• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Het eerste licht dat Christus’ verlossing op de mensheid werpt, is dat Hij haar aan zichzelf openbaart als tegelijkertijd bestemd voor het heil (1) en in staat om het heil te aanvaarden (2).

Tijdens de hele Bijbelse traditie zijn er veel situaties waarbij het volk van Israël - of de groepen armen die geroepen zijn het volk van Israël te worden - ertoe gebracht werd God te zoeken en te belijden door ingrepen waarbij God hen redt van angst en ondergang. Van de wederwaardigheden van de Exodus, toen Jahwe met sterke hand en uitgestrekte arm ingreep, tot de vergeving geschonken aan het gebroken en berouwvolle hart, is voor het volk van God en voor iedere gelovige duidelijk dat God zich openbaart op het ogenblik dat Hij verschijnt om heil te brengen.

Maar evenzeer is duidelijk dat God ingrijpt, en zo Zichzelf openbaart, in relatie tot een behoefte aan heil, duidelijk in zijn ware dimensies gemanifesteerd aan degenen die baat hebben bij het heil dat God hen aanbiedt. Deze algemene karakteristiek van de Bijbelse openbaring zal in het Nieuwe Testament meer reliëf krijgen.

God was zo trouw aan Zijn ’engagement’ met de mensheid, aan Zijn plan voor een verbond met de mensheid, dat Hij ’op de gestelde tijd’ hun Zijn enige Zoon heeft gezonden. Met andere woorden, God was er niet eenvoudig tevreden mee ’van buitenaf’ in te grijpen, via bemiddelaars, dat wil zeggen door op afstand te blijven van degenen die Hij wilde redden. In Jezus Christus is God in hun midden gekomen, is God één van hen geworden. De Vader heeft Zijn enige Zoon gezonden, in de Heilige Geest, om de menselijke bestaansconditie te delen (in alles behalve in de zonde), om communicatie met de mensheid tot stand te brengen. Dit gebeurde om hen in staat te stellen volledig in Gods gunst terug te keren en het goddelijke leven ten volle binnen te gaan. Het resultaat is dat de menselijke bestaansconditie zichzelf in een heel nieuw perspectief ziet.

De menselijke bestaansconditie verschijnt allereerst als voorwerp van een liefde die ’tot het uiterste’ kan gaan: het bewijs dat God ons liefheeft is dat Christus, toen we nog zondaars waren, ”voor ons is gestorven” (Rom. 5, 8) en ”indien God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn? Hij heeft zelfs Zijn eigen zoon niet gespaard, voor ons allen heeft Hij Hem overgeleverd. En zou Hij ons na zulk een gave ook niet al het andere schenken?” (Rom. 8, 31-32).

Vervolgens is er de volheid van lotsbestemming die de mensheid te wachten staat, overeenkomstig de heilswil die God hierover te kennen heeft gegeven in Zijn Zoon die mens is geworden, gestorven en uit de doden opgestaan. Dan is er de radicale aard van het heil dat God voor de mensheid in Jezus Christus bestemt: zij wordt uitgenodigd op haar beurt binnen te gaan in de dynamiek van het paasmysterie van Jezus, de Christus. Enerzijds neemt dit heil de vorm aan van een kindschap, in de Geest van Christus de Zoon. Aangetrokken en gesteund door de Geest (waaraan zij door de sacramenten deel hebben) worden de mensen geroepen in geloof en hoop hun situatie van kinderen van de Vader die in de hemel is te beleven, maar met de plicht Zijn wil op aarde te doen, door hun broeders in liefde te beminnen en te dienen.

Als zij, anderzijds, niet gespaard blijven van ervaringen van hoop en verdriet, dus het lijden van deze wereld, weten ze dat Gods genade - de actieve aanwezigheid in hen van Zijn liefde en barmhartigheid - hen in alle omstandigheden zal vergezellen. En als ze ook de dood moeten ondergaan, weten ze dat die hun lot niet zal bezegelen, want zij hebben de belofte van de verrijzenis van het lichaam en het eeuwige leven.

Hoewel de mensheid verarmd en onwaardig kan lijken, hoeven we niet te concluderen dat zij volledig waardeloos is in Gods ogen. Integendeel, de bijbel herinnert er ons voortdurend aan dat als God ten gunste van de mensheid ingrijpt, dat juist is, omdat God de mensen Zijn ingrijpen waardig acht. We moeten bijvoorbeeld letten op de aan Israël gegeven verzekering op het dieptepunt van Zijn lijden: ”zó kostbaar zijt gij in mijn ogen, zó waardevol: ik heb u lief” (Jes. 43, 4).

Met andere woorden, volgens het Bijbelse en christelijke geloof blijft er, ondanks al het negatieve bij de mensheid, iets dat in staat is gered te worden, omdat het in staat is bemind te worden door God zelf en daarom ook door Hem bemind wordt. Hoe is dit mogelijk en hoe wordt de mens er zich bewust van?

Het Bijbelse en christelijke antwoord wordt gegeven door de scheppingsleer. Volgens deze leer hebben de mensheid en de wereld geen enkel bestaanrecht en zijn toch geen resultaat van ’toeval en noodzaak’. Ze bestaan omdat ze zijn en worden geroepen. Ze werden geroepen toen ze niet bestonden, maar zo waren dat ze tot bestaan zouden kunnen komen. Ze worden uit het niet-zijn geroepen om aan zichzelf gegeven te worden en zo in zichzelf te bestaan.

Maar als de oorspronkelijke bestaansconditie van de mens in deze wereld zo is - deze conditie die hem juist definieert als iemand die deze boodschap verkondigt -, dan zijn er belangrijke consequenties die het geloof expliciet maakt.

God schept de mensheid niet zonder een bedoeling te hebben. Hij schept haar juist met de bedoeling die de goddelijke ingrepen in de geschiedenis openbaren: uit liefde voor de mensheid en voor haar welzijn. Om het exacter te stellen, Hij schept de mens om een verbond met hem te sluiten, om hem deelgenoot van Gods eigen leven te maken. Met andere woorden, als er een schepping is, dan is dat met het oog op de genade, met het oog op het leven van God, met God en voor God.

Als God ons roept tot een bestemming die onze menselijke krachten duidelijk te boven gaat, en die dus slechts pure genade kan zijn, dan is het niettemin waar dat deze bestemming moet overeenstemmen met wat de mens als zodanig is. Anders zou de mens die de gave van God ontvangt en met genade begunstigd wordt, een andere zijn dan degene die geroepen wordt om het heil deelachtig te worden. In deze zin is de menselijke natuur, terwijl ze de gratuïteit van de genade respecteert, gericht op het bovennatuurlijke en realiseert ze zichzelf daarin en daardoor op een dergelijke manier dat de natuur van de mensheid open gaat voor het bovennatuurlijke (capax Dei).

Aangezien dit alleen zin heeft in de context van een verbond, moet er echter ook op gewezen worden dat God Zijn genade niet aan de mensheid oplegt; Hij biedt die eenvoudig aan. Maar dit brengt een risico met zich mee. Gebruik makend van de door God gegeven vrijheid hoeft de mens niet altijd in harmonie met Gods bedoelingen te handelen, maar kan hij de talenten die God hem gegeven heeft, misbruiken voor zijn eigen doelen en zijn eigen glorie.

God heeft deze gaven gegeven zodat het verlangen dat de mensheid ertoe moet brengen God te zoeken en als enige vervulling te vinden, van de mens zelf zou uitgaan. Maar de mens kan de dynamiek van zijn natuur en de beweging van zijn hart altijd anders oriënteren. Desondanks blijft het waar dat de mens geschapen is voor de liefde van God en dat zal blijven: voor de genade en het heil waar God hem voor bedoeld heeft.

Document

Naam: ENKELE VRAAGSTUKKEN OVER GOD ALS VERLOSSER
Soort: Internationale Theologische Commissie
Auteur: Internationale Theologische Commissie
Datum: 29 november 1994
Copyrights: © 1996, SRKK Kerkelijke Documentatie jrg. 24, nr. 8
In opdracht van p. Georges Cottier o.p., secr.-gen. van de ITC, vertaald door prof. dr. J. Ambaum m.m.v. mw. drs. M.-L. Meulemans
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2020, Stg. InterKerk, Schiedam