• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De tafel van Gods woord
Wij weten heel goed dat de viering van de Eucharistie al van oudsher niet alleen gepaard ging met gebed, maar ook met lezing uit de heilige Schrift en met gezang door heel de gemeenschap. Om deze reden heeft men al heel lang op de mis de vergelijking kunnen toepassen die door de kerkvaders gemaakt is: over de twee tafels waarop de Kerk voor haar kinderen zowel het woord van God gereed maakt alsook de Eucharistie, dat wil zeggen: het brood des Heren. Vandaar dat wij nu moeten terugkeren tot het eerste gedeelte van het heilig mysteries dat in onze tijd meestal de liturgie van het woord wordt genoemd, om ook daar een ogenblik bij stil te staan.

De lezing van voor iedere dag aangegeven passages uit de heilige Schrift, is door het Concilie vastgesteld volgens nieuwe normen en behoeften. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 35.51 Vanwege deze richtlijnen van het Concilie is er een nieuw geheel van zulke lezingen samengesteld, waarin tot op zekere hoogte het beginsel is toegepast van de doorlopende lezingen, en waaraan ook de bedoeling ten grondslag heeft gelegen om alle heilige boeken toegankelijk te maken. Doordat bovendien de psalmen met de responsoria in de liturgie werden ingevoegd, worden de deelnemers meer vertrouwd gemaakt met de rijke schat aan gebeden en liederen van het Oude Testament. Daar komt bij dat deze teksten in de eigen taal van het land worden voorgelezen en gezongen, waardoor allen met meer begrip aan de liturgie kunnen deelnemen.

Toch zijn er ook mensen die, zorgvuldig opgevoed als zij zijn in de oude Latijnse liturgie het gemis ervaren van deze 'ene taal' waarin over de gehele wereld de eenheid van de Kerk tot uitdrukking kwam, en die door haar waardig karakter een diep gevoel voor het Eucharistisch mysterie opriep. Zulke gevoelens en verlangens dient men niet alleen maar welwillend en vriendelijk te bejegenen, maar men moet ze ook eerbiedigen en er voor zover dat kan aan tegemoet komen, zoals overigens ook door de nieuwe richtlijnen voorzien wordt. Vgl. Congregatie voor de Riten, Instructie omtrent het gebruik van de taal bij de viering van het goddelijk Officie en van de conventuele of communiteitsmis door de religieuzen, In edicendis normis (23 nov 1965), 17-18.19-20 Vgl. Congregatie voor de Riten, Over de muziek in de Heilige Liturgie, Musicam Sacram (5 mrt 1967), 48 Vgl. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Over de titel 'basilica minor', De titulo basilicae minoris (15 okt 1975), 8 Vgl. Congregatie voor de Eredienst en de Sacramenten, Notitie, De Missali Romano, Liturgia Horarum et Calendario (14 juni 1971), 4 De Kerk van Rome heeft immers ten opzichte van het Latijn, deze voortreffelijke taal van het oude Rome, bijzondere verplichtingen, en zij behoort dat, telkens wanneer de gelegenheid zich voordoet, ook te laten blijken.

Dikwijls worden de mogelijkheden die de na-Conciliaire vernieuwing met betrekking tot de liturgie van het woord heeft geschapen, zo te baat genomen dat wij getuigen en deelnemers worden in een echte viering van het woord Gods. Ook groeit het aantal mensen dat een actief aandeel heeft in deze viering. Er vormen zich groepen van lectoren en zangers, dikwijls ook 'scholae cantorum', van mannen en vrouwen die zich met veel ijver inzetten voor deze taak. Het woord van God, de heilige Schrift, komt aldus in veel Christelijke gemeenschappen opnieuw tot leven. De gelovigen die voor de liturgie zijn samengekomen, worden met gezang voorbereid op het luisteren naar het Evangelie dat met passende godsvrucht en liefdevolle zorg wordt verkondigd.

Wanneer dit alles met grote waardering en dankbaarheid kan worden vastgesteld, dient toch niet te worden vergeten dat er voor een volledige vernieuwing nog altijd iets anders nodig is. Daarvoor is namelijk tevens nodig een nieuw gevoel van verantwoordelijkheid ten opzichte van het Woord van God dat door de liturgie in de verschillende talen wordt overgebracht, iets wat zeker in overeenstemming is met het universele karakter en de doelstelling van het Evangelie. Die verantwoordelijkheid heeft ook betrekking op de manier waarop de afzonderlijke liturgische handelingen, het voorlezen en het zingen, worden uitgevoerd, waarbij ook de artistieke beginselen in acht genomen dienen te worden. Om deze handelingen te vrijwaren van iedere vorm van gekunsteldheid, moeten vaardigheid, eenvoud en waardigheid daarin zo tot uitdrukking komen dat in de manier zelf van voorlezen en zingen al het bijzondere karakter van de heilige tekst goed uitkomt. De eisen die uit dit vernieuwde verantwoordelijkheidsbesef ten aanzien van het woord van God in de liturgie voortvloeien, Vgl. H. Paus Paulus VI, Apostolische Constitutie, ex Decr. Sacr. Oec. Conc. Vat. II instauratum, auctoritate Pauli PP. VI promulgatum, ed. typica, Missale Romanum (3 apr 1969). "We are fully confident that both priests and faithful will prepare their minds and hearts more devoutly for the Lord's Supper, meditating on the scriptures nourished day by day with the words of the Lord": AAS 61 (1969), pp. 220f. gaan daarom nog dieper en raken tevens de innerlijke gesteldheid waarmee de bedienaren van het woord hun functie in de liturgische samenkomst vervullen. Vgl. Congregatie voor de Riten, Cæremoniale Episcoporum (17 aug 1886). De Institutione Lectorum et Acolythorum, 4, ed. typica, 1972, pp. 19f.

Deze verantwoordelijkheid strekt zich tenslotte ook uit tot de keuze van de teksten. Deze keuze is al gemaakt, en wel door het bevoegde kerkelijke gezag dat ook de gevallen heeft voorzien waarin lezingen gekozen kunnen worden die meer aan de bijzondere situatie zijn aangepast. Vgl. Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, Algemene Inleiding op het Romeins Missaal, Institutio Generalis Missalis Romani (26 mrt 1970), 319-320 Allen echter dienen er steeds aan te denken dat voor de lezingen in de mis alleen het woord van God gebruikt mag worden. Het gebruik van de heilige Schrift mag beslist niet vervangen worden door het voorlezen van andere teksten, hoe religieus en zedelijk hoogstaand die ook mogen zijn. Dergelijke lezingen kunnen daarentegen met veel nut verwerkt worden in de homilie. Want de homilie is voor het gebruik van zulke teksten heel geschikt, mits deze beantwoorden aan de noodzakelijke vereisten en voorwaarden wat betreft de leer. Het past immers bij de eigen aard van de homilie om onder andere de overeenstemming toe te lichten tussen de geopenbaarde goddelijke wijsheid en het voortreffelijke menselijke denken dat langs diverse wegen naar de waarheid zoekt.

De tafel van het Brood des Heren

Ook de tweede tafel van het eucharistisch mysteries de tafel van het brood des Heren, vraagt om een overeenkomstige overdenking in het licht van de liturgische vernieuwing van onze tijd. Dit is inderdaad een kwestie van het allergrootste belang, omdat het hierbij gaat om een bijzondere act van het levende geloof, ja om - zoals door schrijvers uit de eerste eeuwen wordt getuigd Vgl. Fr. J. Dolger, Das Segnen der Sinne mit der Eucharistie. Eine altchristliche Kommunionsitte: Antike und Christentum, t. 3 (1932), pp. 231-244; Das Kultvergehen der Donatistin Lucilla von Karthago. Reliquienkuss vor dem Kuss der Eucharistie, ibid., pp. 245-252. - een act van verering jegens Christus die zichzelf in de Eucharistische Communie onder de gedaante van voedsel schenkt aan ieder van ons, aan ons hart en ons geweten, aan onze lippen en onze mond. Daarom is juist op dit punt die waakzaamheid vereist waarover het Evangelie spreekt, zowel van de kant van de herders, die immers de verantwoordelijkheid dragen voor de eucharistische eredienst, alsook van de kant van het volk Gods, dat met name op dit gebied een wakkere en fijngevoelige 'geloofszin' Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 12.35 dient te hebben.

Ieder van u, eerbiedwaardige en dierbare broeders in het Bisschopsambt, zou ik deze kwestie op het hart willen binden. U op de eerste plaats bent het, die dit punt dient te betrekken in uw gemeenschappelijke zorg voor de kerken die u zijn toevertrouwd. Ik vraag u dit uit naam van die eenheid die wij van de Apostelen als erfdeel ontvangen hebben: uit naam van onze collegiale eenheid. Deze eenheid is zelf in zekere zin ontstaan aan de tafel van het brood des Heren bij het Laatste Avondmaal. Wil, gesteund en geholpen door uw broeders in het priesterschap, alles in het werk stellen wat in uw vermogen ligt om de sacrale waardigheid van het Eucharistisch mysterie en de geestelijke diepte van de Eucharistische Communie veilig te stellen. Dit vormt immers niet alleen een bijzonder goed van de Kerk als het volk van God, maar is tevens een bijzonder erfgoed voor ons, ons nagelaten door de Apostelen, door de verschillende liturgische tradities, en door zovele generaties van gelovigen die dikwijls heldhaftige getuigen waren voor Christus, gevormd in 'de school van het kruis' (van de verlossing) en van de Eucharistie. Wij dienen te bedenken dat de Eucharistie als de tafel van het brood des Heren een voortdurende uitnodiging is zoals trouwens ook blijkt uit de liturgische aansporing van de celebrant wanneer deze zegt: 'Zie het Lam Gods ... Zalig die genodigd zijn aan de maaltijd des Heren,' Vgl. Joh. 1, 29 Vgl. Openb. 19, 9 en ook uit de bekende gelijkenis uit het Evangelie over de gasten die werden uitgenodigd voor een bruiloftsmaal. Vgl. Lc. 14, 16. vv Maar laten wij ook bedenken dat velen zich in dat verhaal om allerlei redenen verontschuldigden en weigerden te komen.

Ook in onze Katholieke gemeenschappen zijn er die aan de Eucharistische Communie zouden kunnen deelnemen maar het niet doen, ofschoon zij daartoe door geen enkele zware zonde in hun geweten worden belemmerd. Maar eerlijk gezegd is deze, bij sommige mensen uit een al te grote strengheid voortvloeiende houding, in onze tijd veranderd, ofschoon zij ook nu nog hier en daar wordt aangetroffen. In werkelijkheid echter komt deze weigering, in plaats van uit een gevoel van onwaardigheid, veeleer voort uit een ergens tekortschietende innerlijke instelling, uit een gebrek aan Eucharistische 'honger' en 'dorst', als men deze uitdrukking zou mogen gebruiken, waaronder dikwijls een tekort schuilt aan voldoende waardering en begrip voor de aard van dit uitmuntende sacrament van liefde. De laatste jaren maken wij echter nog een ander verschijnsel mee. Soms komt het namelijk voor, en het gebeurt zelfs in veel gevallen, dat allen die aan de viering van de Eucharistie deelnemen ook te communie gaan, ofschoon men daarbij - ervaren herders bevestigen het - menigmaal niet de vereiste zorgzaamheid in acht genomen heeft om eerst het Sacrament van de Boete te ontvangen en zijn geweten te zuiveren. Nu kan dat inderdaad betekenen dat degenen die tot de tafel des Heren naderen, in hun geweten en volgens de objectieve wet van God niets vinden dat een belemmering vormt voor deze verheven en vreugdevolle daad van de sacramentele vereniging met Christus. Maar toch kan hier soms een andere opvatting achter schuilgaan: dat men namelijk de mis alleen maar ziet als een maaltijd Vgl. Congregatie voor de Goddelijke Eredienst, Algemene Inleiding op het Romeins Missaal, Institutio Generalis Missalis Romani (26 mrt 1970), 7-8 waaraan men deelneemt door het Lichaam van Christus te ontvangen met vooral de bedoeling zodoende uiting te geven aan de broederlijke gemeenschap. Hierbij kan dan nog gemakkelijk iets als menselijk opzicht komen, of eenvoudig het verlangen om 'zich aan te passen' aan de anderen.

Dit probleem vraagt derhalve van ons om een waakzame aandacht, en om een theologisch en pastoraal onderzoek dat dient te gebeuren vanuit een diep besef van onze verantwoordelijkheid in deze. Wij mogen immers beslist niet toestaan dat in het leven van onze gemeenschappen het goed verloren gaat van een fijngevoelig Christelijk geweten dat zich geheel en al laat leiden door de trouw jegens Christus die, wanneer Hij in de Eucharistie ontvangen wordt, in ieder van ons een waardig verblijf dient te vinden. Dit probleem hangt overigens niet alleen nauw samen met het sacrament van de boete, maar ook met een juist gevoel voor onze eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van heel de ons toevertrouwde zedelijke leer en het zorgvuldig onderscheid tussen goed en kwaad, want daaruit vloeit vervolgens voor ieder van de deelnemers aan de Eucharistie de norm voort voor een juiste beoordeling van zichzelf in de intimiteit van het eigen geweten. Heel bekend zijn immers de woorden van de heilige Paulus: 'Laat ieder zichzelf onderzoeken', (1 Kor. 11, 28) en een dergelijke beoordeling is een onmisbare voorwaarde voor ieders persoonlijke beslissing of hij tot de heilige Eucharistische Communie zal naderen of zich ervan zal onthouden.

De viering van de Eucharistie confronteert ons, wat de bedienaar van de eucharistische tafel betreft, met nog vele andere eisen. Sommige daarvan hebben alleen betrekking op de priesters en de diakens, andere betreffen allen die aan de liturgie van de Eucharistie deelnemen. De priesters en de diakens dienen zich te herinneren dat de dienst aan de tafel van het brood des Heren hen bijzondere verplichtingen oplegt, op de eerste plaats ten opzichte van Christus zelf, die in de Eucharistie aanwezig is, en vervolgens ten opzichte van allen die metterdaad aan de Eucharistie deelnemen of die dat zouden kunnen doen. Wat het eerste betreft, is het goed zich die woorden uit het pontificale te herinneren die de Bisschop tot de nieuwe priester zegt op de dag van diens wijding, wanneer hij hem de pateen en de kelk overhandigt met het brood en de wijn die door de gelovigen zijn aangeboden en door de diaken zijn klaargemaakt:

'Ontvang de offergaven van het heilig volk om ze op te dragen aan God. Laat tot u doordringen wat u doet, beleef zelf wat u voltrekt, en maak uw leven gelijkvormig aan het mysterie van het kruis van de Heer'. Congregatie voor de Riten, Cæremoniale Episcoporum (17 aug 1886). De Ordinatione Diaconi, Presbyteri et Episcopi, ed. typica, l9ff8, p. 93.

Deze laatste vermaning die hij van de Bisschop krijgt voorgehouden, dient voor de priester een van zijn dierbaarste maatstaven te blijven voor zijn Eucharistische bediening.

Naar deze maatstaf dient de priester zich ook te richten in zijn manier van omgaan met het brood en de wijn die het Lichaam en Bloed geworden zijn van de Verlosser. Wij allemaal die de bedienaren zijn van de Eucharistie, behoren daarom zorgvuldig de handelingen na te gaan die wij aan het altaar verrichten, vooral hoe wij die spijs en drank behandelen die in onze handen het Lichaam en Bloed zijn van God onze Heer, hoe wij vervolgens de Heilige Communie uitreiken en hoe wij de purificatie verrichten.

Al deze handelingen hebben hun eigen betekenis. Het spreekt vanzelf dat hier elke vorm van scrupulositeit vermeden dient te worden; maar God behoede ons voor oneerbiedig gedrag, voor ongepaste haast en voor ergerniswekkend ongeduld. Naast onze plichten met betrekking tot de taak om het Evangelie te verkondigen, is immers onze hoogste eer gelegen in de uitoefening van die geheimvolle macht over het Lichaam van de Verlosser. Daarom dient alles in ons daar helemaal op gericht te zijn. Bovendien dient ons steeds voor ogen te staan dat wij juist tot deze ministeriële macht door het sacrament gewijd zijn, en dat wij 'uit de mensen genomen zijn voor de mensen'. (Hebr. 5, 1) Dit alles dient met name ons voor ogen te staan, die priesters zijn van de Latijnse kerk van Rome, waar in de loop der eeuwen aan de rite van de wijding de gewoonte is toegevoegd om de handen van de priester te zalven.

In sommige gebieden heeft zich het gebruik verbreid de Communie op de hand te ontvangen. Door de afzonderlijke bisschoppenconferenties is daarom gevraagd, en het werd door de Apostolische Stoel toegestaan. Niettemin dringen er klachten door over een hier en daar voorkomend betreurenswaardig gebrek aan eerbied jegens de eucharistische Gedaanten, welke beledigingen niet alleen te wijten zijn aan de afzonderlijke personen die zich aan zulk gedrag schuldig maken, maar die ook op rekening komen van herders van de Kerk die minder zorgvuldig en waakzaam zijn geweest met betrekking tot het gedrag van de gelovigen jegens de Eucharistie. Het komt bovendien wel eens voor dat geen rekening gehouden wordt met de vrije keuze en vrije wil van hen die, ofschoon bij hen de handcommunie is toegestaan, toch liever de communie op de tong blijven ontvangen. In het kader van deze brief kan ik er niet omheen deze zojuist aangehaalde treurige feiten te vermelden. Maar wanneer ik dit schrijf, heb ik geenszins die personen op het oog die, in de gebieden waar deze praktijk is toegestaan, met diepe eerbied en godsvrucht de Heer Jezus op de hand ontvangen.

Men mag echter niet de primaire taak van de priesters vergeten, die door hun wijding juist aan God toegewijd zijn om in de persoon van Christus-Priester op te treden: hun handen, ja ook hun stem en hun wil zijn daardoor tot naaste werktuigen geworden van Christus. Op grond hiervan hebben zij, als bedienaren van de heilige Eucharistie, een verantwoordelijkheid met betrekking tot de eucharistische Gedaanten die boven die van de anderen uitgaat: eerste verantwoordelijken zijn zij, omdat hun verantwoordelijkheid totaal is: zij zijn het die het brood en de wijn offeren, deze consacreren en vervolgens de heilige Gedaanten uitreiken aan die deelnemers uit de gemeenschap die ze verlangen te ontvangen. De diakens van hun kant mogen de gaven van de gelovigen alleen maar naar het altaar brengen en ze, nadat ze door de priester zijn geconsacreerd, uitreiken. Hoe zinvol blijkt derhalve in onze Latijnse wijdingsrite de zalving van de handen, ook al heeft zij niet van oudsher ertoe behoord: voor deze handen is als het ware een speciale genade en kracht van de Heilige Geest vereist!

De heilige gedaanten aanraken en ze eigenhandig uitreiken is een voorrecht van hen die gewijd zijn, omdat het wijst op een actief aandeel in de bediening van de Eucharistie. Het spreekt vanzelf dat de kerk deze bevoegdheid ook kan verlenen aan personen die noch priester, noch diaken zijn, zoals bijvoorbeeld de acolieten tijdens de uitoefening van hun dienst, vooral wanneer zij bestemd zijn om in de toekomst gewijd te worden; of ook andere leken, die deze bevoegdheid hebben gekregen om een gerechtvaardigde noodzaak maar altijd na een passende voorbereiding.

Een gemeenschappelijk goed van de Kerk
Geen moment mogen wij vergeten dat de Eucharistie een bijzonder goed is van de universele kerk. Het is zelfs op het vlak van de genade en de sacramenten het grootste geschenk dat de goddelijke Bruidegom zijn bruid geschonken heeft en haar nog aanhoudend blijft schenken. Maar juist omdat het om een dergelijke en zo grote gave gaat, moeten wij ons hierin vanuit een diep geloof door een waarachtig christelijk besef van onze verantwoordelijkheden laten leiden. Een geschenk immers verplicht ons des te dieper, niet zozeer omdat het ons op grond van een strikt recht verplicht, maar omdat het persoonlijk geschonken wordt en daardoor, zonder wettelijke verplichtingen, om vertrouwen en dankbaarheid vraagt. De Eucharistie is juist zo'n geschenk en zo'n goed. Daarom dienen wij van onze kant tot in de bijzonderheden trouw te blijven aan wat zij zowel uit haarzelf uit, drukt alsook van ons vereist, namelijk: dankzegging.

De Eucharistie is een gemeenschappelijk goed van heel de kerk, want zij is het sacrament van haar eenheid. Of de kerk rust dan ook de strenge plicht om alles vast te stellen wat betrekking heeft op de viering van de Eucharistie en op de deelneming eraan. Daarom dienen wij ons te houden aan de beginselen die door het jongste Concilie zijn opgesteld, dat namelijk in de constitutie over de heilige liturgie de bevoegdheden en de verplichtingen heeft omschreven en vastgesteld van zowel de bisschoppen in hun bisdom als de bisschoppenconferenties. Beiden handelen immers in collegiale eenheid met de Apostolische Stoel.

Daar komt bij dat men zich in deze ook dient te houden aan de normen die door de verschillende dicasteriën van de Romeinse Curie zijn uitgevaardigd: zowel inzake de liturgie - in de richtlijnen namelijk die in de liturgische boeken zijn vastgelegd met betrekking tot het eucharistisch mysteries evenals in de instructies die aan dit mysterie zijn gewijd - alsook in zaken die de 'communicatio in sacris' betreffen, en waarvoor normen zijn opgesteld in het 'Directorium voor de oecumene' Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen, Richtlijnen voor de toepassing van de beginselen en normen inzake de oecumenische beweging, Oecumenisch Directorium (25 mrt 1993). 38-63 en in de 'Instructie over de bijzondere gevallen waarin andere christenen toegelaten kunnen worden tot de Eucharistische communie in de katholieke Kerk'. Secretariaat voor eenheid der Christenen, Instructie over toelating van de andere Christenen tot de Eucharistische Communie in de Katholieke Kerk, Instructio de Peculiaribus Casibus Admittendi Alios Christianos ad Communionem Eucharisticam in Ecclesia Catholica (1 juni 1972) Ook al wordt in dit stadium van de liturgische vernieuwing ruimte gelaten voor een zekere 'creatieve' vrijheid, toch dient deze vrijheid zich strikt te houden aan de vereisten van de wezenlijke eenheid. Wij kunnen immers op deze zogenaamde weg van het pluralisme (een pluralisme dat overigens al gegeven is met de invoering van de verschillende talen in de liturgie) slechts voortgaan zolang de wezenlijke kenmerken van de viering van de Eucharistie niet teniet worden gedaan, en zolang men zich houdt aan de normen die door de recente liturgische vernieuwing zijn voorgeschreven.

Overal dient derhalve de noodzakelijke zorgvuldigheid in acht genomen te worden opdat, binnen het pluralisme van de eucharistische eredienst zoals dit voorzien is door het Tweede Vaticaans Concilie, toch die eenheid tot uiting komt waarvan de Eucharistie zowel teken als oorzaak is.

Die taak, waarover uit de aard der zaak de Apostolische Stoel te waken heeft, moet niet alleen worden waargenomen door de afzonderlijke bisschoppenconferenties, maar gaat ook en zonder enige uitzondering iedere bedienaar van de Eucharistie aan. Eenieder dient bovendien te bedenken dat hij echt verantwoordelijkheid draagt voor het gemeenschappelijk goed van de kerk. De priester als bedienaar en celebrant, als degene die de eucharistische samenkomst van de gelovigen voorzit, hoort een bijzonder gevoel te hebben voor het gemeenschappelijke goed van de Kerk, dat hij door zijn bediening tegenwoordig stelt maar waaraan hij op zijn beurt volgens een juiste geloofsdiscipline ook ondergeschikt dient te zijn. Hij mag zichzelf niet als een 'eigenaar' beschouwen die vrij kan beschikken over de liturgische tekst en de heilige rite, alsof het zijn eigendom was waaraan hij zelf naar willekeur een eigen vorm kan geven. Het kan weliswaar meermaals de schijn hebben dat dit laatste beter werkt en meer voldoening schenkt aan de subjectieve vroomheid, maar objectief houdt dit steeds een verraad in aan die communio die juist in het sacrament van de eenheid haar ware en eigenlijke uitdrukking dient te vinden. Laat daarom iedere priester die het heilig offer opdraagt, bedenken dat tijdens dit offer niet alleen hij met zijn gemeenschap bidt, maar dat daarbij tevens de hele kerk bidt, die aldus - en ook door het gebruik van de goedgekeurde liturgische tekst - in dit sacrament haar geestelijke eenheid uitdrukt. Wie een dergelijk standpunt een al te groot streven naar 'uniformiteit' noemt, laat daarmee alleen maar zien dat hij niet op de hoogte is met de objectieve vereisten van de echte eenheid, en dat is een teken van wat men een schadelijk individualisme noemt.

Deze ondergeschiktheid van de bedienaar of celebrant aan het 'mysterie' dat hem door de kerk voor het welzijn van heel het Godsvolk is toevertrouwd, dient ook daarin tot uiting te komen, dat hij zich houdt aan de liturgische voorschriften aangaande de viering van het heilig offer. Bijvoorbeeld met betrekking tot de kleding en met name de heilige gewaden van de celebrant. Er zijn inderdaad omstandigheden geweest - en zij komen nog voor - waarin die voorschriften niet verplichten. Met diepe ontroering hebben wij, in boeken die geschreven zijn door priesters die destijds gevangen hebben gezeten in concentratiekampen, verhalen gelezen over eucharistievieringen waarbij de hierboven genoemde normen niet in acht genomen werden, zonder altaar en zonder gewaden. Was dat in dergelijke omstandigheden een teken van heldhaftigheid dat terecht hoge achting verdiende, toch kan het verwaarlozen van de liturgische richtlijnen in normale omstandigheden worden gezien als een gebrek aan eerbied jegens de Eucharistie, waarvan de oorzaak wellicht gelegen is in een bijzondere neiging van de celebrant zelf, of in een gemis aan kritische zin ten opzichte van de heersende opvattingen, of zelfs in een zeker ontbreken van de geest van geloof.

Op ons allen, die door de genade van God bedienaren zijn van de Eucharistie, rust op een bijzondere manier de plicht ons te bekommeren om de opvattingen en houdingen van onze broeders en zusters die aan onze herderlijke zorg zijn toevertrouwd. Het is onze taak om, vooral door ons persoonlijk voorbeeld, iedere gezonde vorm van verering jegens Christus die in dit sacrament van liefde aanwezig en werkzaam is, aan te moedigen. God beware er ons voor anders te handelen en die verering te verzwakken door zelf 'ontwend' te raken aan de verschillende uitingsvormen van de eucharistische eredienst, waarin een weliswaar 'traditionele' maar gezonde vroomheid tot uitdrukking komt, en bovenal die 'geloofszin' die eigen is aan heel het volk van God, waaraan het Tweede Vaticaans Concilie heeft herinnerd. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 12

Nu ik de laatste hand ga leggen aan deze beschouwingen, wil ik - zowel in eigen naam alsook in naam van u allen, eerbiedwaardige en dierbare broeders in het bisschopsambt - vergeving vragen voor al wat om de een of andere reden, door een of andere menselijke zwakheid, ongeduld of onachtzaamheid, of ook door een soms slechts gedeeltelijke, eenzijdige en verkeerde toepassing van de richtlijnen van het Tweede Vaticaans Concilie, ergernis en onbehagen heeft kunnen veroorzaken met betrekking tot de uitleg van de leer en de eerbied die aan dit verheven sacrament toekomt. En vervolgens smeek ik de Heer Jezus, dat voortaan in de manier waarop wij dit heilig mysterie behandelen, alles vermeden mag worden wat op enigerlei wijze het gevoel van eerbied en liefde bij onze gelovigen zou kunnen verzwakken of verwarren.

Moge Christus zelf ons helpen voort te gaan op wegen van ware vernieuwing, naar die volheid van eucharistisch leven en eredienst waardoor de kerk zelf wordt opgebouwd tot die eenheid die zij reeds nu bezit en waarvan zij wenst dat deze tot glorie van de levende God en tot heil van alle mensen steeds volmaakter wordt.

Document

Naam: DOMINICAE CENAE
Het Mysterie en de Eredienst van de Heilige Eucharistie - Brief aan de Bisschoppen bij gelegenheid van Witte Donderdag 1980
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 24 februari 1980
Copyrights: © 1980, Libreria Editrice Vaticana / Stichting Verkondiging, Roermond
Vert.: Past. Chr. v. Buijtenen, pr.
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam