• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Wegens deze eenheid van persoon dan, die in beide naturen verstaan moet worden, leest men van de ene kant, dat de Zoon van de Mensen uit de Hemel is neergedaald, toen de Zoon van God het vlees heeft aangenomen van de Maagd, uit wie Hij geboren is, en van de andere kant wordt er gezegd, dat de Zoon van God gekruisigd en begraven is, ofschoon Hij dit niet in Zijn Godheid, waardoor de Eniggeborene mede-eeuwig en mede-zelfstandig is met de Vader, maar in de zwakheid van de menselijke natuur heeft geleden. Vandaar belijden wij allen ook in de geloofsbelijdenis, dat de eniggeboren Zoon van God gekruisigd en begraven is volgens dat woord van de Apostel: "Zo ze Hem gekend hadden, zouden ze de Heer van de glorie niet hebben gekruisigd" (1 Kor. 2, 8).

Toen onze Heer en Zaligmaker echter Zelf door ondervragingen Zijn leerlingen in het geloof onderrichtte, zeide Hij: "Wie zeggen de mensen, dat Ik, de Mensenzoon, ben"? En toen zij Hem de verschillende meningen van anderen hadden weergegeven, zeide Hij: "Gij echter, wie zegt gij, dat Ik ben", Ik namelijk, die de Zoon van de mensen ben en die gij in de gedaante van een slaaf en in een werkelijk lichaam aanschouwt, wie zegt gij, dat Ik ben? Toen zei de gelukzalige Petrus, die door God geïnspireerd was en door zijn belijdenis alle volkeren van nut zou zijn: "Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God" (Mt. 16, 13, v.v.). Niet ten onrechte werd hij door den Heer zalig geprezen en verkreeg hij van de voornaamste rots hechtheid zowel van kracht als van naam, hij, die Hem door de openbaring van de Vader èn als Gods Zoon èn als de Christus beleed. Want wanneer het ene zonder het andere werd aanvaard, baatte het niet ter zaligheid en het was even gevaarlijk, aan de Heer Jezus Christus te geloven ofwel enkel als God zonder Zijn Mensheid ofwel alleen maar als Mens zonder Zijn Godheid. Na de Verrijzenis van de Heer echter, welke inderdaad een verrijzenis van Zijn waarachtig Lichaam was, daar geen ander werd opgewekt dan Hij, die gekruisigd was en gestorven, wat is er in dat tijdsverloop van veertig dagen anders geschied, dan dat de gaafheid van ons geloof werd gezuiverd van alles, wat het zou kunnen verduisteren? Want Hij sprak met Zijn leerlingen en ging met hen om en at met hen en liet Zich door hen, die vol twijfel waren, zorgvuldig en nieuwsgierig aanraken en betasten; ook trad Hij, terwijl de deuren gesloten waren, bij Zijn leerlingen binnen en schonk hun door Zijn adem de Heilige Geest; en nadat Hij hun het licht om het te kunnen inzien had gegeven, ontsloot Hij hun de verborgenheden van de Heilige Schriften; en wederom toonde Hij hun de wonde van Zijn zijde, de plaats waar de nagelen bevestigd waren en alle tekenen van Zijn pas voorbije Lijden, zeggende: "Beziet Mijn handen en voeten, dat Ik het ben. Betast Mij en ziet, want een geest heeft geen vlees en geen beenderen, zoals gij ziet, dat Ik heb", (Lc. 24, 39) opdat men zou erkennen, dat hetgeen aan de goddelijke en de menselijke natuur eigen is, in Hem op zichzelf bleef bestaan, en wij zó zouden weten, dat het Woord niet is wat het vlees is, dat wij zouden belijden, dat de éne Zoon van God èn Woord èn vlees is.

Met recht moet men houden, dat die Eutyches niet in het bezit is van dit geloofsgeheim, die niet erkent, dat onze natuur zich in de Eengeborene van God bevindt noch in de vernedering van de sterfelijkheid noch in de heerlijkheid van de verrijzenis, en die ook de uitspraak niet vreest van de gelukzalige Apostel en Evangelist Johannes, die zegt: "Iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees is gekomen, is uit God en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God en deze behoort tot de Anti-christ" (1 Joh. 4, 2-3). Wat betekent echter "Jezus niet belijden" anders dan de menselijke natuur van Hem scheiden en het Geheim, door hetwelk alleen wij verlost zijn, door de meest schaamteloze fantasieën van zijn inhoud beroven?

Nu hij echter in het duister rondtast betreffende de natuur van Christus' Lichaam, moet hij noodzakelijkerwijze door dezelfde verblinding ook omtrent Zijn Lijden een verkeerde mening hebben. Want als hij het kruis van de Heer niet voor onecht houdt en niet twijfelt, dat het lijden, dat voor het heil van de wereld aanvaard werd, werkelijk is geweest, moet hij ook het vlees erkennen van Hem, aan wiens dood hij gelooft en hij loochene dan niet, dat Hij, van wien hij erkent, dat Hij lijdelijk is geweest, Mens is met een lichaam gelijk het onze, omdat de ontkenning van het waarachtige vlees ook een ontkenning is van Zijn lichamelijk lijden.

Als hij dan het christelijk geloof heeft aanvaard en zijn oor niet van de verkondiging van het Evangelie heeft afgewend, moge hij toezien, welke natuur, met nagelen doorboord, aan het kruishout hing, en hij moge begrijpen, vanwaar, nadat de zijde van de Gekruisigde door de lans van de soldaat was geopend, bloed en water is gevloeid, opdat de Kerk Gods zowel door het bad (van het Doopsel) als door de kelk (van de Eucharistie) gedrenkt zou worden.

Hij luistere naar de gelukzalige Apostel Petrus, die verkondigt, dat de heiliging van de geest geschiedt door de besprenkeling met het Bloed van Christus en hij leze niet oppervlakkig over de woorden heen van dezelfde Apostel, als deze zegt: "Want gij weet, dat gij niet met vergankelijk zilver en goud zijt vrijgekocht uit uw ijdele levenswandel, die van uw vaders stamt, maar door het kostbaar Bloed van Jezus Christus als van een Lam zonder vlek of gebrek" (1 Pt. 1, 18). Hij weersta ook niet aan het getuigenis van de gelukzalige Apostel Johannes, die zegt: "En het Bloed van Jezus, de Zoon van God, reinigt ons van alle zonde" (1 Joh. 1, 7). En andermaal: "En dit is de overwinning, die zegepraalt over de wereld: ons geloof! Wie anders toch is overwinnaar van de wereld, dan hij die gelooft, dat Jezus de Zoon is van God? Deze is het, die gekomen is door Water en Bloed: Jezus Christus, niet door Water alleen, maar door Water en Bloed. En ook de Geest legt getuigenis af, want de Geest is waarheid. Zodat er drie zijn, die getuigenis afleggen: de Geest en het Water en het Bloed en deze drie zijn één" (1 Joh. 5, 4-8). De Geest namelijk van heiligmaking en het Bloed van de verlossing en het water van het Doopsel, welke drie één zijn en onafscheidbaar blijven en waarvan niets zich uit zijn verband laat losmaken. De katholieke Kerk leeft uit dit geloof, hier groeit zij door, dat in Christus Jezus niet geloofd wordt aan de Mensheid zonder de ware Godheid noch aan de Godheid zonder de ware Mensheid.

Document

Naam: LECTIS DILECTIONIS TUAE - TOMUS I LEONIS
Over de Menswording van het Woord van God - Aan Bisschop Flavianus
Soort: H. Paus Leo I de Grote
Auteur: H. Paus Leo I de Grote
Datum: 13 juni 449
Copyrights: © 1941, Over de Menschwording van Christus, bewerkt door Dom Ard. Huyg O.S.B., uitg. NV de RK Boekcentrale Amsterdam
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam