• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Onder de werkers van de missieactiviteit nemen nu evenals in het verleden een plaats van fundamenteel gewicht de personen en instituten in aan wie het decreet 2e Vaticaans Concilie - Decreet
Ad Gentes Divinitus
Over de missie-activiteit van de Kerk
(7 december 1965)
een speciaal hoofdstuk wijdt onder de titel “De missionarissen” 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 23-27. Wat dit betreft is een diepgaande reflectie nodig, vooral voor de missionarissen zelf, die door de veranderingen in de missie er toe gebracht kunnen worden de zin van hun roeping niet meer te begrijpen, niet meer te weten wat de Kerk nu precies van hen verwacht.

Uitgangspunten zijn de volgende woorden van het Concilie: “Hoewel iedere leerling van Christus voor zijn deel met de verspreiding van het geloof is belast, roept Christus de Heer uit de menigte van leerlingen altijd weer degenen die Hijzelf wil om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden om te prediken onder de volkeren. Door de Heilige Geest, die zijn gaven ten algemene nutte uitdeelt zoals Hij het wil, wekt Hij daarom de roeping tot missionaris in de harten van enkelingen en tevens doet Hij in de Kerk instituten ontstaan die de plicht om te evangeliseren, welke op heel de Kerk rust, als een eigen plicht op zich nemen” 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 23.

Het gaat dus om een “speciale roeping”, volgens het model van de roeping van de apostelen. Zij komt tot uiting in de volledigheid van de inzet voor de dienst van de evangelisatie: het is een inzet die heel de persoon en heel het leven van de missionaris omvat en van hem een overgave eist die krachten noch tijd spaart. Zij die deze roeping hebben, gaan “door het wettig gezag gezonden (...) in geloof en gehoorzaamheid uit naar hen die ver van Christus zijn, afgezonderd voor het werk waartoe zij werden geroepen als dienaars van het evangelie” 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 23. De missionarissen moeten zich steeds afvragen of zij beantwoorden aan de gave die zij ontvangen hebben, en zij moeten hun theologische en pastorale vorming steeds bijwerken.

De missie-instituten moeten alle noodzakelijke hulpbronnen aanwenden en hun ervaring en creativiteit in trouw aan hun oorspronkelijk charisma investeren om de kandidaten op geschikte wijze voor te bereiden en de uitwisseling van de geestelijke, morele en fysieke krachten van hun leden te verzekeren Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 23.27. Laten zij zich levende delen van de kerkelijke gemeenschap voelen en in vereniging daarmee werken. Want “ieder instituut is ontstaan voor de Kerk en is verplicht haar te verrijken met het eigen karakter volgens een bijzondere geest en een speciale zending”. De bisschoppen zelf moeten waken over de trouw aan dat oorspronkelijk charisma Vgl. Congregatie v d Inst v h Gewijde Leven en de Sociëten Apost Leve, Richtlijnen voor de wederzijdse betrekkingen tussen de bisschoppen en de religieuzen in de Kerk, Mutuae relationes (14 mei 1978) Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 28.

De missie-instituten zijn over het algemeen ontstaan in de kerken die van oudsher bestaan, en zij zijn in de geschiedenis werktuigen geweest van de Congregatie de Propaganda Fide voor de verspreiding van het geloof en de stichting van nieuwe kerken. Heden ten dage krijgen zij in toenemende mate kandidaten die uit de jonge kerken komen, welke zij gesticht hebben, terwijl nieuwe instituten ontstaan zijn juist in de landen die eerst alleen missionarissen ontvingen maar hen nu ook uitzenden. Men moet deze tweevoudige trend toejuichen, welke de geldigheid en de actualiteit aantoont van de specifieke missieroeping van deze instituten, die “zeer noodzakelijk” blijven 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 27, niet alleen voor de missieactiviteit ad gentes, zoals in de lijn van hun traditie ligt, maar ook om de missiegeest op te wekken zowel in de kerken die van oudsher bestaan als in de jongere kerken.

De speciale zending van de missionarissen ad vitam behoudt heel haar geldigheid. Zij vormt het paradigma voor de missieijver van de Kerk, welke steeds radicale en totale overgave en nieuwe en vurige impulsen nodig heeft. De mannelijke en vrouwelijke missionarissen die heel hun leven gewijd hebben aan het getuigenis van de Verrezene onder de heidenvolken, moeten zich dus niet laten afschrikken door twijfels, onbegrip, afwijzing en vervolging. Laten zij de genade van hun specifiek charisma weer verlevendigen, hun tocht met moed hernemen en in een geest van geloof, gehoorzaamheid en gemeenschap met hun herders die voorkeur geven aan de nederigste en moeilijkste posten.

Document

Naam: REDEMPTORIS MISSIO
Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 7 december 1990
Copyrights: © 1991 - Stichting R.K. Voorlichting
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam