die hem vraagt hem los te laten. Doch de aartsvader weigert en voegt er een voorwaarde aan toe: “Ik laat u niet gaan wanneer gij mij niet zegent“ (Gen. 32, 27) Hij die met een list zijn broer de zegen heeft ontroofd die toekwam aan de oudste, maakt er nu aanspraak op tegenover een onbekende. Ongetwijfeld begint hij in hem de goddelijke trekken te ontdekken, zonder ze al werkelijk te herkennen.
Zijn rivaal schijnt dan in een greep gehouden en dus verslagen door Jakob. Maar in de plaats van toe te geven aan het verzoek van de aartsvader, vraagt hij hem naar zijn naam. “Wat is uw naam?“, en de aartsvader antwoordt “Jakob”. (Gen. 32, 28) Hier neemt het gevecht een belangrijke wending. Iemands naam kennen houdt inderdaad ook een vorm van macht in over die persoon. Want volgens de manier van denken van de bijbel bevat de naam het diepste wezen van het individu en het ontsluiert hem het geheim van zijn bestemming. Zijn naam kennen wil dan zeggen de waarheid over de andere kennen en dat stelt hem in staat te kunnen overheersen. Wanneer op vraag van de onbekende Jakob dus zijn naam bekend maakt, geeft hij zich in de handen van zijn tegenstander over. Het is een vorm van opgave van de strijd en zich totaal aan de andere over te leveren.
Maar in die daad van overgave blijkt paradoxaal genoeg Jakob dan weer de overwinnaar te zijn, want hij krijgt een nieuwe naam. En die naam duidt ook aan dat zijn tegenstander zijn overwinning erkent, want die zegt: “Voortaan zult gij geen Jakob meer heten, maar Israël, want gij hebt met God gestreden en met mensen en gij hebt hen overwonnen” (Gen. 32, 29) “Jakob” was een naam die herinnert aan de twijfelachtige levensstart van de aartsvader. In het Hebreeuws verwijst de naam inderdaad naar het woord “hiel“ en brengt de lezer terug naar de geboorte van Jakob. Toen hij de moederschoot verliet, hield hij de hiel van zijn tweelingbroer in de hand. Vgl. Gen. 25, 26 Het leek wel een voorafbeelding van het overgaan naar het eerstgeboorterecht ten nadele van zijn broer, een daad die hij als volwassene inderdaad volbracht. Maar de naam Jakob verwijst ook naar de werkwoorden “bedriegen, verdringen”. Welnu, op dat moment tijdens de worsteling laat de aartsvader - door zich nu eens te herpakken, dan weer zich over te geven - aan zijn tegenstander zien wie hij is, namelijk een bedrieger die de anderen verdringt.Doch de andere - die God is - hervormt die negatieve realiteit tot een positieve. Jakob, de bedrieger, wordt Israël. Een nieuwe naam wordt hem gegeven en merkt hem met een nieuwe realiteit. Doch ook hier behoudt het verhaal een gewilde dubbelzinnigheid, want de meest waarschijnlijke betekenis van de naam Israël is “God is sterk, God triomfeert”.
Jakob heeft dus gezegevierd, hij heeft gewonnen. De tegenstander beaamt het zelf. Maar zijn nieuwe identiteit die hem geschonken is door zijn tegenstander, bevestigt en getuigt over de overwinning van God. Wanneer Jakob op zijn beurt de naam van de tegenstander vraagt, zal die weigeren hem die te zeggen, maar hij openbaart zich in een ondubbelzinnig gebaar: hij geeft hem zijn zegen. Die zegening had de aartsvader gevraagd bij het begin van de strijd. Nu wordt die hem toegekend. Deze keer is het niet een zegen die bekomen wordt door bedriegerij, maar een die zomaar gegeven wordt door God. En Jakob kan die ontvangen omdat hij nu alleen is, zonder bescherming, zonder sluwheid of bedriegerijen. Hij komt tot bedaren zonder zich te verdedigen, hij aanvaardt zich over te geven en de waarheid over zichzelf te bekennen. Aan het einde van het gevecht kan de aartsvader de zegen ontvangen en eindelijk de andere erkennen als de God van de zegening: “Want - zegt hij - ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en ik ben toch in leven gebleven”. (Gen. 32, 31) Nu kan hij het wed oversteken, want hij draagt een nieuwe naam met zich mee, maar hij is “overwonnen” door God en voor altijd gemerkt: kreupel als gevolg van de opgelopen verwonding.
De verklaringen die de bijbel-exegese kan geven bij deze passage zijn van verschillende aard. Daarin herkennen de vorsers meestal de bedoelingen en ook de literaire genres waaruit ze samengesteld is, evenals de verwijzingen naar een aantal populaire verhalen. Maar wanneer die elementen opnieuw worden bestudeerd door gewijde schrijvers en opgenomen in het hele Bijbelverhaal, veranderen ze van betekenis en de tekst neemt bredere dimensies aan. Dan biedt de episode van de worsteling bij de Yabboq zich aan de gelovige aan als een paradigma, waar elk onderdeel kan vervangen worden door een ander met de werkelijke betekenis. Dan vertelt het volk Israël over zijn eigen oorsprong en brengt zijn manier van omgaan aan het licht in zijn heel bijzondere relatie tussen God en de mens. Daarom wordt ook bevestigd in de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
: “... heeft de geestelijke traditie van de Kerk uit dit verhaal het symbool van het gebed als strijd van het geloof en overwinning van de volharding weerhouden.“ Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2573 De Bijbeltekst spreekt over de lange nacht van het zoeken naar God, over de worsteling om zijn naam te kennen en zijn gelaat te zien. Het is de nacht van het gebed dat met taaie volharding om zijn zegen vraagt en om een nieuwe naam, een nieuwe manier van zijn die de vrucht is van bekering en van vergiffenis.
De nacht van Jakob aan het wed van de Yabboq wordt zo voor de gelovige een verwijzingspunt om de relatie met God te begrijpen die in het gebed haar hoogste uiting vindt. Het gebed vraagt vertrouwen, nabijheid, bijna een lichaam-aan-lichaamsymboliek, niet met een God als tegenstander, maar met een zegenende Heer die altijd mysterieus blijft, die ontoegankelijk aanwezig is. Daarom gebruikt de schrijver het symbool van de worsteling die een krachtige geest, volharding en koppigheid vereist om te bekomen wat men verlangt. En als het voorwerp van het verlangen de relatie met God is, zijn zegen en zijn liefde, dan moet het gevecht wel zijn hoogtepunt bereiken in de gave van zichzelf aan God in de erkenning van de eigen zwakheid. En precies die erkenning brengt de mens in de gesteltenis om zich in de barmhartige handen van God over te leveren.
Beste broeders en zusters, heel ons leven is als een lange nacht van strijd en gebed, die we moeten doorbrengen met het verlangen Gods zegen af te smeken.Die kan niet worden afgedwongen of verdiend door te rekenen op eigen kracht, maar die moet nederig aanvaard worden uit zijn handen als een onverdiende gave die ons uiteindelijk in staat stelt het gelaat van de Heer te herkennen. Als dat gebeurt, verandert heel ons mens zijn, we krijgen een nieuwe naam en de zegen van God. En nog meer: Jakob, die een nieuwe naam krijgt, wordt nu Israël. Hij geeft eveneens een nieuwe naam aan de plaats waar hij heeft gevochten met God en waar hij tot Hem heeft gebeden. Hij noemt die plaats Peniël wat “Gelaat van God” betekent. Hij verklaart die grond heilig door er de herinnering aan die geheimzinnige ontmoeting met God als een stempel op te drukken. Wie zich door God laat zegenen, wie zich overlevert aan Hem, wie zich laat omvormen door Hem, laat ook die zegen op de aarde neerdalen. Moge de Heer ons helpen om de goede strijd van het geloof te voeren Vgl. 1 Tim. 6, 12 Vgl. 2 Tim. 4, 7 en in ons gebed te vragen dat Hij ons nieuw zou maken in afwachting zijn Gelaat te zien. Dank u.

Document

Naam: HET GEVECHT VAN JAKOB MET GOD
4e catechese in de reeks over het christelijk gebed
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 25 mei 2011
Copyrights: © 2011, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam