• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

ABRAHAMS BIDDEN
3e catechese in de reeks over het christelijk gebed

Beste broeders en zusters,

Tijdens de laatste twee catecheses (Red.: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Het gebed
1e catechese in de reeks over het christelijk gebed
(4 mei 2011)
en Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Homo reliogiosus
2e catechese in de reeks over het christelijk gebed
(11 mei 2011)
) hebben we nagedacht over het gebed als universele praktijk die - weliswaar onder verschillende vormen - aanwezig is in de culturen van alle tijden. Maar vandaag zou ik willen beginnen aan een Bijbelse weg over dat thema. Het zal ons helpen om de dialoog tussen God en de mens dieper te doorgronden. De dialoog bezielt de heilsgeschiedenis tot aan het hoogtepunt, tot aan het uiteindelijke woord dat Jezus Christus is. Deze weg zal ons steeds verder voeren, zodat we kunnen stilstaan bij bepaalde belangrijke teksten en bij voorbeeldfiguren uit het Oude en het Nieuwe Testament. Het zal Abraham zijn, de grote aartsvader, vader van alle gelovigen Vgl. Rom. 4, 11-12.16-17 die ons een eerste manier van bidden zal aanreiken in de periode waar hij ten beste spreekt voor de steden Sodom en Gomorra. En ik zou u ook willen uitnodigen om een nuttig gebruik te maken van die weg die we zullen volgen in de loop van de komende onderrichten. Zo zal u beter de Bijbel leren kennen die u - naar ik hoop - bij u heeft. Neem de tijd om erin te lezen en al biddend erover na te denken, om zo de wonderbare geschiedenis te kennen van de betrekkingen tussen God en de mens, tussen God die zich aan ons openbaart en de mens die antwoordt, die bidt.

De eerste tekst waarover we samen willen nadenken, vinden we in hoofdstuk 18 van Genesis Vgl. Gen. 18, 16-33 . Er wordt verteld dat de wreedheid van de bewoners van Sodom en Gommora een toppunt had bereikt. Het was zo erg dat een tussenkomst van God nodig was om het onheil af te wenden dat die steden zou verwoesten. Op dat moment komt Abraham tussenbeide met zijn smeekbede. God besluit hem te onthullen wat er gaat gebeuren en hem de zwaarte van het kwaad met zijn verschrikkelijke gevolgen te leren kennen. Abraham is immers zijn uitverkorene. Hij werd verkozen om de vader van een groot volk te worden en de zegen van God de hele wereld te doen bereiken. Zijn zending is een boodschap van heil te brengen dat een antwoord moet geven op de zonde die in het leven van de mens is binnengedrongen. Door hem wil de Heer de mens terugbrengen naar het geloof, naar de gehoorzaamheid, naar de gerechtigheid. En daar stelt die vriend van God zich open voor de realiteit en de behoeften van de wereld. Hij bidt voor hen die zich gedragen op een manier om gestraft te worden en hij vraagt dat ze zouden worden gered.
Abraham brengt dadelijk het probleem naar voor in heel zijn zwaarte. Hij zegt tegen de Heer:” “Wilt Gij werkelijk met de boosdoeners ook de rechtvaardigen verdelgen? Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij die dan verdelgen? Zult Gij de stad geen vergiffenis schenken omwille van de vijftig rechtvaardigen die er wonen? Zoiets kunt Gij toch niet doen: de rechtvaardigen samen met de boosdoeners laten sterven! Dan zou het de rechtvaardigen vergaan als de boosdoeners; dat kunt Ge toch niet doen. Zal Hij die de hele aarde oordeelt, geen recht doen?” (Gen. 18, 23-25) Heel moedig oppert Abraham voor God dat het nodig is om een al te eenvoudige rechtspraak te vermijden: als de stad schuldig is, is het juist de misdaden te veroordelen en een straf op te leggen. Maar, voegt de grote aartsvader er duidelijk aan toe, het zou niet juist zijn zo lukraak alle inwoners te straffen. Als er onschuldigen zijn in de stad, kunnen die niet als schuldigen worden behandeld. God, die een rechtvaardige rechter is, kan zo niet handelen, zegt Abraham terecht tegen God.
Maar wanneer we de tekst met nog meer aandacht lezen, realiseren we ons dat het verzoek van Abraham nog ernstiger is en nog meer ten gronde gaat, want hij beperkt zich niet tot het vragen om redding van de onschuldigen. Abraham vraagt de redding voor heel de stad en dat doet hij door zich te beroepen op de gerechtigheid van God. Hij zegt inderdaad tegen de Heer: “En zult ge de stad geen vergiffenis schenken omwille van de 50 rechtvaardigen die er wonen?” (Gen. 18, 24, b) Terwijl hij zo onderhandelt, brengt hij een nieuwe idee over rechtvaardigheid naar voor. Die beperkt zich niet tot het straffen van de schuldigen, zoals de mensen doen, maar het is een heel andere rechtvaardigheid, een goddelijke, die naar het goede zoekt en dat ook krachtiger maakt doorheen de vergiffenis die de zondaar hervormt, bekeert en hem redt. In zijn gebed roept Abraham dus niet om een rechtvaardigheid die louter belonend of bestraffend is, maar een ingrijpen van het heil dat rekening houdt met de onschuldigen ,maar ook de goddelozen bevrijdt van hun fout, terwijl het hen vergeeft. De idee van Abraham, die bijna paradoxaal lijkt, kan zo worden samengevat: men kan zeker niet de onschuldigen behandelen zoals de schuldigen - dat zou niet juist zijn - maar men moet integendeel de schuldigen behandelen lijk de onschuldigen. Dan zet men een hogere rechtvaardigheid in gang door hen een mogelijkheid van reddend heil aan te bieden. Want als de boosdoeners de vergiffenis van God aanvaarden en hun schuld bekennen door zich te laten redden, zullen ze niet langer het slechte blijven doen. Ook zij zullen dan rechtvaardig worden zonder dat het nodig zou zijn hen te straffen.
Zo zit het verzoek van Abraham in elkaar dat hij uitspreekt in zijn smeekgebed. Die vraag vindt haar grondslag in de zekerheid dat de Heer medelijdend is. Abraham vraagt aan God niet iets wat tegen zijn wezen zou ingaan. Hij klopt op de deur van Gods hart, omdat hij weet wat de Heer echt wil. Natuurlijk is Sodom een grote stad en vijftig rechtvaardigen lijken erg weinig. Maar kunnen de gerechtigheid van God en zijn vergeving juist niet de kracht van het goede aantonen, zelfs als het kleiner en zwakker lijkt dan het kwaad? De vernietiging van Sodom moest het toen aanwezige kwaad in de stad doen ophouden, maar Abraham weet dat God andere benaderingen en middelen heeft om een einde te stellen aan de uitbreiding van het kwaad. Het is de vergiffenis die de spiraal van de zonde onderbreekt. Precies dat is het waarop Abraham beroep doet in zijn gesprek met God. En wanneer de Heer aanvaardt te stad te vergeven als er zich vijftig rechtvaardigen bevinden, begint zijn smeekgebed omlaag te gaan tot in de afgronden van de goddelijke barmhartigheid. We weten immers hoe Abraham stelselmatig gaat afdingen op het aantal onschuldigen dat nodig is voor de redding: als er geen vijftig zijn, kunnen misschien vijfenveertig volstaan. En vervolgens altijd minder tot tien, terwijl hij steeds blijft volharden in zijn smeekbede, die bijna onbeschaamd wordt door zo’n aandrang: “Misschien zijn er maar veertig ..., dertig ...., twintig ...., tien...” Vgl. Gen. 18, 29.30.31.32 Hoe kleiner het aantal wordt, hoe groter de ontferming van God zich openbaart en tot uiting komt. Hij luistert geduldig naar het gebed, aanvaardt het en herhaalt bij elke smeekbede: “Ik zal het vergeven ..., Ik zal niet vernietigen ..., Ik zal het niet doen.” Vgl. Gen. 18, 26.28.29.30.31.32
Zo zou Sodom door de smeekbede van Abraham kunnen gered worden als men er slechts tien onschuldigen zou aantreffen. Zo sterk is de kracht van het gebed. Want doorheen het smeekgebed, het gebed tot God voor het heil van anderen, openbaart en uit zich de wens van het heil die God altijd aanwakkert in verband met de zondige mens. Het kwaad mag inderdaad niet worden goedgekeurd, het moet worden gemeld en uitgeroeid door de straf: de ondergang van Sodom had juist die bedoeling. Doch de Heer verlangt niet de dood van de zondaar, maar wel dat hij zich zou bekeren en leven. Vgl. Ez. 18, 23 Vgl. Ez. 33, 11 Het is altijd zijn verlangen hem vergiffenis te schenken, te redden, leven te geven, het kwaad tot goed om te vormen. Wel, het is juist dat goddelijk verlangen dat eveneens in het gebed het verlangen van de mens wordt en dat uitgedrukt wordt in de woorden van het gebed tot voorspraak. Met zijn smeekbede leent Abraham zijn stem, maar ook zijn hart uit aan de goddelijke wil. Het verlangen van God is mededogen, liefde en de komst van het heil. Dat verlangen heeft in Abraham en zijn gebed een mogelijkheid gevonden om zich op een concrete manier te uiten midden in de geschiedenis van de mens en daar aanwezig te zijn waar de genade nodig is. Langs de woorden van zijn gebed geeft Abraham een stem aan het verlangen van God. En dat is niet het vernietigen, maar het redden van Sodom, leven schenken aan de zondaar die zich bekeert.
Dat is het wat de Heer wil en zijn gesprek met Abraham is een voortzetting en een ondubbelzinnige uiting van zijn liefde die vol mededogen is. De noodzaak om rechtvaardige mensen te vinden in de stad wordt al minder en minder een eis. Uiteindelijk volstaan tien om de bevolking in haar geheel te redden. Waarom stopt Abraham aan tien? De tekst vermeldt het niet. Misschien is het een getal dat nodig is voor een samenkomst van een kerngroep (ook vandaag nog vormen tien personen het nodige quorum voor het Joodse publieke gebed). Wat er ook van zij, het gaat om een klein aantal, een kleine basis van waaruit men kan vertrekken om een grote ramp te vermijden. Maar men kan zelfs geen tien rechtvaardigen vinden in Sodom en Gomorra en de stad werd verwoest. Een verwoesting, waarvan de noodzaak paradoxaal genoeg in de overlevering bekend bleef door het smeekgebed van Abraham. Juist omdat het dat gebed is dat Gods wil tot redding aan het licht heeft gebracht: de Heer was geneigd om te vergeven, Hij verlangde het te doen, maar de steden waren te sterk opgesloten in een totaal en verlammend kwaad, zonder zelfs een klein aantal rechtvaardigen van waaruit kon worden overgegaan om kwaad om te vormen tot goed. Want het is juist die heilsweg die Abraham hem ook vroeg: gered worden betekent niet alleen ontsnappen aan de straf, maar bevrijd worden van het kwaad dat in ons woont. Het is niet de straf die men moet uitschakelen, maar de zonde, die afwijzing van God en de liefde, die reeds de straf in zich draagt. De profeet Jeremia zal tegen het opstandige volk zeggen: “Uw eigen misdaad straft u; uw ontrouw kastijdt u. Besef dus hoe slecht en bitter het is Jahwe uw God te verlaten.” (Jer. 2, 19) Van die droefheid en die bitterheid wil de Heer de mens verlossen door zijn zonde te vergeven. Maar dat vergt dan een omvorming van het innerlijke, ergens een steunpunt van goedheid vinden, een begin van waaruit men kan vertrekken om kwaad naar goed om te buigen, haat naar liefde, wraak naar vergeving. Daarom moeten er rechtvaardigen aanwezig zijn binnen de stadsmuren. Abraham herhaalt met aandrang: “Misschien zou men er daar vinden.” 'Daar' betekent aan de binnenkant van de zieke werkelijkheid waar men een kiem van goedheid moet vinden die genezing kan brengen en het leven terugschenken. Dat woord richt zich ook tot ons: dat er zich in onze steden “een kiem van goedheid” zou aanwezig zijn en dat we alles zouden doen opdat er niet slechts tien rechtvaardigen zouden zijn om onze steden echt te doen leven en overleven. En om ons te verlossen van die bitterheid waarrond de afwezigheid van God hangt. In de zieke situatie van Sodom en Gomorra was die ‘kiem van goedheid’ niet aanwezig.
Maar doorheen de geschiedenis van zijn volk wordt de barmhartigheid van God nog veel groter. Waar er om Sodom te redden tien rechtvaardigen nodig waren, zal de profeet Jeremia in naam van de Almachtige zeggen dat er één enkele rechtvaardige nodig is om Jeruzalem te redden. “Loop de straten van Jeruzalem door, kijk goed uit, zoek de pleinen af. Als ge ook maar iemand kunt vinden, die zijn plichten vervult en oprecht wil leven, dan vergeef Ik de stad.” (Jer. 5, 1) Het aantal is nog kleiner geworden, de goedheid van God toont zich nog groter. En toch is dat nog niet voldoende, het overweldigende mededogen van God wordt niet beantwoord door goedheid en Jeruzalem valt onder de aanval van de vijand. Het is nodig dat God zelf die rechtvaardige wordt. Het is het geheim van de menswording. Om zeker te zijn dat er één rechtvaardige is, wordt Hij mens. Die rechtvaardige zal er dus altijd zijn, omdat Hij het is, maar het is nodig dat God zelf die rechtvaardige wordt. De oneindige en verrassende liefde van God zal zich volledig openbaren wanneer de Zoon van God zich mens maakt, de uiteindelijke Rechtvaardige, de volmaakte Onschuldige. Hij zal het heil brengen voor de wereld wanneer Hij sterft op het kruis, terwijl hij nog bezig is met verontschuldigen en Hij in gebed smeekt voor hen die “niet weten wat ze doen.” (Lc. 23, 24) Dan zal het gebed van ieder mens een antwoord krijgen, al onze smeekbeden zullen dan helemaal worden verhoord.

Beste broeders en zusters, moge het smeekgebed van Abraham, onze vader in het geloof ons leren om beter ons hart te openen voor het overvloedig mededogen van God. En ook om in ons dagelijks gebed het heil van onze medemens te verlangen en het te vragen met volharding en met vertrouwen in de Heer die groot is in de liefde. Dank u.

Document

Naam: ABRAHAMS BIDDEN
3e catechese in de reeks over het christelijk gebed
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 18 mei 2011
Copyrights: © 2011, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam