• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
De mens van deze tijd schenkt meer geloof aan getuigen dan aan leraren Vgl. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 41, meer aan de ervaring dan aan de leer, meer aan het leven en de feiten dan aan de theorieën. Het getuigenis van het christelijke leven is de eerste en onvervangbare vorm van missie. Christus, wiens zending wij voortzetten, is de “getuige” bij uitstek (Openb. 1, 5)(Openb. 3, 14) en het model voor het christelijk getuigenis. De Heilige Geest begeleidt de tocht van de Kerk en maakt haar deelgenote van het getuigenis dat Hij van Christus aflegt Vgl. Joh. 15, 26-27 .

De eerste vorm van getuigenis is het leven zelf van de missionaris, van het christelijke gezin en van de kerkelijke gemeenschap, dat een nieuwe wijze van gedragen zichtbaar maakt. De missionaris die met al zijn menselijke beperktheden en tekortkomingen in eenvoud naar het voorbeeld van Christus leeft, is een teken van God en van de transcendente realiteiten. Maar allen in de Kerk kunnen en moeten door hun inspanning om Christus na te volgen zo’n getuigenis afleggen Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 28.35.38 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 43 Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 11-12 , dat in vele gevallen de enige mogelijkheid is om missionaris te zijn.

Het evangelische getuigenis waarvoor de wereld het meest toegankelijk is, is het getuigenis van de aandacht voor de mensen en van de liefde voor de armen en geringen, voor de lijdende mens. De belangeloosheid van deze houding en van dit handelen die grondig tegengesteld zijn aan het egoïsme dat in de mens steekt, doet zeer bepaalde vragen opkomen die op God en op het evangelie richten. Ook de inzet voor vrede en rechtvaardigheid, voor de mensenrechten en de menselijke ontwikkeling is een getuigenis van het evangelie, als het een teken is van aandacht voor de mensen en gericht is op de integrale ontwikkeling van de mens Vgl. H. Paus Paulus VI, Encycliek, Over de ontwikkeling van de volken, Populorum Progressio (26 mrt 1967), 21.42.

De christen en de christelijke gemeenschappen leven op diepe wijze opgenomen in het leven van de respectieve volkeren en zijn ook teken van het evangelie door hun trouw aan hun vaderland, hun volk en hun nationale cultuur, maar steeds in de vrijheid die Christus gebracht heeft. Het christendom staat open voor de universele broederschap, omdat alle mensen kinderen van dezelfde Vader zijn en broeders in Christus.

De Kerk is geroepen om van Christus te getuigen door moedige en profetische standpunten in te nemen tegenover de corruptie van de politieke en economische macht, niet haar eigen glorie en materiële voordelen te zoeken, haar goederen te gebruiken om de armsten te dienen en de eenvoud van leven van Christus na te volgen. De Kerk en de missionarissen moeten ook getuigen van nederigheid, vooral ten opzichte van zichzelf, wat tot uiting komt in het vermogen tot gewetensonderzoek, op persoonlijk niveau en op het niveau van de gemeenschap, teneinde in het eigen gedrag te corrigeren wat tegen het evangelie ingaat en het gelaat van Christus misvormt.

De verkondiging heeft blijvend de prioriteit in de zending. De Kerk kan zich niet onttrekken aan de uitdrukkelijke opdracht van de Heer en de Blijde Boodschap niet onthouden aan de mensen die door God bemind en gered worden. “De evangelisatie zal altijd – als fundament en centrum en toppunt van heel haar dynamische kracht – ook deze duidelijke stelling bevatten: in Jezus Christus (...) wordt het heil aangeboden aan iedere mens als een gave van genade en barmhartigheid van God zelf” H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 27. Alle vormen van missieactiviteit zijn gericht op deze verkondiging die inzicht geeft en binnenleidt in het mysterie dat van eeuwigheid verborgen was en geopenbaard is in Christus Vgl. Ef. 3, 3-9 Vgl. Kol. 1, 25-29 , die in het centrum staat van de missie en van het leven van de Kerk als spil van heel de evangelisatie.

In de complexe werkelijkheid van de missie speelt de eerste verkondiging een centrale en onvervangbare rol, omdat zij de mens binnenleidt “in het geheim van de liefde van God, die hem roept tot een persoonlijke omgang met zichzelf in Christus” 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de missie-activiteit van de Kerk, Ad Gentes Divinitus (7 dec 1965), 13 en de weg opent voor de bekering. Het geloof ontstaat door de verkondiging en elke kerkelijke gemeenschap ontstaat en leeft uit het persoonlijke antwoord van iedere gelovige op die verkondiging Vgl. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 15. Zoals de gehele heilseconomie Christus als middelpunt heeft, zo gaat heel de missieactiviteit uit naar de verkondiging van zijn mysterie.

De verkondiging heeft tot voorwerp de gekruisigde, gestorven en verrezen Christus; door Hem voltrekt zich de volledige en echte bevrijding uit het kwaad, de zonde en de dood, in Hem schenkt God het “nieuwe leven”, het goddelijke en eeuwige leven. Dat is de Blijde Boodschap die de mens en de geschiedenis van de mens verandert. Alle volken hebben het recht deze boodschap te kennen. De verkonding moet geschieden in de context van het leven van de mensen en de volkeren die haar ontvangen. Zij moet geschieden met een houding van liefde en achting voor wie ernaar luistert en met een taal die concreet is en aangepast aan de omstandigheden. In de verkondiging werkt de Geest die een gemeenschap vestigt tussen de missionaris en de toehoorders, welke mogelijk is in zover de één en de anderen door Christus in gemeenschap met de Vader treden Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de Heilige Geest in het leven van de Kerk en de wereld, Dominum et vivificantem (18 mei 1986), 42.64.

Aangezien de verkondiging geschiedt in vereniging met de gehele kerkgemeenschap, is zij nooit een persoonlijke aangelegenheid. De missionaris is aanwezig en werkt krachtens een opdracht die hij ontvangen heeft, en ook als hij alleen is, is hij door onzichtbare maar diepe banden verbonden met de evangeliserende activiteit van heel de Kerk Vgl. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 60. De toehoorders ontwaren vroeg of laat achter hem de gemeenschap die hem gezonden heeft en steunt.

De verkondiging wordt bezield door het geloof dat in de missionaris enthousiasme en ijver opwekt. Zoals gezegd beschrijven de Handelingen deze houding met het woord parresia, dat vrijmoedigheid en moed in het spreken betekent en ook bij Sint Paulus voorkomt: “Wij hebben met de hulp van onze God de moed gevonden om ondanks heftige tegenstand zijn boodschap bij u openlijk te verkondigen” (1 Tess. 2, 2). “Bidt ook voor mij, dat mij het woord gegeven mag worden als ik mijn mond open om vrijmoedig het mysterie openbaar te maken, waarvoor ik een gezant ben in boeien. Bidt dat ik het vrijmoedig mag verkondigen, zoals het mijn plicht is” (Ef. 6, 19-20).

Als de missionaris Christus verkondigt aan niet-christenen, is hij overtuigd dat er door de werking van de Geest in de afzonderlijke personen en in de volkeren reeds een, wellicht onbewust, verlangen is om de waarheid te kennen over God, over de mens en over de weg die naar de bevrijding uit zonde en dood leidt. Het enthousiasme in de verkondiging van Christus vloeit voort uit de overtuiging dat men beantwoordt aan dat verlangen, zodat de missionaris ook niet de moed verliest en niet afziet van zijn getuigenis als hij geroepen wordt om zijn geloof te belijden in een vijandige of onverschillige omgeving. Hij weet dat de Geest van de Vader in hem spreekt Vgl. Mt. 10, 17-20 Vgl. Lc. 12, 11-12 en hij kan met de apostelen zeggen: “Van dit alles zijn wij getuigen, maar ook de Heilige Geest” (Hand. 5, 32). Hij weet dat hij geen menselijke waarheid verkondigt, maar het “Woord van God”, dat een innerlijke en mysterieuze kracht heeft Vgl. Rom. 1,16 .

Het hoogste bewijs is de gave van het leven tot aan het aanvaarden van de dood om te getuigen van het geloof in Jezus Christus. Zoals steeds in de christelijke geschiedenis zijn de “martelaren”, d.w.z. de getuigen, talrijk en zij zijn onmisbaar op de weg van het evangelie. Ook in ons tijdvak zijn er velen: bisschoppen, priesters, religieuzen en leken en soms onbekende helden die hun leven geven om getuigenis af te leggen van het geloof. Zij zijn de verkondigers en getuigen bij uitstek.

De verkondiging van het Woord van God streeft naar de christelijke bekering, d.w.z. naar het volledig en oprecht aanhangen van Christus en zijn evangelie door het geloof. De bekering is een gave van God, een werk van de Drieëenheid. Het is de Geest die de deuren van de harten opent, opdat de mensen mogen geloven in de Heer en Hem belijden Vgl. 1 Kor. 12, 3 . Jezus zegt van degene die door het geloof tot hem komt: “Niemand kan tot Mij komen, als de Vader die Mij zond, hem niet trekt” (Joh. 6, 44).

De bekering komt vanaf het begin tot uitdrukking in een volledig en radicaal geloof, dat geen grenzen of hinderpalen stelt aan de gave van God. Tegelijk brengt zij echter een dynamisch en permanent proces op gang dat heel het leven voortduurt en een ononderbroken overgang eist uit het “leven volgens het vlees” naar het “leven volgens de Geest” Vgl. Rom. 8, 3-13 . Het betekent door een persoonlijke beslissing de heilbrengende heerschappij van Christus aanvaarden en zijn leerlingen worden.

De Kerk roept allen tot deze bekering, naar het voorbeeld van Johannes de Doper die de weg bereidde voor Christus door een doopsel van bekering tot vergiffenis van zonden te preken Vgl. Mc. 1, 4 en naar het voorbeeld van Christus zelf die, nadat Johannes gevangen genomen was, naar Galiliea ging en er Gods Blijde Boodschap verkondigde. Hij zei: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap” (Mc. 1, 15).

De oproep tot bekering die de missionarissen tot de niet-christenen richten, wordt nu aangevochten of verzwegen. Men ziet daarin een akt van “proselitisme”. Men zegt dat het voldoende is de mensen te helpen om meer mens te zijn en meer trouw te zijn aan de eigen godsdienst; dat het voldoende is om gemeenschappen te vormen die in staat zijn te werken voor rechtvaardigheid, vrijheid, vrede en solidariteit. Maar men vergeet dat iedere mens het recht heeft de Blijde Boodschap te horen van God die zich in Christus openbaart en geeft, opdat hij zijn eigen roeping ten volle kan verwerkelijken. De grootsheid van dit gebeuren weerklinkt in de woorden van Jezus tot de Samaritaanse: “Als ge enig begrip had van de gave Gods” en in het onbewuste maar vurige verlangen van de vrouw: “Heer geef mij van dat water, zodat ik geen dorst meer krijg” (Joh. 4, 10.15).

Door de Heilige Geest aangespoord nodigden de apostelen allen uit om hun leven te veranderen, zich te bekeren en het doopsel te ontvangen.

Onmiddellijk na het Pinkstergebeuren sprak Petrus op overtuigende wijze tot de menigte: “Toen zij dit hoorden, waren zij diep getroffen en zeiden tot Petrus en de overige apostelen: ‘Wat moeten wij doen, mannen broeders?’ Petrus gaf hun ten antwoord: “Bekeert u en ieder van u late zich dopen in de naam van Jezus Christus tot vergeving van uw zonden. Dan zult gij als gave de Heilige Geest ontvangen”(Hand. 2, 37-38). En hij doopte die dag ongeveer drieduizend mensen. Ook na de genezing van de lamme sprak Petrus tot het volk en hij herhaalde: “Bekeert u dus en hebt berouw, opdat uw zonden worden uitgewist” (Hand. 3, 19)

De bekering tot Christus is verbonden met het doopsel, niet alleen vanwege de praktijk van de Kerk, maar door de wil van Christus, die uitgenodigd heeft om alle volkeren tot zijn leerlingen te maken en te dopen Vgl. Mt. 28, 19 . Dat is ook zo vanwege de intrinsieke eis om de volheid van het nieuwe leven in Hem te ontvangen: “Voorwaar, voorwaar”, zegt Jezus tot Nikodemus, “als iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het Rijk Gods niet binnengaan” (Joh. 3, 5)

Het doopsel doet ons herboren worden tot het leven van kinderen van God, het verenigt ons met Jezus Christus en het zalft ons met de Heilige Geest. Het is niet een simpele bezegeling van de bekering, als het ware een uiterlijk teken dat de bekering aantoont en verzekert, maar het sacrament, dat de nieuwe geboorte uit de Geest betekent en bewerkt, reële en onverbreekbare banden met de Drieëenheid smeedt en tot ledematen maakt van het lichaam van Christus dat de Kerk is.

Dat alles dient in herinnering gebracht te worden, omdat niet weinigen juist daar waar de missie ad gentes zich ontplooit, geneigd zijn om de bekering tot Christus los te maken van het doopsel, dat niet nodig wordt geacht. Het is waar dat in bepaalde milieus sociologische elementen bestaan die de echte gelovige betekenis van het doopsel verduisteren. Dat komt door diverse historische en culturele factoren, die weggenomen moeten worden waar zij nog bestaan, opdat het sacrament van de geestelijke wedergeboorte in heel zijn waarde verschijnt. De plaatselijke kerkelijke gemeenschappen moeten zich aan deze taak wijden. Het is ook waar dat niet weinig mensen verklaren met Christus en zijn boodschap verbonden te zijn, maar niet op sacramentele wijze gebonden willen worden, omdat zij vanwege hun eigen vooroordelen of de schuld van de christenen er niet in slagen de ware natuur te zien van de Kerk die een mysterie van geloof en liefde is Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 6-9. Ik wil deze mensen aansporen om zich geheel voor Christus open te stellen, terwijl ik hen eraan herinner dat Christus door wie zij zich aangetrokken voelen, zelf de Kerk gewild heeft als “plaats” waar zij Hem in feite kunnen ontmoeten. Tegelijk nodig ik de gelovigen en de christelijke gemeenschappen uit om door hun nieuwe leven van Christus te getuigen.

Iedere bekeerling is ongetwijfeld een geschenk aan de Kerk en brengt een ernstige verantwoordelijkheid voor haar mee, niet alleen omdat hij op het doopsel voorbereid moet worden door het catechumenaat en vervolgens begeleid moet worden met godsdienstonderricht, maar ook omdat hij, vooral als hij volwassen is, in de gemeenschap nieuwe energie inbrengt, alsmede het geloofsenthousiasme en het verlangen om in de Kerk evangelisch leven te vinden. Het zou voor hem een ontgoocheling zijn als hij na zijn intrede in de kerkgemeenschap daarin een leven zonder vuur en zonder tekenen van vernieuwing vond. Wij kunnen niet de bekering preken als wij niet iedere dag onszelf bekeren.

Document

Naam: REDEMPTORIS MISSIO
Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 7 december 1990
Copyrights: © 1991 - Stichting R.K. Voorlichting
Bewerkt: 20 oktober 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2021, Stg. InterKerk, Schiedam