• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

“Rijk aan barmhartigheid is God die Christus Jezus ons openbaarde als Vader: het is juist zijn Zoon die Hem ons in zichzelf heeft getoond en doen kennen” H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Over de Goddelijke Barmhartigheid, Dives in Misericordia (30 nov 1980), 1. Dit heb ik aan het begin van de encycliek H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Dives in Misericordia
Over de Goddelijke Barmhartigheid
(30 november 1980)
geschreven en ik heb aangetoond hoe Christus de openbaring en de incarnatie is van de barmhartigheid van de Vader. Het heil bestaat in het geloof aan en de aanvaarding van het mysterie van de Vader en van zijn liefde, die zich uit en geeft in Jezus door de Geest. Zo wordt het Rijk Gods voltooid dat reeds in het Oude Testament was voorbereid, door Christus en in Christus verwezenlijkt is en aan alle volkeren verkondigd wordt door de Kerk, die ervoor werkt en bidt dat het op volmaakte en definitieve wijze verwerkelijkt wordt.

Het Oude Testament laat zien dat God een volk heeft uitgekozen en gevormd om zijn plan van liefde te openbaren en uit te voeren. Maar God is tevens Schepper en Vader van alle mensen: Hij heeft zorg voor allen, strekt zijn zegen uit tot allen Vgl. Gen. 12, 3 en heeft met allen een verbond gesloten Vgl. Gen. 9, 1-17 . Israël heeft de ervaring van een persoonlijke en reddende God Vgl. Dt. 4, 37 Vgl. Dt. 7, 6-8 Vgl. Jes. 43, 1-7 van wie het de getuige en de woordvoerder wordt temidden van de volkeren. In de loop van zijn geschiedenis wordt Israël zich bewust dat zijn uitverkiezing een universele betekenis heeft. Vgl. Jes. 2, 2-5 Vgl. Jes. 25, 6-8 Vgl. Jes. 60, 1-6 Vgl. Jer. 3, 17 Vgl. Jer. 16, 19

Jezus van Nazareth brengt Gods plan tot voltooiing. Na de Heilige Geest ontvangen te hebben bij het doopsel openbaart Hij zijn messiaanse roeping; Hij trekt door Galilea, verkondigt er Gods Blijde Boodschap en zegt: “De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap” (Mc.1, 15) Vgl. Mt. 4, 17 Vgl. Lc. 4, 43 . De verkondiging en de vestiging van het Rijk Gods zijn zijn zending: “Daarvoor ben Ik gezonden” (Lc. 4, 43). Maar er is meer: Jezus is zelf de Blijde Boodschap, zoals Hij reeds aan het begin van zijn zending verklaart in de synagoge van zijn stad, waar Hij de woorden van Jesaja over de Gezalfde, die door de Geest des Heren gezonden is, op zichzelf toepast Vgl. Lc. 4, 16-21 . Omdat Christus de Blijde Boodschap is, zijn in Hem boodschap en bode, zeggen en doen identiek. Zijn kracht, het geheim van de doeltreffendheid van zijn actie, ligt in de volledige identificatie met de boodschap die Hij verkondigt; Hij predikt de Blijde Boodschap niet alleen door wat Hij zegt of doet maar ook door wat Hij is.

De zending van Jezus wordt beschreven in de context van de reizen in zijn land. Vóór Pasen is de horizon van de zending beperkt tot Israël maar Jezus biedt een nieuw element van kapitaal belang. De eschatologische realiteit wordt niet verschoven naar een ver verwijderd einde van de wereld, maar komt nabij en begint zich te verwerkelijken. “Het Rijk Gods is nabij” (Mc. 1, 15), men bidt dat het komt Vgl. Mt. 6, 10 , het geloof ziet het reeds werkzaam in de tekenen, zoals de wonderen Vgl. Mt. 11. 4-5 , de uitdrijvingen van duivels Vgl. Mt. 12, 25-28 , de keuze van de twaalf Vgl. Mc. 3, 13-19 , de verkondiging van de Blijde Boodschap aan de armen Vgl. Lc.4, 18. Uit de ontmoetingen van Jezus met de heidenen blijkt dat men tot het Rijk toetreedt door het geloof en de bekering Vgl. Mc. 1, 15 en niet eenvoudig omdat men tot een etnische groep behoort.

Het Rijk dat Jezus vestigt, is het Rijk van God. Jezus openbaart zelf wie deze God is die Hij vertrouwelijk “Abba”, Vader noemt Vgl. Mc.14, 36. God, die vooral in de gelijkenissen geopenbaard wordt Vgl. Mt. 20, 1-16 Vgl. Lc. 15, 3-32 , is gevoelig voor de noden en het lijden van iedere mens; Hij is een liefderijke Vader, vol medelijden, die vergiffenis schenkt en belangeloos de gevraagde genaden geeft.

Sint Jan zegt ons dat God liefde is Vgl. 1 Joh. 4, 8.16 . Daarom wordt iedere mens uitgenodigd om “zich te bekeren” en te “geloven” in de barmhartige liefde van God voor hem. Het Rijk zal groeien in de mate waarin iedere mens leren zal om zich tot God te richten als tot een Vader in de verborgenheid van het gebed Vgl. Lc. 11, 2 en zich zal inspannen om diens wil te volbrengen Vgl. Mt. 7, 21 .

Door middel van zijn woorden, werken en persoon openbaart Jezus geleidelijk de kenmerken en de eisen van het Rijk.

Het Rijk is bestemd voor alle mensen en allen worden geroepen er lid van te zijn. Om dit aspect te benadrukken is Jezus vooral naar hen gegaan die aan de rand van de maatschappij leefden; aan hen heeft Hij de voorkeur gegeven toen Hij de Blijde Boodschap verkondigde. Aan het begin van zijn zendingswerk verklaart Hij dat Hij gezonden is om aan armen de Blijde Boodschap te brengen Vgl. Lc. 4, 18 . Aan alle slachtoffers van uitsluiting en verachting verklaart Hij:”Zalig gij die arm zijt” (Lc. 6, 20). Bovendien geeft Hij aan deze uitgestotenen reeds een ervaring van bevrijding door met hen te zijn, met hen te eten Vgl. Lc. 5, 30 , hen als gelijken en vrienden te behandelen Vgl. Lc. 7, 34 , hen te laten voelen dat God hen liefheeft, en door zo de onmetelijke tederheid van God jegens de behoeftigen en de zondaars te openbaren Vgl. Lc.15,1-32.

De bevrijding en de redding die het Rijk Gods brengt, raken de mens in al zijn dimensies, zowel fysieke als geestelijke. Twee gebaren karakteriseren de zending van Jezus: de genezing en de vergeving. De veelvuldige genezingen tonen zijn groot medelijden tegenover de menselijke misère maar zij betekenen ook dat er in het Rijk geen ziekte en lijden meer zullen zijn en dat zijn zending vanaf het begin ernaar streeft de mensen daarvan te bevrijden. In de optiek van Jezus zijn de genezingen ook tekenen van de geestelijke redding, van de bevrijding uit de zonde. Door deze gebaren van genezing te maken nodigt Jezus uit tot het geloof, de bekering en het verlangen naar vergeving Vgl. Lc. 5-24 . Als het geloof eenmaal ontvangen is, spoort de genezing aan verder voort te gaan: zij voert tot het heil Vgl. Lc. 18, 42-43 . De gebaren van bevrijding uit de bezetenheid door de duivel, welke het grootste kwaad is en symbool van de zonde en de opstand tegen God, zijn tekenen dat “het Rijk tot u gekomen is” (Mt.12, 28).

Het Rijk streeft naar een verandering van de betrekkingen tussen de mensen en verwerkelijkt zich geleidelijk, naarmate de mensen leren elkaar te beminnen, te vergeven, te dienen. Jezus herneemt heel de wet en vat haar samen in het gebod van de liefde Vgl. Mt. 22, 34-40 Vgl. Lc. 10, 25-28 . Alvorens de zijnen te verlaten geeft Hij hun een “nieuw gebod”: “Gij moet elkaar liefhebben, zoals Ik u heb liefgehad” (Joh.13, 34) Vgl. Joh. 15, 12 . De liefde waarmee Jezus de wereld heeft bemind, vindt haar hoogste uitdrukking in de gave van zijn leven voor de mensen Vgl. Joh. 15, 13 , welke de liefde openbaart die de Vader voor de wereld heeft Vgl. Joh. 3,16 . Daarom is het wezen van het Rijk de gemeenschap van alle mensen met elkaar en met God.

Het Rijk gaat allen aan: de mensen, de maatschappij, de gehele wereld. Voor het Rijk werken wil zeggen de goddelijke dynamiek, welke in de mensengeschiedenis aanwezig is en deze omvormt, erkennen en begunstigen. Het Rijk opbouwen wil zeggen werken voor de bevrijding uit het kwaad in al zijn vormen. Kortom, het Rijk Gods is de uitdrukking en de verwerkelijking van het goddelijke heilsplan in heel zijn volheid.

Door Jezus uit de doden op te wekken heeft God de dood overwonnen en heeft Hij in Hem zijn Rijk definitief ingeluid. Gedurende zijn aardse leven is Jezus de profeet van het Rijk en na zijn lijden, verrijzenis en hemelvaart deelt Hij in Gods macht en in diens heerschappij over de wereld Vgl. Mt. 28, 18 Vgl. Hand. 2, 36 Vgl. Ef. 1, 18-21 . De verrijzenis geeft aan de boodschap van Christus, aan zijn handelen en aan heel zijn zending en universele draagwijdte. De leerlingen bemerken dat het Rijk reeds aanwezig is in de persoon van Jezus en langzamerhand gevestigd wordt in de mens en in de wereld door middel van een geheimvolle band met Hem.

Inderdaad predikten zij na de verrijzenis het Rijk door de verkondiging van de gestorven en verrezen Heer. Filippus bracht de Blijde Boodschap van het Rijk Gods en van de naam van Jezus Christus in Galilea Vgl. Hand. 8, 12 . Paulus predikte het Rijk Gods en gaf onderricht in de leer over de Heer Jezus Christus te Rome Vgl. Hand. 28, 31 . De eerste christenen verkondigden “het Rijk van Christus en van God” (Ef. 5, 5) Vgl. Openb. 11, 15 Vgl. Openb. 12, 10 of “het eeuwige Rijk van onze Heer en Heiland Jezus Christus” (2 Pt. 1, 11). De prediking van de oerkerk is geconcentreerd op de verkondiging van Jezus, met wie het Rijk identiek is. Zoals toen moet men ook nu de verkondiging van het Rijk Gods (het “kerugma” van Jezus) laten samengaan met de prediking van het Christusgebeuren (het “kerugma” van de apostelen). De twee verkondigingen vullen elkaar aan en verhelderen elkaar.

Men spreekt nu veel over het Rijk, maar niet altijd in overeenstemming met de kerkelijke zin. Er zijn namelijk opvattingen over het heil en de missie die men “antropocentrisch” kan noemen in de beperkende zin van de term, in zover zij zich geheel richten op de aardse noden van de mens. In deze visie dreigt het Rijk een geheel menselijke en geseculariseerde werkelijkheid te worden, waarin wat telt de programma’s en de strijd voor sociaal-economische, politieke en ook culturele bevrijding zijn, maar binnen een horizon die afgesloten is voor het transcendente. Zonder te ontkennen dat er ook op dit niveau waarden zijn die bevorderd dienen te worden, moet men toch zeggen dat die opvatting binnen de grenzen blijft van een mens die beroofd is van zijn authentieke en diepe dimensies en zich gemakkelijk omzet in één van de ideologieën van louter aardse vooruitgang. Het Rijk Gods daarentegen is niet van deze wereld, niet van hier Vgl. Joh. 18, 36 .

Verder zijn er opvattingen die bewust het accent leggen op het Rijk, zich “rijk-centrisch” noemen en het beeld tonen van een Kerk die niet aan zichzelf denkt, maar geheel in beslag wordt genomen door het getuigenis en de dienst van het Rijk. Het is een “Kerk voor de anderen”, naar men zegt, zoals Christus de “mens voor de anderen” is. Men beschrijft de taak van de Kerk als een taak die zich in twee richtingen moet bewegen; van de ene kant het bevorderen van de zogenaamde “waarden van het Rijk”, zoals vrede, rechtvaardigheid, vrijheid en broederschap, en van de andere kant het begunstigen van de dialoog tussen de volkeren, culturen en godsdiensten, opdat door wederzijdse verrijking de wereld geholpen wordt om zich te vernieuwen en steeds verder te gaan op de weg naar het Rijk.

Deze opvattingen vertonen naast positieve ook negatieve aspecten. Op de eerste plaats zwijgen zij over Christus. Het Rijk waarover zij spreken, is gebaseerd op een “theocentrisme”, omdat, zoals zij zeggen, Christus niet begrepen kan worden door wie niet het christelijk geloof bezit, terwijl de verschillende volkeren, culturen en godsdiensten elkaar kunnen vinden in de ene goddelijke werkelijkheid, hoe deze ook mag heten. Om dezelfde reden geven zij de voorkeur aan het mysterie van de schepping, dat weerspiegeld wordt in de verscheidenheid van culturen en geloven. Maar zij zwijgen over het mysterie van de verlossing. Bovendien sluit het Rijk, zoals zij het verstaan, tenslotte de Kerk uit of onderschat het deze, in reactie tegen een verondersteld “kerk-centrisme” uit het verleden en omdat zij de Kerk zelf slechts als een teken zien, dat overigens niet vrij is van dubbelzinnigheid.

Welnu, dit is niet het Rijk Gods zoals wij het uit de openbaring kennen. Dit kan niet losgemaakt worden noch van Christus noch van de Kerk.

Zoals gezegd, is het Rijk niet alleen door Christus aangekondigd, maar in Hem zelf tegenwoordig gekomen en vervuld. En niet alleen door zijn woorden en werken: “Vóór alles nochtans wordt het Rijk openbaar in de persoon zelf van Christus, de Zoon van God en de Zoon van de mensen, gekomen “om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen” (Mc.10, 45) 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 5. Het Rijk Gods is niet een begrip, een leer, een programma, dat vrij uitgewerkt kan worden, maar vooral een persoon, die het gelaat en de naam heeft van Jezus van Nazareth, beeld van de onzichtbare God Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22. Als men het Rijk losmaakt van Jezus, dan is het niet meer het Rijk Gods, dat Hij geopenbaard heeft, en men misvormt tenslotte zowel de zin van het Rijk, dat gevaar loopt veranderd te worden in een zuiver menselijk of ideologisch object, als de identiteit van Christus, die niet meer de Heer blijkt te zijn aan wie alles onderworpen moet worden Vgl. 1 Kor. 15-27 .

Men kan het Rijk evenmin losmaken van de Kerk. Deze is zeker geen doel op zich, daar zij gericht staat op het Rijk van God, waarvan zij kiem, teken en werktuig is. Terwijl de Kerk onderscheiden is van Christus en van het Rijk, is zij met beiden onlosmakelijk verbonden. Christus heeft de Kerk, zijn lichaam, uitgerust met de volheid van de heilsgoederen en –middelen; de Heilige Geest woont in haar, maakt haar levend door zijn gaven en charisma’s, heiligt, geleidt en vernieuwd haar voortdurend. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 4. Daaruit vloeit een bijzondere en unieke relatie voort die, al sluit zij de werking van Christus en van de Heilige Geest buiten de zichtbare grenzen van de Kerk niet uit, aan haar een specifieke en noodzakelijke rol toekent. Vandaar ook de speciale band van de Kerk met het Rijk van God en van Christus; zij heeft de zending dit te verkondigen en bij alle volkeren te vestigen” 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 5.

In deze totaalvisie begrijpt men de werkelijkheid van het Rijk. Dit eist zeker de bevordering van het menselijk welzijn en van de menselijke waarden, welke men zeer wel “evangelisch” kan noemen, omdat zij innig verbonden zijn met de Blijde Boodschap. Maar deze bevordering, die de Kerk ook ter harte gaat, moet niet losgemaakt worden van of gesteld worden tegenover haar andere fundamentele taken, zoals de verkondiging van Christus en van zijn evangelie en de stichting en ontwikkeling van gemeenschappen welke onder de mensen het levende beeld verwerkelijken van het Rijk. Men moet niet vrezen hiermee in een vorm van “kerk-centrisme” te vervallen. Paulus VI, die het bestaan bevestigd heeft van “een nauw verband tussen Christus, de Kerk en de evangelisatie” H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 16, heeft ook gezegd dat de Kerk “geen doel op zich is, maar vurig verlangt geheel van Christus, in Christus en voor Christus te zijn en geheel van de mensen, onder de mensen en voor de mensen” H. Paus Paulus VI, Toespraak, Openingstoespraak 3e zittingsperiode Vaticanum II, In Signo Sanctae Crucis (14 sept 1964), 17
De Kerk is werkelijk en concreet in dienst van het Rijk. Zij is het vooral met de oproep tot bekering; dit is de eerste en fundamentele dienst aan de komst van het Rijk in de enkelingen en in de maatschappij. Het eschatologische heil begint nu reeds in de nieuwheid van leven in Christus: “Aan allen echter die Hem wel aanvaardden, aan hen die in zijn Naam geloven, gaf Hij het vermogen om kinderen van God te worden” (Joh. 1, 12).

De Kerk dient voorts het Rijk door gemeenten te stichten en particuliere kerken te vestigen en door deze tot de volwassenheid van het geloof en de liefde te brengen in de openheid voor anderen, de dienst aan de mens en de maatschappij en het begrip en de achting voor de menselijke instellingen.

De Kerk dient tevens het Rijk door in de wereld de “evangelische waarden” te verspreiden, die uitdrukking van het Rijk zijn en de mensen helpen om het plan van God te aanvaarden. Het is dus waar dat een begin van verwerkelijking van het Rijk zich ook buiten de grenzen van de Kerk in de gehele mensheid kan bevinden, in zover deze leeft uit de “evangelische waarden” en zich openstelt voor de werking van de Heilige Geest, die blaast waarheen Hij wil Vgl. Joh. 3, 8 . Men moet hieraan onmiddellijk toevoegen dat deze tijdelijke dimensie van het Rijk onvolledig is als zij niet georiënteerd is op het Rijk van Christus, dat in de Kerk aanwezig is en gericht is op de eschatologische volheid Vgl. H. Paus Paulus VI, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de Evangelisatie in de Moderne Wereld, Evangelii Nuntiandi (8 dec 1975), 34.

De veelvoudige perspectieven van het Rijk Gods Vgl. Internationale Theologische Commissie, Selectie van ecclesiologische thema’ s bij de 20e verjaardag van de sluiting van het Tweede Vaticaans Oecumenisch Concilie (7 okt 1985), 10. “De eschatologische natuur van de Kerk: Rijk Gods en Kerk” verzwakken de fundamenten en de doeleinden van de missie niet, maar versterken en verbreden ze eerder. De Kerk is sacrament van heil voor de gehele mensheid en haar actie beperkt zich niet tot hen die haar boodschap aanvaarden. Zij is dynamische kracht op de weg van de mensheid naar het eschatologische Rijk, teken en bevorderaarster van de evangelische waarden onder de mensen Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 39. De Kerk draagt bij tot deze tocht van bekering tot het plan van God door haar getuigenis en door haar activiteiten, zoals de dialoog, de menselijke ontwikkeling, de inzet voor gerechtigheid en vrede, de opvoeding en de ziekenverpleging, de bijstand aan armen en geringen, altijd met behoud van de prioriteit van de transcendente en geestelijke werkelijkheden die vooronderstellingen zijn van het eschatologische heil.

De Kerk dient tenslotte het Rijk ook met haar voorspraak, want dit Rijk is uiteraard gave en werk van God, zoals de gelijkenissen van het evangelie en het gebed zelf dat Jezus ons geleerd heeft, aangeven. Wij moeten erom vragen, het aannemen en doen groeien in ons. Maar wij moeten er ook aan meewerken dat het aangenomen wordt en groeit onder de mensen totdat Christus “het koningschap aan God de Vader zal overdragen” en God “alles in allen” zal zijn (1 Kor. 15, 24.28).

Document

Naam: REDEMPTORIS MISSIO
Over de blijvende geldigheid van de missie-opdracht
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 7 december 1990
Copyrights: © 1991 - Stichting R.K. Voorlichting
Bewerkt: 29 november 2017

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
 
|
Pagina delen: 
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2019, Stg. InterKerk, Schiedam