• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HOMO RELIOGIOSUS
2e catechese in de reeks over het christelijk gebed

Beste broeders en zusters,

Vandaag zou ik verder willen nadenken over de manier waarop gebed en religieus gevoel bij de mens horen in de loop van de geschiedenis.

In onze eeuw is het duidelijk hoe sterk de mensen op de wereld gericht zijn. God lijkt verdwenen aan de horizon van veel mensen of Hij is voor hen iets geworden wat onverschillig laat. Gelijktijdig zien we evenwel zeer vele tekenen die een herontwaken van het religieus gevoel aantonen, een eis van spiritualiteit, de noodzaak om een louter horizontale en materiële visie op het menselijk leven te overstijgen. Wanneer men de jongste geschiedenis bekijkt, stelt men het falen vast van hen die in de tijd van de Verlichting het verdwijnen van de religies voorspelden. Ze bejubelden een absolute rede, losgemaakt van het geloof, een rede die de duisternis van de godsdienstige leerstellingen moest verbrijzelen en “de wereld van het heilige“ in rook doen opgaan. Terwijl zou de rede aan de mens zijn vrijheid, zijn waardigheid en zijn onafhankelijkheid van God teruggeven. De ervaring van de laatste eeuw met twee tragische wereldoorlogen heeft die vooruitgang terug in vraag gesteld die deze autonome rede, de mens zonder God, scheen te kunnen waarborgen.

De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
bevestigt: “Door de schepping roept God ieder wezen van het niets tot het bestaan. Zelfs na de gelijkenis met God door de zonde te hebben verloren, blijft de mens geschapen naar Gods beeld. Hij behoudt het verlangen naar Hem die hem roept tot het bestaan. Alle godsdiensten getuigen over die essentiële zoektocht van de mens.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2566 We zouden kunnen zeggen - zoals ik heb aangetoond in mijn Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Het gebed
1e catechese in de reeks over het christelijk gebed
(4 mei 2011)
- dat er nooit een grote beschaving heeft bestaan die niet godsdienstig was, en dit vanaf de oudste tijden tot op onze dagen.

De mens is godsdienstig van natuur, hij is een ‘homo religiosus’ zoals hij ook een ‘homo sapiens’ en een ‘homo faber’ is. De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
bevestigt ook: “Gods verlangen staat gegrift in het hart van de mens, want de mens is geschapen door God en voor God.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 27 Het beeld van de Schepper is afgedrukt in zijn wezen. Hij voelt de noodzaak aan een licht te vinden dat een antwoord geeft op de vraagstukken die de diepe zin van de werkelijkheid aanbelangen; dat antwoord kan hij niet vinden in zichzelf of in de evolutie of in de empirische wetenschap. De ‘homo religiosus’ hoort niet uitsluitend thuis in de werelden van de oudheid, overal in de geschiedenis van de mensheid komt men hem tegen. Zo heeft het rijke domein van de menselijke ervaring verschillende vormen van godsdienstigheid zien geboren worden in een poging om een antwoord te vinden op het verlangen naar volheid en geluk, op de behoefte van het heil, op zoek naar zingeving. De moderne mens die alles tot getallen herleidt is net zoals de grotbewoner in de religieuze ervaring op zoek naar een middel om zijn eindigheid te overstijgen en zekerheid te brengen in zijn hachelijk aards avontuur. Ten andere, zonder een blik over de horizon zou het leven zijn volle betekenis verliezen. Ook het geluk waar we allen naar streven, wordt spontaan geprojecteerd op de toekomst in een morgen die nog tot stand moet komen. Het Tweede Vaticaans Concilie heeft in de verklaring 2e Vaticaans Concilie - Verklaring
Nostra Aetate
Over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten
(28 oktober 1965)
het op een overzichtelijke manier onderlijnd: “De mensen verwachten van de godsdiensten een antwoord op de verborgen raadsels van de situatie van de mens hier op aarde; raadsels die, gisteren en vandaag, grondig het mensenhart beroeren. Wat is de mens? Wat is de zin en het doel van het leven? Wat is goed en wat is zonde? Wat is de oorzaak en het doel van het lijden? Welke weg moeten we volgen om echt gelukkig te zijn? Wat is de dood, het oordeel en de beloning of vergelding na de dood? En wat is uiteindelijk dat laatste en onuitsprekelijk geheim dat ons bestaan omvat, van waaruit we onze oorsprong gekregen hebben en waarnaar we ons richten?” 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de houding van de Kerk tegenover niet-christelijke godsdiensten, Nostra Aetate (28 okt 1965), 1. De mens weet dat hij niet alleen kan beantwoorden aan die fundamentele nood om dat alles te begrijpen. Zelfs als hij de illusie had en die bleef koesteren dat hij zijn eigen zaken kon oplossen, wordt hij gewaar dat dat niet waar is. Hij voelt de behoefte om zich open te stellen voor iets anders, naar iets of naar iemand toe die hem zou kunnen geven wat hem ontbreekt. Hij moet uit zichzelf weggaan om naar Hem te gaan die in staat is om de wijdte en de diepte van zijn verlangen te vullen.

De mens draagt een dorst in zich naar het oneindige, een nostalgie naar de eeuwigheid, een zoeken naar schoonheid, een verlangen naar liefde, een nood aan licht en waarheid die hem voortstuwen naar het Absolute; de mens draagt in zich het verlangen naar God. De mens weet ook op een of andere manier dat hij zich tot God kan richten, hij weet dat hij tot Hem kan bidden. Sint Thomas van Aquino, een van de grootste theologen uit de geschiedenis, geeft volgende bepaling van het gebed: het is “de uitdrukking van het verlangen dat de mens heeft van God”. Deze aantrekkingskracht naar God toe, die God zelf in de mens heeft gelegd, is de geest van het gebed. En die kan vervolgens voorzien in heel veel vormen en gesteltenissen, die afhangen van de geschiedenis, de tijd, het ogenblik, de genade en zelfs de zonde van ieder die bidt. De geschiedenis van de mens heeft inderdaad verschillende gebedsvormen gekend. De mens heeft immers verschillende manieren om zich te richten naar de Andere en naar wat ligt aan de Overzijde. Zo kunnen we duidelijk het gebed erkennen als een ervaring die aanwezig is in elke godsdienst en cultuur.

Beste broeders en zusters, zoals we Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Het gebed
1e catechese in de reeks over het christelijk gebed
(4 mei 2011)
zagen, is het gebed inderdaad niet gebonden aan het gebruik van speciale woorden, maar het is gegrift in het hart van elke mens en van elke beschaving. Wanneer we spreken over het gebed als ervaring van de mens en des te meer die van de ‘homo orans’, moeten we natuurlijk in gedachte houden dat het een innerlijke houding is, eerder dan een reeks praktijken en formules. Het is een manier om voor God te staan eerder dan een voldoen aan het uitvoeren van bepaalde gebaren die bij een cultus horen, of het uitspreken van woorden. Het gebed heeft een kern en het laat zijn wortels doorgroeien tot in het diepste van de mens.Daarom kan men het niet gemakkelijk doorgronden en om dezelfde reden kan het verkeerd begrepen worden of aanleiding geven tot misleiding. In die zin kunnen we ook de uitdrukking begrijpen: bidden is moeilijk. Het gebed is inderdaad de plaats van de vrije keuze, van de drang naar het onzichtbare, van het onverwachte, van wat niet uitgesproken kan worden. Daarom is de ervaring van het gebed een uitdaging voor iedereen, een “ genade “ om af te smeken, een geschenk van Hem tot wie we ons richten.

In elke eeuw van de geschiedenis denkt de mens na over zijn gebed, over zijn plaats wanneer hij zich tot God richt, hoe het uitgaat van God en hoe hij in betrekking staat tot God.Hij ondervindt ook dat hij als schepsel hulp nodig heeft en hoe onmachtig hij is om op eigen krachten zijn bestaan en zijn hoop tot een goed einde te brengen. De filosoof Ludwig Wiitgenstein herinnerde ons eraan dat “bidden betekent dat de zin van de wereld buiten de wereld ligt”. In de bewogenheid van die relatie tot Hem die zin geeft aan het bestaan, met God dus, vindt het gebed een van zijn typische uitingen in het neerknielen. Het is een houding die op zichzelf genomen een radicale tweeledigheid bevat. Ik kan inderdaad gedwongen worden om te knielen - een houding van onvermogen en slavernij - maar ik kan ook spontaan knielen en zo mijn grenzen erkennen en dus mijn nood aan een Andere. Tegenover Hem beken ik zwak te zijn, behoeftig, “zondaar”. In de ervaring van het gebed spreekt het schepsel heel zijn zelfkennis uit en keert het zich helemaal naar het Wezen tegenover wie het zich bevindt. Het richt zijn geest naar dat mysterie waarvan het de vervulling van zijn diepste wensen verwacht en ook de hulp om de gebreken van zijn eigen leven te overstijgen. In het kijken naar de Andere, door zich te richten naar “de overzijde“ vindt men de essentie van het gebed als ervaring van een realiteit die alles wat “waarneembaar” en “beperkt” is, te boven gaat.
In elk geval wordt het duidelijk dat de mens in zijn zoektocht alleen tot zijn volle ontplooiing komt in God. Het gebed dat het hart opent en het tot God verheft, wordt dan een persoonlijke verhouding tot Hem. En zelfs indien de mens zijn Schepper vergeet, houdt de levende en waarachtige God niet op als eerste de mens te roepen naar de mysterieuze ontmoeting in het gebed. Dat bevestigt de Catechismus: “Die aanzet tot liefde van de getrouwe God is altijd eerst aanwezig in het gebed, de poging van de mens is altijd een antwoord erop. Naarmate God zich openbaart en zich doet kennen aan de mens, verschijnt het gebed als een wederzijds appel, een uitbeelding van het Verbond. Doorheen de woorden en de actie wordt het hart er sterk bij betrokken. Het ontsluiert zich doorheen heel de heilsgeschiedenis.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2567

Beste broeders en zusters, laten we leren om langer bij God te vertoeven, God, die zich openbaarde in Jezus Christus. Laten we leren in de stilte, in de intimiteit van ons innerlijk zijn stem te herkennen. Ze roept ons en brengt ons terug naar de diepte van ons bestaan, naar de bron van het leven, naar de oorsprong van ons heil, om ons de grens van ons leven te doen overstijgen en ons open te stellen voor de grootheid van God, voor de relatie tot Hem die oneindige Liefde is. Dank u.

Document

Naam: HOMO RELIOGIOSUS
2e catechese in de reeks over het christelijk gebed
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 11 mei 2011
Copyrights: © 2011, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 5 juni 2011

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam