• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Als God alles weet en alles kan, waarom verhindert Hij het kwade dan niet?

‘God laat het kwade toe, alleen om er iets beters uit te laten voortkomen’ (H. Thomas van Aquino). Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 309-314.324

Het kwaad in de wereld is een duister en verdrietig geheim. Zelfs de Gekruisigde vroeg aan zijn Vader: ‘Mijn God, waarom hebt u mij verlaten?’ (Mt. 27, 46). Er zijn veel dingen onbegrijpelijk. Maar één ding weten wij met zekerheid: God is honderd procent goed. Hij kan nooit de aanstichter zijn van iets kwaads. God heeft de wereld goed geschapen, maar de wereld is nog niet voltooid. In heftig verwerpen en pijnlijke processen groeit de wereld toe naar zijn definitieve voltooiing. Daarbinnen kun je plaatsen wat de kerk noemt: fysiek kwaad, bijvoorbeeld een aangeboren afwijking of een natuurramp. Er is ook moreel kwaad, maar dat komt door misbruik van de vrijheid in de wereld. De ‘hel op aarde’ – kindsoldaten, zelfmoordaanslagen, concentratiekampen – wordt doorgaans door mensen aangericht. De beslissende vraag is daarom niet: ‘Hoe kun je in een goede God geloven, als er zoveel kwaad in de wereld is?’ maar: ‘Hoe zou een mens met hart en verstand het leven in deze wereld kunnen uithouden, als er géén God bestond?’ Dood en opstanding van Christus laten ons zien: het kwaad had niet het eerste woord, het heeft ook niet het laatste woord. Uit het ergst denkbare kwaad heeft God het absoluut goede laten voortkomen. Wij geloven dat God bij het laatste oordeel een eind maakt aan alle onrecht. In het leven van de komende wereld is er geen plaats meer voor het kwaad en is er geen lijden meer.

Waarom kunnen wij erop vertrouwen dat ons gebed door God gehoord wordt?

Veel mensen die tijdens zijn aardse leven een beroep deden op Jezus om genezing, werden verhoord. Jezus, die uit de dood is opgestaan, leeft en verhoort onze gebeden en geeft ze door aan de Vader. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2615-2616.2621

We kennen nog altijd de naam van de voorganger in de synagoge: Jaïrus heette de man die Jezus om hulp smeekte en die verhoord werd. Zijn dochter was doodziek. Niemand kon nog helpen. Jezus genas zijn dochtertje niet alleen, Hij liet haar zelfs uit de dood ontwaken (Mc. 5, 21-43). Er is een groot aantal genezingen door Jezus bekend. Hij verrichtte tekenen en wonderen. Lammen, melaatsen en blinden vroegen Jezus niet vergeefs. Ook van alle heiligen van de kerk is bekend dat hun gebeden zijn verhoord. Veel Christenen kunnen vertellen hoe ze God hebben aangeroepen en hoe Hij hen heeft verhoord. God is echter geen automaat. Hoe Hij precies onze gebeden verhoort, moet we aan Hem overlaten.

Is bidden niet eigenlijk een soort gesprek met jezelf?

Het is juist kenmerkend voor het gebed dat je van ik naar jij geraakt, van egocentrisme naar radicale openheid. Wie werkelijk bidt, kan ervaren dat God spreekt – en dat Hij vaak anders spreekt dan wij zouden willen of verwachten.

Ervaren bidders vertellen dat je vaak anders uit een gebed komt dan je eraan begonnen bent. Soms worden verwachtingen vervuld: je bent treurig en wordt getroost; je bent moedeloos en krijgt nieuwe kracht. Het kan echter ook gebeuren dat je zorgen wilt vergeten en alleen nog maar onrustiger wordt; dat je met rust gelaten wilt worden en juist een opdracht krijgt. Een werkelijke ontmoeting met God zoals die in het gebed steeds weer plaatsvindt, kan onze voorstellingen van God en van het gebed aan stukken slaan.

Wat als je merkt dat bidden niet helpt?

Het bidden is niet op zoek gaan naar oppervlakkig succes, maar naar de wil en de nabijheid van God. Juist het schijnbare zwijgen van God is een uitnodiging om nog een stap verder te gaan – in totale overgave, grenzeloos geloof, oneindige verwachting. Wie bidt, moet God de gehele vrijheid laten om te spreken wanneer Hij dat wil, te vervullen wat Hij wil, en zich te geven zoals Hij het wil. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2735-2737

We zeggen vaak: Ik heb vaak gebeden – en het heeft niets geholpen. Misschien bidden we niet intensief genoeg. Zo vroeg de heilige Pastoor van Ars ooit aan een medebroeder die over zijn gebrek aan succes klaagde: ‘Je hebt gebeden – je hebt gezucht (...) maar heb je ook gevast, heb je gewaakt?’ Het zou ook kunnen zijn dat we God om de verkeerde dingen vragen. Zo zei Theresia van Avila ooit eens: ‘Bid niet om lichtere lasten, bid om een sterkere rug!’

Document

Naam: YOUCAT
Jongerencatechismus van de Katholieke Kerk - met een woord vooraf door Paus Benedictus XVI
Soort: Catechismus-Compendium
Datum: 29 november 2010
Copyrights: © 2011-2013, 3e Druk - Uitgeverij Lannoo nv (voor de Nederlandse vertaling)
Bewerkt: 4 augustus 2020

Opties

Internetadres
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam